Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6094

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
15/740376-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Panda. Meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden medeplegen cocainehandel, medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid heroine en deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de handel in cocaine tezamen met medeverdachte 2.

Ten aanzien van de deelname aan een criminele organisatie merkt de rechtbank nog op dat zij van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van een duurzame en structurele samenwerking, ook al betreft de bewezenverklaarde deelneming van verdachte daaraan niet meer dan een periode van een kleine vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740376-10 (onderzoek Panda)

Uitspraakdatum: 7 mei 2013

Tegenspraak (ex art. 279 lid 2 Sv)

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2013 in de zaak tegen:

[verdachten],

geboren op [geboortedag] te Beni Touzine (Marokko),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van der Putte en van wat de raadsman van verdachte, mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 4 november 2010 te Haarlem en/of Bennebroek en/of Heemstede en/of IJmuiden en/of Zandvoort en/of Vogelenzang en/of elders in het arrondissement Haarlem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

hij op of omstreeks 05 november 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 260,1 gram heroïne en/of ongeveer 91,3 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3

hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 5 november 2010 te Haarlem en/of Bennebroek en/of Heemstede en/of IJmuiden en/of Zandvoort en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkings- verband van verdachte en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 1], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken,vervoeren, vervaardigen en/of aanwezig hebben van middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I art 11a Opiumwet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot (partiële) vrijspraak van hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd, voor zover dat inhoudt dat verdachte een samenwerkingsverband vormde met [medeverdachte 1], en voor het overige tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Inleidende opmerkingen

In januari en februari 2009 worden bij de politie twee anonieme brieven bezorgd waarin de politie wordt gewezen op een groep Marokkaanse jongeren die handelen in verdovende middelen. Naar aanleiding van deze brieven wordt het onderzoek Brief gestart. In april 2009 wordt na gedane bevindingen de aandacht van de politie onder meer gevestigd op verdachte. In juni 2009 wordt het onderzoek beëindigd wegens capaciteitsproblemen. In februari 2010 wordt naar aanleiding van de eerdere bevindingen in het onderzoek Brief een nieuw onderzoek gestart onder de naam Panda, waarbij onder meer onderzoek wordt gedaan naar telecommunicatie, wordt geobserveerd en getuigen worden gehoord.2

Ten aanzien van feit 1

Op 5 november 2010 ‘klapt’ het onderzoek Panda en onttrekt verdachte zich aan zijn aanhouding.3 In de slaapkamer van verdachte in de woning van zijn ouders aan de [medeverdachte 1] te Haarlem worden hierna onder meer vijfentwintig simkaarten aangetroffen.4

De simkaart met inbeslagnamecode A8.11, die behoort bij het telefoonnummer eindigend op 8708, bevat de contactgegevens van 87 afnemers van verdovende middelen.5 Op 1 januari 2009 wordt dit telefoonnummer genoemd in de eerste anonieme brief die de politie wijst op een groepje Marokkaanse jongens die zeer actief zouden dealen in cocaïne en heroïne (onderzoek Brief).6 In de contactlijsten van dit telefoonnummer komen de namen van afnemers [afnemer 1], [afnemer 2] en [afnemer 3] voor, alsmede de contactgegevens van een groot aantal andere afnemers van verdovende middelen.7

De simkaart met inbeslagnamecode A.8.10 behoort bij het telefoonnummer eindigend op 0822, welke eveneens in het onderzoek Brief naar voren is gekomen.8 Deze simkaart bevat de contactgegevens van 76 afnemers van verdovende middelen. In februari 2009 wordt bij de politie een tweede anonieme brief bezorgd waarin de briefschrijver de politie erop wijst dat de voornoemde groep nu het telefoonnummer eindigend op 0822 is gaan gebruiken.9

De simkaart met inbeslagnamecode A8.8 behoort bij het telefoonnummer eindigend op

4333.10 Dit telefoonnummer wordt in de derde anonieme brief in het onderzoek Brief genoemd als opvolger van het telefoonnummer eindigend op 0822.11

