Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:5679

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_2176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus. Omgevingsvergunning voor het plaatsen van zes lichtmasten met een hoogte van circa 15 meter rondom een voetbalveld. Op grond van het bestemmingsplan zijn lichtmasten met een hoogte tot 10 meter toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede “indien dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond” in artikel 13, vijfde lid, onder 5.1 van de planvoorschriften een toepassingsvoorwaarde vormt voor de bevoegdheid van verweerder om vrijstelling te verlenen als bedoeld in diezelfde bepaling. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat aan die toepassingsvoorwaarde is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarin niet is geslaagd. De omstandigheid dat het noodzakelijk is het voetbalveld ook ’s avonds te kunnen gebruiken voor trainingen vanwege het groeiende ledenaantal van derde-partij zegt immers nog niets over het antwoord op de vraag of lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter nodig zijn om het veld voor voetbaltrainingen te kunnen gebruiken.

Gelet op hetgeen verweerder zelf ter zitting heeft aangegeven met betrekking tot de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende lichtsterkteberekening kan de rechtbank daarnaast niet goed beoordelen of ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen normen inzake lichthinder. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de lichtdeskundigen van beide partijen ter zitting hebben verklaard dat het inregelen in de praktijk van lichtmasten na plaatsing moeilijk is en het gangbaar en praktisch is de uitgangspunten en gevolgen van het plaatsen van lichtmasten op voorhand zoveel en volledig mogelijk in theorie uit te werken. Op die manier kunnen de gevolgen die het plaatsen van lichtmasten in de praktijk teweegbrengt zo goed mogelijk worden benaderd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2176

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2013 in de zaak tussen

[naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], te [woonplaats], eisers (gemachtigde: mr. X. Visscher),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder (gemachtigde: T.H.M. Slats).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft verweerder aan de gemeente Heerhugowaard een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken verleend voor het plaatsen van zes lichtmasten op het C-veld op de locatie [adres].

Bij besluit van 19 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Van eisers zijn verschenen [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door hun gemachtigde en J.G. Smits. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door C.M. van der Meer en J.A. van Leeuwen. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H. Zoon.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend teneinde verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid te stellen gebreken in het bestreden besluit van 19 juli 2012 te herstellen of te laten herstellen.

Overwegingen

1.

Het project voorziet in het plaatsen van zes lichtmasten met een hoogte van circa 15 meter op het C-veld op de voornoemde locatie. Er worden vier lichtmasten ter hoogte van de hoeken van het veld geplaatst en twee lichtmasten ter hoogte van de middenlijn.

2.

Voor de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan bestemmingsplan “’t Kruis 1980” rust op het betreffende perceel de bestemming “Sportterrein”.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften is de op de kaart voor “sportterrein” aangewezen grond bestemd voor de actieve recreatie in verenigingsverband, recreatieve sportbeoefening en voor de wedstrijdsport en ten behoeve van de daarbij behorende parkeeraccommodatie.

Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder 2.5, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mag de grond slechts worden bebouwd met de voor “sportterrein” en de voor het beheer en onderhoud ter plaatse noodzakelijke bouwwerken, waartoe worden gerekend (…) verlichtingsinstallaties, een en ander met inachtneming van het volgende: andere bouwwerken mogen geen grotere hoogte hebben dan 3.50 meter, met uitzondering van verlichtingsinstallaties waarvoor een hoogte tot 10 meter is toegestaan.

Op grond van artikel 13, vijfde lid, onder 5.1, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, indien dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, om vrijstelling te verlenen: van het bepaalde in het tweede lid onder 2.5 voor de bouw van verlichtingsinstallaties tot een hoogte van maximaal 16 meter.

3.

De rechtbank stelt vast, naar tussen partijen ook niet in geschil is, dat het project in strijd is met het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder 2.5, van de planvoorschriften, nu de lichtmasten circa 15 meter hoog zijn. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 13, vijfde lid, onder 5.1, van de planvoorschriften, omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken voor het project verleend.

4.1

Eisers betogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat het project noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, onder 5.1, van de planvoorschriften. Volgens eisers heeft verweerder niet gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om af te wijken van de maximale bebouwingshoogte van het bestemmingsplan van 10 meter.

4.2

Verweerder betoogt in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een advies van de commissie voor bezwaarschriften van 4 juli 2012, dat de toename van de activiteiten op het sportcomplex noodzaken tot een intensiever gebruik van het C-veld, waar de lichtmasten zijn beoogd.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede “indien dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond” in artikel 13, vijfde lid, onder 5.1 van de planvoorschriften een toepassingsvoorwaarde vormt voor de bevoegdheid van verweerder om vrijstelling te verlenen als bedoeld in diezelfde bepaling. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat aan die toepassingsvoorwaarde is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daar met de onder 4.2 gegeven motivering niet in is geslaagd. De omstandigheid dat het noodzakelijk is het C-veld ook ’s avonds te kunnen gebruiken voor trainingen vanwege het groeiende ledenaantal van derde-partij zegt immers nog niets over het antwoord op de vraag of lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter nodig zijn om het veld voor voetbaltrainingen te kunnen gebruiken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

4.4

Eerst ter zitting heeft verweerder gesteld dat lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter noodzakelijk zijn, omdat lichtmasten met een hoogte van 10 meter niet volstaan voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Indien lichtmasten met een hoogte van 10 meter worden geplaatst zal het middengedeelte van het C-veld volgens verweerder namelijk onvoldoende worden verlicht. Om toch aan de lichtnormen van de KNVB te kunnen voldoen, zullen in dat geval – ter compensatie ‒ meer lichtmasten om het veld heen dienen te worden geplaatst. Gevolg daarvan is volgens verweerder dat de grenswaarden voor de lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor sportaccommodaties ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden als opgenomen in de “Algemene richtlijn betreffende lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) worden overschreden.

