Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:5677

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-07-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_2166
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3771, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Registratie van een eendenkooi. Vervolg op de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 mei 2012 (LJN: BX5145).

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de eendenkooi op

1 april 1984 was geregistreerd.

Aangenomen moet voorts worden dat de eendenkooi ten tijde van het primaire besluit I aan de vereisten van artikel 14 van het Jachtbesluit voldeed.

De rechtbank is verder van oordeel dat registratie als bedoeld in artikel 56 van de Flora- en Faunawet (Ffw) niet is beperkt tot eendenkooien waarmee daadwerkelijk wordt gevangen.

Daarnaast is niet bestreden dat de eendenkooi vanaf 1 april 1984 steeds als zodanig onderhouden is geweest en tot op heden nog steeds als zodanig onderhouden wordt. De eendenkooi is uitsluitend vanwege een administratieve nalatigheid voor een periode van slechts drie maanden na 1 april 2009 niet geregistreerd geweest. Voor het oordeel dat onder die omstandigheden herregistratie met ingang van 1 april 2009 niet tot de mogelijkheden zou behoren, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de Ffw en onvoldoende aanknopingspunten te vinden in de wetsgeschiedenis.

Artikel 56, eerste lid, van de Ffw is dwingend geformuleerd. Dit betekent dat indien aan de voorwaarden als bedoeld in deze bepaling is voldaan, verweerder is gehouden over te gaan tot registratie van een eendenkooi indien een daartoe strekkend verzoek bij hem wordt ingediend. Zo ook in dit geval.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2166

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2013 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [naam 1] B.V., te [woonplaats 1], eiseres

(gemachtigde: F.P. de Rooy),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie), verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tielleman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de stichting[naam 2], te [woonplaats 2] (gemachtigde: mr. J. Veltman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2009 (het primaire besluit I) heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de eendenkooi gelegen aan de[adres] te [woonplaats 1], gemeente Zijpe, kadastraal bekend als [kadastraal nummer] (hierna: de eendenkooi), voor de periode van 1 april 2009 tot 1 april 2014 geregistreerd, met J.T.C. Zijp als kooiker.

Bij besluit van 29 januari 2010 (het primaire besluit II) heeft de minister de eendenkooi voor de periode van 28 januari 2009 (naar is komen vast te staan: 28 januari 2010) tot 1 april 2014 geregistreerd, met J.T.C. Zijp en H. Bessembinders als kooikers.

Bij besluit van 13 oktober 2010 (het primaire besluit III) heeft de minister de eendenkooi voor de periode van 13 oktober 2010 tot 1 april 2014 geregistreerd, met H. Bessembinders als kooiker.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder het besluit van 15 februari 2011 ingetrokken. Voorts heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit I mede opgevat als te zijn gericht tegen de primaire besluiten II en III. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres gericht tegen deze drie besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2012 heeft deze rechtbank in de zaak met het nummer AWB 11/830 het beroep van eiseres tegen het besluit van 15 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van eiseres tegen het besluit van 3 mei 2011 gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2011 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de primaire besluiten I, II en III niet-ontvankelijk is verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar gericht tegen deze besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 27 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en[naam 3], bijgestaan door[naam 5] en mr. M.R. Oranje. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en[naam 4].

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.

Het geschil gaat over de registratie van de eendenkooi. Eiseres, die een bloembollenkwekersbedrijf exploiteert, keert zich tegen deze registratie.

2.

De volgende regelgeving is in deze zaak van belang.

Op grond van artikel 50, eerste lid, onder d, van de Flora- en faunawet (Ffw) zijn tot jagen geoorloofde middelen: geregistreerde eendenkooien als bedoeld in artikel 56.

Op grond van artikel 56, eerste lid, van de Ffw worden eendenkooien die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels en die op 1 april 1984 waren geregistreerd, op verzoek van de eigenaar elke vijf jaar opnieuw geregistreerd.

Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Ffw geldt de in het eerste lid bedoelde registratie, waarvan een bewijs wordt verstrekt, voor vijf jaar, en wel van 1 april tot 1 april.

Op grond van artikel 57 van de Ffw worden bij de registratie tevens geregistreerd de naam en het adres van de houder of houders van een kooikersakte, die volgens opgave van de eigenaar als kooikers zullen optreden.