Onderzoek naar de telecommunicatie met telefoonnummers van verdachte wijst het volgende uit. In de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 februari 2009 maakt verdachte gebruik van het telefoonnummer eindigend op 8708. In deze periode wordt via dit telefoonnummer door in ieder geval vier verschillende afnemers ([afnemer 2], [afnemer 1], [afnemer 4] en [afnemer 3]) in totaal op 98 dagen contact onderhouden met verdachte. Vanaf 10 februari 2009 tot en met 6 april 2009 maakt verdachte gebruik van het telefoonnummer eindigend op 0822. Met de voornoemde vier afnemers wordt in totaal op 115 dagen contact onderhouden via dit telefoonnummer. Verdachte maakt in de periode van 6 april 2009 tot en met 19 mei 2009 gebruik van het telefoonnummer eindigend op 4333. In deze periode wordt op 95 dagen via dit telefoonnummer contact onderhouden met de voornoemde vier afnemers.12

Afnemer [afnemer 3], woonachtig in Haarlem, heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij iedere dag heroïne gebruikt.13 [afnemer 3] heeft het telefoonnummer van de persoon die hij belde voor de heroïne nog in zijn telefoon staan en verklaart dat dit het nummer eindigend op 8708 is. Dit telefoonnummer is in de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 februari 2009 bij verdachte in gebruik.14 [afnemer 3] verklaart dat hij gedurende twee jaar bij ‘[bijnaam]’ of ‘[bijnaam 1]’ heroïne heeft afgenomen.15 [afnemer 3] herkent verdachte op de hem getoonde politiefoto als de ‘[bijnaam]’ of ‘[bijnaam 1]’ die hem heroïne verstrekte.

Afnemer [afnemer 5] is woonachtig te Haarlem en heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij twee tot drie keer per week cocaïne gebruikt. [afnemer 5] herkent verdachte op de hem getoonde politiefoto en verklaart dat hij anderhalf jaar eerder voor het eerst cocaïne van verdachte heeft gekocht. De cocaïne werd meestal bij hem thuis afgeleverd.16

Afnemer Bruijns, woonachtig in Bennebroek gebruikt cocaïne die hem sinds 2008 thuis wordt verstrekt door een groepje Turkse en Marokkaanse jongens.17 Bruijns herkent verdachte op de hem getoonde politiefoto en verklaart dat verdachte wel eens cocaïne bij hem heeft gebracht.

Afnemer [afnemer 2] is woonachtig in Heemstede en verklaart dat hij cocaïne gebruikt die thuis wordt gebracht door een groepje dealers die zich allen ‘[bijnaam]’ en ‘[bijnaam 2]’ noemen.18

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen

De bij [medeverdachte 1] – bij vonnis d.d. 25 juli 2011 van de rechtbank Haarlem veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van het opzettelijk verkopen van cocaïne en heroïne in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 5 november 2010 – op 5 november 2010 aangetroffen telefoon met het nummer eindigend op 1221 bevat honderdentwintig contacten die alle meer dan vermoedelijk betrekking hebben op afnemers van verdovende middelen. Met dit telefoonnummer is in de periode van 20 maart 2010 tot en met 4 november 2010, en daarmee ook in de periode waarin [medeverdachte 1] – blijkens het zojuist genoemde vonnis naar eigen zeggen – de telefoon (in ieder geval) in zijn bezit had, in totaal ruim dertienhonderd keer contact geweest met [afnemer 4], [afnemer 3], [afnemer 2] en [afnemer 1], allen zijnde afnemers van harddrugs.19 Uit de opgenomen gesprekken van het telefoonnummer eindigend op 8853 blijkt dat [medeverdachte 1] in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 5 november 2010 structureel talloze gesprekken heeft gevoerd met verdachte.20 In deze gesprekken spreekt [medeverdachte 1] telkens kort met verdachte en stuurt hij verdachte aan om naar bepaalde plaatsen te rijden en ‘dingen te maken’. In de gesprekken wordt nimmer over persoonlijke zaken gesproken en de gesprekken vinden voornamelijk plaats in versluierd taalgebruik. Zo wordt onder andere gesproken over ‘dvd’, ‘disco’, ‘dure’, ‘goedkope’, ‘grote’ en ‘kleintjes’. Afnemer [afnemer 3] verklaart verder dat als hij een bestelling voor heroïne plaatste, hij altijd hetzelfde telefoonnummer belde en verdachte of [medeverdachte 1] dan de heroïne kwam brengen.21

Gezien de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 oktober 2010 alleen en in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 4 november 2010 tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen, te weten cocaïne en heroïne.

