Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6148

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
15/800376-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; ontkennende verdachte; vol opzet bewezen verklaard; strafoplegging; persoonlijke omstandigheden niet tot onvoldoende onderbouwd dus geen reden af te wijken van de LOVS richtlijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800376-13

Uitspraakdatum: 27 juni 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] te Calabar (Nigeria),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat verdachte en haar raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 25 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 9907,1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte is op 25 maart 2013 op een vlucht vanuit Spanje aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Bij een douanecontrole wordt de bagage van verdachte gecontroleerd met behulp van een x-ray apparaat. Op het scan-beeld worden door verbalisanten afwijkende contouren in de koffer van verdachte gezien. De koffer wordt hierna geopend. In de koffer worden meerdere witte tassenhoezen aangetroffen. Na het openen van één van de tassenhoezen wordt een dameshandtas gezien. De dameshandtas voelt zwaar aan. Een verbalisant voelt een verdikking aan de binnenkant van de dameshandtas.2 In de voering van de dameshandtas worden een aantal pakketten aangetroffen.3

Nader onderzoek wijst uit dat zich in de voering van drie dameshandtassen in totaal veertig pakketten bevinden. In elk van de pakketten wordt een witte poederachtige stof aangetroffen. Het totaal netto gewicht van deze witte poederachtige stof is 9.907,1 gram.4 Uit onderzoek van het Douane Laboratorium is gebleken dat de aangetroffen stof cocaïne bevat.5

3.3. Bewijsoverweging

Verdachte heeft in haar verhoor bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar) verklaard dat zij benaderd is door een zekere [betrokkene], die haar vroeg vanuit Milaan (Italië), waar verdachte woont, naar Amsterdam te komen. [betrokkene] heeft verdachte haar aankomst per bus in Nederland, vervolgens gevraagd een tas op te halen in Sevilla (Spanje). Hiervoor zou verdachte een beloning krijgen. Het doel van de reis was volgens verdachte het vervoeren van verdovende middelen van Sevilla naar Amsterdam. Bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft verdachte haar aanvankelijk bekennende verklaring herroepen en heeft zij verklaard dat zij niet wist dat er verdovende middelen zaten in de koffer die zij in Spanje heeft opgehaald en naar Nederland heeft vervoerd.

De rechtbank is, in tegenstelling tot de verdediging, van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne. De verklaring van verdachte dat zij voor een vriendin genaamd [betrokkene], over wie verdachte verder niets kan vertellen, vanuit Milaan naar Amsterdam reist, om vervolgens voor deze vrouw een koffer met kleding op te halen in Spanje, terwijl een dergelijke koffer met een koeriersdienst vele malen goedkoper en sneller in Nederland zou zijn aangekomen, is dusdanig ongeloofwaardig dat de rechtbank deze verklaring terzijde stelt. De rechtbank houdt verdachte dan ook aan haar eerdere verklaring, zoals zij die heeft afgelegd bij de Kmar, dat zij wist dat zij verdovende middelen vervoerde en dat zij daarvoor een beloning zou ontvangen.

Verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 25 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 9907,1 gram van een materiaal bevattende

cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig (48) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 9.907,1 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd.

De raadsman van verdachte heeft ter zake van de persoonlijke omstandigheden aangevoerd dat verdachte in Italië in een sociaal isolement verkeerde, dat zij de (financiële) zorg droeg voor haar eigen zes kinderen in Nigeria en voor de drie kinderen van haar overleden zus in Nigeria, terwijl zij door de verslechterde economische omstandigheden in Italië reeds acht maanden zonder werk en inkomsten zat.

De rechtbank constateert dat de persoonlijke omstandigheden die de raadsman heeft aangevoerd op zichzelf grond geven in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de officier van justitie geëiste straf. Nu deze omstandigheden echter op geen enkele wijze onderbouwd zijn, kan de rechtbank tot haar spijt met deze geschetste omstandigheden geen rekening houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTENVEERTIG (48) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mr. E.J. Bellaart en mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 27 juni 2013.

Mr. M.J. Kronenberg is buiten staat dit vonnis mede te onderkenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevinding en overdacht d.d. 26 maart 2013 (voorgeleidingsdossier, dossierpagina’s 20-22).

3 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 26 maart 2013 (voorgeleidingsdossier, dossierpagina’s 18-19).

4 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 31 maart 2013 (proces-verbaal nr. PL27RP/13-021014, los opgenomen).

5 Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 8 april 2013 (kenmerk A065.3.021014 en laboratoriumnummer 3379 X 13, los opgenomen).