Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6100

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
15/840041-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bewezen verklaring feit 1 invoer verdovende middelen in Nederland; vrijspraak feit 2 medeplegen invoer verdovende middelen in Nederland; bekennende verklaring ten aanzien van feit 1; strafoplegging; gevangenisstraf; geen reden af te wijken van de LOVS richtlijnen en eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840041-13

Uitspraakdatum: 27 juni 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] te Rotterdam,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 27 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

hij op of omstreeks 03 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2544,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

3.2. Vrijspraak feit 2
Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

Uit de inhoud van het strafdossier blijkt dat verdachte op 6 februari 2013 samen met [betrokkene] vanuit Nederland naar Suriname is gereisd. In Suriname heeft verdachte ook meerdere ontmoetingen met [betrokkene] gehad. [betrokkene] is op 3 maart 2013 aangekomen in Nederland met in een laptoptas - naar later is vastgesteld - 2.544,8 gram cocaïne en heeft verklaard dat verdachte de organisator van dit transport is geweest. [betrokkene] zou enkele dagen voor vertrek naar Nederland in zijn woning in Suriname met de auto zijn opgehaald door voor hem, [betrokkene], onbekende jongens, die hem vervolgens hebben bedreigd. Deze jongens zouden [betrokkene] later ook in de gaten hebben gehouden. Op de dag van vertrek zou [betrokkene] op de luchthaven Zanderij achter de douane van een beveiligingsbeambte een laptoptas hebben gekregen, die hij mee naar Nederland moest nemen.

Het strafdossier bevat ten aanzien van het ten laste gelegde weliswaar aanwijzingen dat verdachte betrokken kan zijn geweest bij de invoer van cocaïne op 3 maart 2013 door [betrokkene], maar deze aanwijzingen zijn onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring. Immers kan niet worden vastgesteld dat er een link bestaat tussen verdachte en de personen die [betrokkene] heeft beschreven. Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juni 2013 afgelegd;

het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 28 maart 2013 (dossierparagraaf 2.3);

het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 1 april 2013 (dossierparagraaf 2.7);

het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 8 april 2013, kenmerk A065.3.021395 en laboratoriumnummer 3372 X 13 (los opgenomen).

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van feit 1

hij op 27 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig (28) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het reclasseringsadvies is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2460,2 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen het onder feit 2 ten laste gelegde feit en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTENTWINTIG (28) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mr. E.J. Bellaart en mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 27 juni 2013.

Mr. M.J. Kronenberg is buiten staat dit vonnis mede te onderkenen.