Ten aanzien van feit 2

Op 5 november 2010 om 16.57 uur wordt een gesprek tussen verdachte en zijn broer [naam] opgenomen en uitgeluisterd. In dit gesprek zegt verdachte tegen zijn broer: ‘ga snel naar huis, alles zit in die disqertie, alles zit in de kast, in mijn la.. in die klerenkast.. ga nu.. nu!’. Op de achtergrond is bij dat gesprek paniek te horen waarbij een derde zegt ‘ga snel’. Drie minuten later, om 17.00 uur, belt verdachte naar ene [naam 1]. Verdachte vraagt of [naam] al is vertrokken en zegt vervolgens: ‘zeg tegen hem dat hij nu gelijk naar huis moet bellen om die dingen weg te halen’. [naam 1] antwoordt daarop dat dit goed is.22

Diezelfde dag om 17.03 uur is door de politie de woning van de ouders van verdachte betreden, waar verdachte op dat moment woonachtig was. Deze woning is vervolgens met behulp van een drugshond doorzocht. In de slaapkamer van verdachte heeft de drugshond, na het ruiken aan bureaulades, het door hem aangeleerde signaal gegeven dat hij verdovende middelen rook. Ook bij het ruiken aan kleding in de kledingkast welke zich in die kamer bevond heeft de drugshond een dergelijk signaal gegeven. Beide plaatsen zijn vervolgens nader onderzocht, echter daarbij zijn geen verdovende middelen aangetroffen.23

Bij binnenkomst van de verbalisanten stond de moeder van verdachte, genaamd [moeder], in de keuken. Bij het zien van een van de verbalisanten is [moeder] direct naar het balkon van de woning gelopen. Een verbalisant hoorde vlak na dat moment het geluid van het kraken van een plasticzak. Hierop is ook de verbalisant het balkon opgelopen. Op het balkon aangekomen, zag hij dat [moeder] enigszins geschrokken zijn richting op keek. [moeder] pakte op dat moment een witte plasticzak met fruit van de grond.24 In een afvalemmer op het balkon is onder een plastic tas met vruchten en een plastic tas met kruiden 91,3 gram cocaïne en 260,1 gram heroïne aangetroffen.25

Naar het oordeel van de rechtbank kan het op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, en meer in het bijzonder gelet op de aangehaalde telefoongesprekken en het zeer beperkte tijdsverloop tussen deze uitgeluisterde gesprekken en het op het balkon aantreffen van de verdovende middelen, niet anders zijn dan dat [moeder] op aangeven van verdachte de aangetroffen verdovende middelen uit de lades en kast van verdachte heeft gehaald en vervolgens op het balkon in de vuilnisbak heeft verstopt. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die dag tezamen en in vereniging met een ander of anderen een hoeveelheid verdovende middelen zijnde cocaïne en heroïne, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 3

Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 is overwogen, heeft verdachte zich over een gedeelte van de periode van 1 januari 2009 tot en met 5 november 2010 tezamen en in vereniging met een ander of anderen schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen, zijnde cocaïne en heroïne. Verdachte wordt onder feit 3 – kort gezegd – verweten dat hij ten behoeve van deze handel tezamen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waarbij de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd voor wat betreft het samenwerkingsverband met [medeverdachte 1].

Naar vaste rechtspraak is sprake van een criminele organisatie als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en hierin een aandeel hebben, ofwel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een criminele organisatie kenmerkt zich voorts door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Het moet gaan om meer dan een min of meer toevallig samenwerkingsverband. Hierbij is evenwel niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Bij de beoordeling of in onderhavig geval sprake is van een criminele organisatie acht de rechtbank de navolgende redengevende feiten en omstandigheden van belang.

[medeverdachte 1] heeft blijkens het door de officier van justitie aan de stukken van het strafdossier toegevoegde vonnis van de rechtbank Haarlem van 25 juli 2011 verklaard dat hij op 11 oktober 2010 van een persoon (waarvan hij de naam niet wil noemen) de mobiele telefoons met de nummers eindigend op 1221 en 8853 heeft gekregen om mee te dealen. Het telefoonnummer eindigend op 1221 bevat honderdentwintig contacten die alle meer dan vermoedelijk betrekking hebben op afnemers van verdovende middelen. Voorts is gebleken dat met dit telefoonnummer in de periode van 20 maart 2010 tot en met 4 november 2010, en dus ook in de periode waarin [medeverdachte 1] de telefoon (in ieder geval) in zijn bezit had, in totaal ruim dertienhonderd keer contact is geweest met [afnemer 4], [afnemer 3], [afnemer 2] en [afnemer 1], allen zijnde afnemers van harddrugs.26