Op grond van artikel 14 van het Jachtbesluit voldoet een eendenkooi als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel d, van de Ffw, aan de volgende eisen:

  1. . er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 meter beschreven kan worden;

  2. . het water is ten minste 50 centimeter diep;

  3. . rondom het water ligt een rand van bos of struweel;

  4. . in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.

3.1

Eiseres betoogt allereerst dat de eendenkooi op 1 april 1984 niet was geregistreerd.

3.2

Verweerder betoogt, onder verwijzing naar een brief van de Minister van Landbouw en Visserij van 2 januari 1989 die is gericht aan alle eigenaren van eendenkooien en een daarbij behorende bijlage, dat de eendenkooi op 1 april 1984 was geregistreerd.

3.3

De rechtbank stelt vast dat in de brief van 2 januari 1989 onder meer het volgende staat vermeld: “Op 1 april 1984 stond de in bijlage omgeschreven U in eigendom toebehorende kooi in mijn administratie geregistreerd. Een afschrift van de betreffende gegevens gelieve U bijgaand aan te treffen.” In de bijlage genaamd “Registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid en artikel 39 van de Jachtwet” staat vermeld dat de eendenkooi die is gelegen in de gemeente Zijpe, [kadastraal nummer] voor de periode van 1 april 1984 tot 1 april 1989 is geregistreerd en dat daarvoor op 15 maart 1984 een registratiebewijs is afgegeven. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding de inhoud van de brief en de daarbij behorende bijlage voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook voldoende vast dat de eendenkooi op
1 april 1984 was geregistreerd.

3.4

Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

4.1

Verder voert eiseres aan dat de eendenkooi niet voldoet aan de (overige) vereisten als bedoeld in artikel 14 van het Jachtbesluit. Eiseres voert hiertoe aan dat derde-partij bij brief van 3 december 2009 ontheffing heeft aangevraagd voor een tijdelijk baggerdepot achter de eendenkooi. In de brief staat vermeld dat de reden voor de aanvraag van het baggeren van de kooplas het realiseren van de wettelijke diepte van de kooiplas is. Volgens eiseres is het, gelet op het korte tijdsbestek tussen het primaire besluit I en de brief, onaannemelijk dat de eendenkooi ten tijde van het primaire besluit I voorzien was van water van ten minste 50 centimeter diep, zoals artikel 14, aanhef en onder b, van het Jachtbesluit vereist.

Eiseres voert voorts aan dat uit een (concept)beheerplan 1995-2005 van de eendenkooi (hierna: het beheerplan) blijkt dat het water van de eendenkooi niet ten minste 50 centimeter diep is.

Daarnaast betoogt eiseres dat in het primaire besluit I niet is gemotiveerd dat de eendenkooi aan de vereisten uit het Jachtbesluit voldoet.

4.2

Verweerder betoogt dat hij zijn oordeel dat de eendenkooi aan de vereisten van artikel 14 van het Jachtbesluit voldoet heeft gebaseerd op de informatie die derde-partij bij het indienen van de aanvraag om registratie heeft verstrekt. Verweerder is niet gebleken dat de verstrekte informatie onjuist is. De omstandigheid dat derde-partij op 3 december 2009 een baggerdepot heeft aangevraagd, betekent volgens verweerder niet dat de eendenkooi ten tijde van het primaire besluit I niet de vereiste diepte had.

4.3

Derde-partij heeft bij brief van 22 november 2012 gesteld dat het noodzakelijk is om zo nu en dan baggerwerkzaamheden te verrichten om de kooiplas op de wettelijk vereiste minimale diepte te houden. Met het oog hierop is volgens derde-partij de ontheffing voor een tijdelijk baggerdepot aangevraagd. Eiseres heeft volgens derde-partij ten onrechte uit de brief van 3 december 2009 geconcludeerd dat ten tijde van de aanvraag niet werd voldaan aan de wettelijk vereiste minimale diepte.

