Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6097

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
15/800382-13 en 23/004225-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; bekennende verdachte; bewezenverklaring; strafoplegging; deels voorwaardelijke gevangenisstraf; toewijzing vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800382-13 en 23/004225-11 (tul)

Uitspraakdatum: 27 juni 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] te Paramaribo (Suriname),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.E.L.M. Fontijn, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1978,1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juni 2013 afgelegd;

het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 28 maart 2013 (dossierparagraaf 1.5);

het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 4 april 2013 (dossierparagraaf 1.1.4);

het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 11 april 2013, kenmerk A065.3.021620 en laboratoriumnummer 3730 X 13 (los opgenomen).

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 28 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1978,1 gram van een materiaal bevattende

cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het reclasseringsadvies van Palier d.d. 11 juni 2013 is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1978,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de dreigende uitzetting van de vriendin van verdachte uit haar woning door een huurachterstand, grond is gelegen de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf ernstig te matigen. Door de drugsorganisatie is misbruik gemaakt van de onzekere omstandigheden die verdachte en zijn partner raakten en hier moet in het voordeel van verdachte rekening mee worden gehouden, aldus de raadsman.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dergelijke feiten pleegt te worden opgelegd. De officier van justitie heeft bij zijn eis voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank zal echter bepalen dat een groter gedeelte van de straf voorwaardelijk zal worden opgelegd, om zodoende verdachte nog sterker ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 28 juni 2012 in de zaak met parketnummer 23/004225-11 heeft het Gerechtshof te Amsterdam verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig (20) uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 augustus 2012 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd arrest vastgestelde proeftijd is ingegaan op 13 juli 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot TIEN (10) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/004225-11 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van TWINTIG (20) UREN, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door tien (10) dagen hechtenis, zoals opgelegd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 28 juni 2012.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. M.J. Kronenberg en mr. H.P. van der Lelie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 27 juni 2013.

Mr. M.J. Kronenberg is buiten staat dit vonnis mede te onderkenen.