Uit de tapgesprekken zoals opgenomen van het telefoonnummer eindigend op 8853 is gebleken dat verdachte in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 5 november 2010 structureel talloze gesprekken heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 1].27 Dat blijkt ook uit de tapgesprekken op 23 en 24 oktober 2010 gevoerd met het telefoonnummer eindigend op 4700 en de tapgesprekken in de periode 8 oktober 2010 en 17 oktober 2010 gevoerd met het telefoonnummer eindigend op 3178 die dan beide bij verdachte in gebruik zijn.28 Opvallend is dat in deze gesprekken zelden of nooit over persoonlijke omstandigheden wordt gesproken en de gesprekken voornamelijk plaatsvinden in versluierd taalgebruik. Zo wordt er gesproken over ‘dvd’, ‘disco’, ‘dure’, ‘goedkope’, ‘grote’ en ‘kleintjes’. Voorts is gebleken dat [medeverdachte 1] verdachte regelmatig aanstuurt om langs afnemers te gaan en om dingen ‘te maken’. Tenslotte blijkt uit verschillende tapgesprekken dat [medeverdachte 1] verdachte regelmatig aanspoort om op te schieten, omdat de klanten anders naar een ander gaan.29

Aldus is er via de verschillende telefoons frequent en structureel contact geweest tussen [medeverdachte 1] en de afnemers en tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder genoemde omstandigheden niet anders zijn dan dat de gesprekken zagen op de handel in harddrugs in Haarlem, Heemstede, IJmuiden en Zandvoort.30 De rechtbank wijst met betrekking tot het vorenstaande nog op de verklaring van getuige [afnemer 3], die heeft verklaard dat als hij hetzelfde nummer belde altijd [medeverdachte 1] of verdachte heroïne kwam brengen.31 Typerend voor de structuur en intensiteit van de samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte is voorts de omstandigheid dat [medeverdachte 1] verdachte, als hij naar de mening van [medeverdachte 1] niet opschiet, opdraagt ‘de auto in te leveren’ en het feit dat verdachte vlak na de aanhouding van [medeverdachte 1] probeert de dealtelefoon van [medeverdachte 1], eindigend op het nummer

1221, te doen blokkeren.32

Gelet op het hiervoor overwogene is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een duurzame en gestructureerde samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte die de handel in harddrugs tot oogmerk had, en die het (louter) in vereniging handelen in harddrugs overstijgt. De rechtbank overweegt daartoe dat [medeverdachte 1] en verdachte blijkens de opgenomen tapgesprekken gedurende (in ieder geval) enkele weken zeer intensief en naar vaste structuur hebben samengewerkt, waarbij een duidelijke rolverdeling heeft bestaan. [medeverdachte 1] heeft een meer aansturende rol vervuld en verdachte is degene geweest die over het algemeen bij de afnemers langs ging en de drugs klaarmaakte voor de verkoop. Over de verkoop en het klaarmaken van de drugs werd tussen beiden continu telefonisch contact onderhouden. Daarbij werd door verdachte gestructureerd gewerkt met behulp van twee mobiele telefoons. Met de telefoon met het nummer eindigend op 1221 onderhield [medeverdachte 1] contact met de afnemers en via de telefoons met de nummers eindigend op 4700 en 3178 kreeg verdachte van [medeverdachte 1] instructies. Tenslotte was binnen de organisatie sprake van een zekere mate van solidariteit, daar verdachte na de aanhouding van [medeverdachte 1] heeft getracht de dealtelefoon van deze te doen blokkeren.