4.4

De rechtbank stelt vast dat derde-partij op 4 mei 2009 een aanvraag heeft ingediend voor (her)registratie van de eendenkooi. Op het aanvraagformulier heeft derde-partij de vragen die verband houden met de vereisten van artikel 14 van het Jachtbesluit, waaronder de vraag “Bedraagt de waterdiepte overal tenminste 50 cm?”, bevestigend beantwoord. Derde-partij heeft voorts verklaard alle gegevens op het aanvraagformulier naar waarheid te hebben verstrekt.

De rechtbank stelt vast dat derde-partij bij brief van 3 december 2009 bij de gemeente Zijpe een ontheffing heeft aangevraagd voor een tijdelijk baggerdepot achter de eendenkooi. In de brief staat onder meer het volgende vermeld: “De reden voor de aanvraag is het baggeren van de kooiplas om de wettelijke diepte van de kooiplas te realiseren”.

Daarnaast staat vast dat in het beheerplan onder meer het volgende is vermeld: “In ’88 is de plas uitgebaggerd en kreeg zijn oorspronkelijke grootte terug. De plas heeft een diepte van 1 á 1,5 m. In het midden, waar de kraan niet bij kon komen, is de plas 40 cm diep.”

4.5

De rechtbank overweegt dat uit artikel 56, eerste lid, van de Ffw volgt dat (her)registratie van een eendenkooi op verzoek van de eigenaar van een eendenkooi plaatsvindt. Verweerder mag daarom de (her)registratie van een eendenkooi op een daartoe bij hem ingediende aanvraag baseren.

Nu derde-partij de vragen die verband houden met het voldoen aan de vereisten van artikel 14 van het Jachtbesluit, waaronder de vraag inzake de waterdiepte, bevestigend heeft beantwoord, mocht verweerder in beginsel van de juistheid daarvan uitgaan en hoefde hij bij het (her)registreren van de eendenkooi niet zelf te onderzoeken of de aanvraag aan alle voorwaarden voldeed.

4.6

De enkele omstandigheid dat uit het door eiseres eerst in beroep overgelegde beheerplan blijkt dat (een deel van) het water van de eendenkooi in 1988 niet diep genoeg was, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het water van de eendenkooi in 2009 niet aan de vereiste diepte voldeed. De rechtbank neemt hierbij het navolgende in aanmerking.

Hoewel in de brief van 3 december 2009 letterlijk staat vermeld dat de baggerwerkzaamheden nodig zijn om de wettelijke diepte van het water te realiseren en daarmee de indruk is gewekt dat op dat moment niet aan de vereiste waterdiepte werd voldaan, acht de rechtbank het aannemelijk(er) dat de ontheffing van het tijdelijke baggerdepot is aangevraagd om het water op diepte te houden, zoals derde-partij heeft gesteld. De rechtbank acht in dit verband van belang dat derde-partij ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij het water van de eendenkooi tussen 1988 en 2009 periodiek heeft gebaggerd om de diepte ervan op het vereiste peil te houden en dat vermoedelijk pas in 2012, toen op grote schaal is gebaggerd, van de in 2009 aangevraagde ontheffing gebruik is gemaakt. Eiseres heeft het door derde-partij gestelde niet weersproken. De rechtbank acht voorts van betekenis dat ter zitting is komen vast te staan dat in de eendenkooi een open wateroppervlakte aanwezig is van 7.000 vierkante meter. Met het overleggen van het beheerplan heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat, afgezet tegen de stelling van derde-partij dat sinds 1988 blijvend onderhoud is verricht, minder dan 200 vierkante meter van de 7.000 in 2009 de vereiste diepte had. Uit het beheerplan blijkt immers niet hoeveel vierkante meter van het water in 1988 niet de vereiste diepte had, maar slechts dat het midden van het water toen onvoldoende diep was. Daarom kan aan het beheerplan niet de betekenis worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.

Aangenomen moet gelet op het voorgaande dan ook worden dat de eendenkooi ten tijde van het primaire besluit I aan de vereisten van artikel 14 van het Jachtbesluit voldeed.

De omstandigheid dat verweerder er in het bij het primaire besluit I behorende “Bewijs van registratie” uitsluitend melding van heeft gemaakt dat de eendenkooi aan de vereisten van artikel 56 van de Ffw – en daarmee aan die van artikel 14 van het Jachtbesluit – voldeed, zonder dit nader toe te lichten, brengt ten slotte, anders dan eiseres heeft betoogd, niet met zich dat dit besluit reeds daarom moet worden geacht ondeugdelijk te zijn gemotiveerd.