Verweerder heeft zijn ter zitting ingenomen standpunt niet aan de hand van stukken onderbouwd.

4.5

Eisers hebben aangegeven dat zij zich ter zitting niet volledig over de stelling van verweerder kunnen uitlaten en dat zij in de gelegenheid wensen te worden gesteld op de stelling van verweerder te reageren, indien en voor zover verweerder zijn stelling nader onderbouwt.

4.6

Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het onder 4.3 genoemde gebrek te herstellen. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld zijn onder 4.4 weergegeven stelling nader uit te werken en aan de hand van objectieve gegevens te onderbouwen. Verweerder zal aannemelijk dienen te maken dat lichtmasten met een hoogte van 15 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

5.1

Eisers betogen verder, onder verwijzing naar een rapportage van J.G. Smits van
27 november 2012, dat de uitkomsten van de lichtsterkteberekening van Asuro B.V. van
19 oktober 2011 die verweerder aan het primaire en bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd onjuist zijn, althans dat aan de uitkomsten daarvan kan worden getwijfeld.

5.2

Niet in geschil is dat de toegestane grenswaarden in de dag- en avondperiode op de gevels van de omliggende woningen op grond van de richtlijnen van de NSVV 10 lux (verlichtingssterkte) en 10.000 candela (lichtsterkte) bedragen.

5.3

De rechtbank stelt vast dat de lichtsterkteberekening is uitgevoerd op basis van de richtlijn van de NSVV en dat in die berekening is geconcludeerd dat de (ver)licht(ings)sterkte op de omliggende woningen, waaronder die van eisers, maximaal 4,1 lux en maximaal 9.044 candela bedraagt.

5.4

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2011 (LJN: BP6315), dat de vraag of een project voldoet aan de krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) te stellen normen dient te worden bezien in een procedure ingevolge de Wet milieubeheer. Thans kan daarom slechts aan de orde zijn de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen normen inzake lichthinder. Voor de vaststelling of sprake is van lichthinder in de zin van het Activiteitenbesluit kan blijkens de toelichting op het Activiteitenbesluit (Staatsblad 2007, 415, p. 180/181) de richtlijn van de NSVV als uitgangspunt worden gehanteerd (zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2010, LJN: BN3702).

5.5

Ter zitting heeft verweerder erkend dat in de lichtsterkteberekening de zogeheten algemene behoudfactor ten onrechte op 0,9 is gesteld in plaats van op 1,0. Daarnaast heeft verweerder verklaard dat omgevingsvergunning is verleend voor zes lichtmasten, met ieder één armatuur, voorzien van acht spots, maar dat het voornemen bestaat om enkele lichtmasten te voorzien van zes spots, omdat twijfel is ontstaan over de juistheid van de conclusies in de lichtsterkteberekening. Verder heeft verweerder erkend dat in de lichtsterkteberekening geen rekening is gehouden met cumulatie vanwege bestaande lichtbronnen (de bestaande lichtmasten van de overige voetbalvelden en die van de naastgelegen handbalvereniging). Ten slotte heeft verweerder verklaard dat hij overweegt conventionele verlichting toe te passen in plaats van LED-verlichting. In de lichtsterkteberekening is ervan uitgegaan dat LED-verlichting zou worden toegepast.

5.6

Gelet op hetgeen verweerder zelf ter zitting heeft aangegeven en onder 5.5 is weergegeven kan de rechtbank niet goed beoordelen of ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen normen inzake lichthinder. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de lichtdeskundigen van beide partijen ter zitting hebben verklaard dat het inregelen in de praktijk van lichtmasten na plaatsing moeilijk is en het gangbaar en praktisch is de uitgangspunten en gevolgen van het plaatsen van lichtmasten op voorhand zoveel en volledig mogelijk in theorie uit te werken. Op die manier kunnen de gevolgen die het plaatsen van lichtmasten in de praktijk teweegbrengt zo goed mogelijk worden benaderd.

Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en ook op dit punt in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

5.7

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de aan de lichtsterkteberekening klevende en door hemzelf bevestigde gebreken als weergegeven onder 5.5 te herstellen, indien en voor zover verweerder vasthoudt aan het toepassen van LED-verlichting en het project waarvoor omgevingsvergunning is verleend. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld een gewijzigde lichtsterkteberekening op te (laten) stellen, waar de gebreken als voornoemd zijn uitgefilterd. Uit de gewijzigde lichtsterkteberekening dient te blijken of met het project waarvoor omgevingsvergunning is verleend – in theorie – in de dag- en avondperiode op de gevels van de omliggende woningen onder de grenswaarden van 10 lux en 10.000 candela wordt gebleven.

6.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

de griffier is verhinderd deze uitspraak voorzitter

mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.