Ten aanzien van de duurzaamheid van de samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte overweegt de rechtbank nog het volgende. De duurzame en structurele samenwerking tussen [medeverdachte 1] en verdachte kan slechts bewezen worden verklaard voor een periode van een kleine vier weken, aangezien slechts voor die periode wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van handel in verdovende middelen. Uit de tapgesprekken blijkt echter dat [medeverdachte 1] en verdachte op 11 oktober 2010 onmiddellijk volop actief zijn in de handel in verdovende middelen. Ook de rolverdeling is aanstonds duidelijk. Er blijkt geenszins van een opstartfase vanaf 11 oktober 2010. Bovendien maken [medeverdachte 1] en verdachte gebruik van telefoonnummers waarvan uit het dossier naar voren komt dat deze reeds geruime tijd in gebruik zijn bij personen die zich bezighouden met de handel in verdovende middelen. Dit kunnen [medeverdachte 1] en/of verdachte zelf geweest zijn, maar hiervan ontbreekt, zoals gezegd, voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier. Het kan daarom ook niet worden uitgesloten dat [medeverdachte 1] en/of verdachte vanaf 11 oktober 2010 zijn gaan deelnemen in een reeds bestaande criminele organisatie, gericht op de handel in verdovende middelen. In ieder geval volgt uit het dossier dat de samenwerking op 11 oktober 2010 al direct een structurele vorm en uitstraling heeft met een duidelijke rolverdeling. Ook uit de verklaringen van de afnemers kan niet worden opgemaakt dat zij de indruk hadden dat zij vanaf 11 oktober 2010 met een nieuwe, opstartende groep dealers te maken hadden. Zij bleven de hen bekende nummers bellen en kregen hun verdovende middelen vervolgens aangeleverd, zoals ze gewend waren. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van een duurzame en structurele samenwerking, ook al betreft de bewezenverklaarde deelneming van verdachte daaraan niet meer dan een periode van een kleine vier weken.

Verdachte heeft aldus tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] deelgenomen aan een criminele organisatie. De rechtbank komt gezien het bovenstaande tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit voor de periode vanaf 11 oktober 2010 tot en met 5 november 2010. Nu de rechtbank op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen acht dat verdachte (eveneens) een criminele organisatie heeft gevormd met [medeverdachte 1], zal de rechtbank verdachte van dit deel van het ten laste gelegde vrijspreken.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 oktober 2010 te Haarlem en Bennebroek en Heemstede meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne;

en

hij in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 4 november 2010 te Haarlem en Bennebroek en Heemstede tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne;

feit 2

hij op 5 november 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 260,1 gram heroïne en 91,3 gram cocaïne;

feit 3

hij in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 5 november 2010 te Haarlem en Bennebroek en Heemstede en IJmuiden en Zandvoort, heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 1], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna twee jaren (al dan niet met tussenpozen en samen met een ander) schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne en daarnaast heeft hij deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had op georganiseerde wijze in die verdovende middelen te handelen. Verdachte heeft binnen deze organisatie een zeer actieve rol gespeeld.

Verdachte heeft voorts een (handels)hoeveelheid van deze verdovende middelen in zijn bezit gehad. Dit zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in cocaïne en heroïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft door deze stoffen te verhandelen een actieve bijdrage geleverd aan het ontstaan en de instandhouding van deze soort overlast.

In de namens verdachte geschetste persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de straf die thans door de officier van justitie is gevorderd. De enkele omstandigheid dat verdachte hinder ondervindt van het feit dat hij gezocht wordt door politie en justitie nadat hij op 5 november 2010 op de vlucht is geslagen, is hinder die verdachte over zichzelf heeft afgeroepen en waaraan hij bovendien op elk moment sinds die dag zelf een eind heeft kunnen maken door zich te melden bij de politie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven horloge van het merk Cartier, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bij verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, te weten 8.690 euro en 1.270 Marokkaanse dirhams, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, aangezien bij klaagschrift reeds is beslist dat voormelde geldbedragen toebehoren aan een ander dan verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 en 11a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren;

verklaart deze feiten strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- een Cartier horloge;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

  • -

    een geldbedrag, te weten 8.690 euro;

  • -

    een geldbedrag, te weten 1.270 Marokkaanse dirhams.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. M.M. Kruithof, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2013.

Mr. Kruithof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal verdachte 1. [verdachten] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 3A, p. 1265 t/m 1304E).

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2010 (dossiermap 3A, p. 1348-1349).

4 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 10 november 2010 (dossiermap 3A, p. 1365).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2010 (dossiermap 7, proces-verbaal nr. 2010025270, inbeslagnamecode A8.11) en het proces-verbaal verdachte [verdachten] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 3A, p. 1300-1302).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2009 (dossiermap 13, p. 11-12).

7 Het proces-verbaal verdachte [verdachten] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 3A, p. 1300-1302).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2010 (dossiermap 7, proces-verbaal nr. 2010025270, inbeslagnamecode A8.10) en het proces-verbaal verdachte [verdachten] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 3A, p. 1299-1300).

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2009 (dossiermap 13, p. 11-12).

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2010 (dossiermap 7, proces-verbaal nr. 2010025270, inbeslagnamecode A8.8) en het proces-verbaal verdachte [verdachten] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 3A, p. 1298-1299).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2009 (dossiermap 13, p. 23).