4.7

Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Voorts voert eiseres aan dat de eendenkooi niet wordt gebruikt als jachtmiddel, maar dat deze slechts een educatieve en natuurbeschermende functie heeft. De registratie in het kader van de Ffw is er volgens eiseres echter juist voor bedoeld de rust ten behoeve van de kooiker die een eendenkooi daadwerkelijk als jachtmiddel gebruikt te waarborgen. De onderhavige registratie wordt dan ook gebruikt ter verwezenlijking van een ander doel en is daarmee onvoldoende gemotiveerd.

5.2

Verweerder betoogt dat voor het recht op registratie niet van belang is of met de eendenkooi daadwerkelijk wordt gevangen. Het is volgens verweerder voldoende dat de eendenkooi is ingericht voor de vangst van eenden en op elk moment voor die vangst kan worden gebezigd.

5.3

De rechtbank is met verweerder en anders dan eiseres van oordeel dat registratie als bedoeld in artikel 56 van de Ffw niet is beperkt tot eendenkooien waarmee daadwerkelijk wordt gevangen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In de Memorie van Toelichting (MvT; Kamerstukken II, 1974/1975, 13 188, nrs. 1-3, p. 14) behorende bij de wijziging van de Jachtwet, de voorganger van de Ffw, staat onder meer: “De voorgestelde wijziging strekt ertoe de mogelijkheid van registratie (…) te beperken tot de als vangmiddel in de zin der wet gebezigde kooien.” In de Memorie van Antwoord bij de Jachtwet (Kamerstukken II, 1975/1976, 13 188, nrs. 6-7, p. 16) staat onder meer: “De ondergetekenden stellen zich (…) niet langer op het in de memorie van toelichting ingenomen standpunt, dat de registratie zich dient te beperken tot kooien, door middel waarvan daadwerkelijk wordt gevangen. Zij stellen namelijk voor de registratie uit te breiden tot die kooien, die als vangmiddel kunnen worden gebezigd, dat wil zeggen tot die kooien, die volledig ingericht zijn voor de vangst van eenden en op elk moment voor die vangst kunnen worden gebezigd.”

In de Mvt behorende bij de Ffw (Kamerstukken II, 1992/1993, 23 147, nr. 3, p. 45.) staat onder meer: “De voorwaarden waaronder een eendenkooi wordt geregistreerd, komen overeen met de in de (…) Jachtwet neergelegde bepalingen.”

Aangenomen moet dan ook worden dat ook onder de Ffw een eendenkooi waarmee niet daadwerkelijk wordt gevangen niet van registratie is uitgesloten en dat ook onder de Ffw geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van het gebruik van de eendenkooi.

Nu niet in geschil is dat de eendenkooi volledig is ingericht voor de vangst van eenden en op elk moment voor die vangst kan worden gebezigd, kan niet worden gezegd dat de beslissing tot registratie op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.

Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of het met de onderhavige eendenkooi vangen, ringen en vervolgens weer vrijlaten van eenden met het oog op onderzoek als jagen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Ffw kan worden beschouwd, zoals derde-partij heeft gesteld.

5.4

Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

6.1

Daarnaast stelt eiseres dat een eendenkooi die na 1 april 1984 niet steeds iedere vijf jaar geregistreerd is geweest niet alsnog kan worden ge(her)registreerd. Een aanvraag tot herregistratie dient volgens eiseres, zo volgt uit de onder 3.2 genoemde brief van
2 januari 1989, voor 1 april te worden ingediend. Registratie kan niet met terugwerkende kracht plaatsvinden. In de onderhavige situatie is de aanvraag voor herregistratie vanaf 1 april 2009 pas op 4 mei 2009 ingediend en daarmee te laat. Ook het primaire besluit I is daardoor te laat genomen.

6.2

Verweerder betoogt dat een eendenkooi die op 1 april 1984 was geregistreerd en nadien enige tijd niet geregistreerd is geweest opnieuw kan worden geregistreerd. De onderhavige registratie is verleend voor de periode van 1 april 2009 tot 1 april 2014, zoals artikel 56, tweede lid, van de Ffw vereist. Voor het standpunt van eiseres is volgens verweerder geen steun te vinden in het recht.