12 Het proces-verbaal van analyse deallijnen[verdachten], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] d.d. 20 januari 2011 (dossiermap 3A, p. 1403-1420); proces-verbaal stemherkenning d.d. 6 januari 2011 (dossiermap 1, p. 130-135).

13 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 3] d.d 8 december 2010 (dossiermap 4, p. 206-209).

14 Het proces-verbaal van analyse deallijnen A. El Hasnaoui, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] d.d. 20 januari 2011 (dossiermap 3A, p. 1403-1420).

15 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 3] d.d 8 december 2010 (dossiermap 4, p. 206-209).

16 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 5] d.d. 11 december 2010 (dossiermap 4, p. 236-242).

17 Het proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 23 november 2010 (dossiermap 4, p. 65-74).

18 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 2] d.d. 9 december 2010 (dossiermap 4, p. 220-225).

19 Het proces-verbaal verdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 2, p. 341R-midden) en het proces-verbaal analyse deallijnen[verdachten], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] d.d. 5 januari 2011 (dossiermap 3A, p. 1404-midden, 1414 tot en met 1416).

20 De tapgesprekgegevens taplijn TA-8853 (dossiermap 5, p. 11, gesprek 165, p. 19, gesprek 584, p. 21, gesprek 706, p. 34, gesprek 1034, p. 39, gesprek 1178, p. 51, gesprek 1626, p. 63, gesprek 1874, p. 73, gesprek 1938, p. 68, gesprek 1943, p. 71, gesprek 1953, p. 83, gesprek 2049).

21 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 3] d.d. 8 december 2010 (dossiermap 4, p. 207-onder en 208-boven/midden).

22 De tapgesprekken taplijn TA-4700 gespreknummers 1427 en 1429 (dossiermap 3A, p. 1293-1294).

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2010 (dossiermap 3, p. 992).

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2010 (dossier 3, p. 986-boven/midden).

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2010 (dossiermap 3, p. 993), het proces-verbaal verdovende middelen (dossiermap 3, p. 995 en 996), het proces-verbaal testen verdovende middelen cocaïne (dossiermap 3, p. 997-998), het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 januari 2011 (dossiermap 3, p. 1061C-onder en 1061E-boven) en het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 december 2010 (dossiermap 3, p. 1004-boven).

26 Het proces-verbaal verdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 maart 2010 (dossiermap 2, p. 341R-midden) en het proces-verbaal analyse deallijnen [verdachten], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] d.d. 5 januari 2011 (dossiermap 3A, p. 1404-midden, 1414 tot en met 1416).

27 Het proces-verbaal identificatie stem gebruiker 06-85284700 d.d. 20 januari 2011 (dossiermap 5), het proces-verbaal identificatie gebruiker getapte lijn TA-3178 d.d. 16 oktober 2010 (dossiermap 5), en de tapgesprekken taplijn TA-8853 (dossiermap 5).

28 Proces-verbaal bevindingen d.d. 20 januari 2011 (dossiermap 5, p. 1) en de tapgesprekgegevens taplijn TA-4700 (dossiermap 5, p. 1 -25), proces-verbaal bevindingen d.d. 16 oktober 2010 (dossiermap 5) en de tapgesprekgegevens taplijn TA-3178 (dossiermap 5, p. 1-21).

29 De tapgesprekgegevens taplijn TA-8853 (dossiermap 5, p. 7, gesprek 146, p. 10-11, gesprek 159, p. 11, gesprek 163, p. 12, gesprek 266, p. 16-17, gesprek 484, p. 18, gesprek 579, p. 26, gesprek 841, p. 27, gesprek 848-855-856 en p. 95, gesprek 2185).

30 De tapgesprek gegevens taplijn TA-8853 (dossiermap 5, p. 11, gesprek 165, p. 19, gesprek 584, p. 21, gesprek 706, p. 34, gesprek 1034, p. 39, gesprek 1178, p. 51/52, gesprek 1626, p. 63, gesprek 1874, p. 67, gesprek 1938, p. 68, gesprek 1943, p. 71, gesprek 1953, p. 83, gesprek 2049).

31 Het proces-verbaal van verhoor van [afnemer 3] d.d. 8 december 2010 (dossiermap 4, p. 207 en 208).

32 De tapgesprekgegevens taplijn TA-8853 (dossiermap 5, p. 97-98, gesprek 2206) en de tapgesprekgegevens taplijn TA-4700 (dossiermap 3A, p. 1295-1295, gesprek 1462).