In het verweerschrift stelt verweerder dat in de brief van 2 januari 1989 is verwezen naar de Jachtwet. In de Ffw noch in de daarbij behorende toelichting staat vermeld dat een eendenkooi niet met terugwerkende kracht kan worden geregistreerd voor vijf jaar.

6.3

Niet in geschil is dat de eendenkooi tussen 1 april 2009 en 1 juli 2009 niet was geregistreerd.

6.4

Het ligt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 56, eerste lid, van de Ffw, voor de hand dat een verzoek tot registratie van een eendenkooi bij verweerder wordt ingediend vóór 1 april in het jaar waarin de vijfjaarlijkse registratieperiode ten einde loopt.

De rechtbank stelt tegelijkertijd echter vast dat in de Ffw niet is bepaald dat een eendenkooi alleen kan worden geregistreerd indien een verzoek tot registratie uiterlijk op 1 april van dat betreffende jaar bij verweerder is ingediend. De Ffw verbindt ook geen consequenties aan het na 1 april van dat jaar indienen van een verzoek tot registratie. Uit de brief van
2 januari 1989 kan, anders dan eiseres heeft betoogd, ook niet worden opgemaakt dat 1 april een datum met een fataal karakter is.

Artikel 56, eerste lid, van de Ffw strekt er naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de wetsgeschiedenis, toe te voorkomen dat eendenkooien die eenmaal geregistreerd zijn geweest geregistreerd blijven ook als deze niet meer voldoen aan de eisen van het Jachtbesluit. Artikel 56, eerste lid, van de Ffw waarborgt dat periodiek wordt bezien of een eenmaal geregistreerde eendenkooi nog aan de eisen van het Jachtbesluit voldoet. Voldoet een eenmaal geregistreerde eendenkooi niet meer aan die eisen, dan wordt de registratie geweigerd.

Niet bestreden is en ook uit het onder 4.6 overwogene volgt dat de eendenkooi vanaf
1 april 1984 steeds als zodanig onderhouden is geweest en tot op heden nog steeds als zodanig onderhouden wordt. De eendenkooi is uitsluitend vanwege een administratieve nalatigheid voor een periode van slechts drie maanden na 1 april 2009 niet geregistreerd geweest.

Voor het oordeel dat onder die omstandigheden herregistratie met ingang van 1 april 2009 niet tot de mogelijkheden zou behoren, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de Ffw en onvoldoende aanknopingspunten te vinden in de wetsgeschiedenis.

De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat de herregistratie van de eendenkooi bij het primaire besluit I per 1 april 2009 niet in overeenstemming is te achten met (het doel en de strekking van) de Ffw.

6.5

De rechtbank verwerpt ook deze beroepsgrond van eiseres.

7.1

Voorts betoogt eiseres dat de primaire besluiten II en III zijn afgegeven voor een onjuiste periode. Gelet op artikel 56, tweede lid, van de Ffw geldt een registratie namelijk voor een periode van 1 april tot 1 april.

7.2

Zoals de rechtbank reeds in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak van 31 mei 2012 heeft overwogen bestaat er geen grond voor het oordeel dat het primaire besluit I in zijn geheel is vervangen door de daarop volgende primaire besluiten II en III. Bij het primaire besluit I heeft verweerder de eendenkooi met ingang van 1 april 2009 geregistreerd. Dit besluit heeft – overeenkomstig het bepaalde in artikel 56, tweede lid, van de Ffw – een geldigheidsduur van vijf jaren, tot 1 april 2014. Ten gevolge van de primaire besluiten II en III is het primaire besluit I slechts ten dele gewijzigd, namelijk voor wat betreft de naam van de kooiker(s). Niet kan worden gezegd dat de eendenkooi ten gevolge van de primaire besluiten II en III is geregistreerd voor een andere periode dan van 1 april tot 1 april.

7.3

Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder bij het nemen van de primaire besluiten I, II en III in het geheel geen rekening heeft gehouden met haar belangen en die van andere agrariërs in de omgeving, zodat de besluiten ook op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd.

8.2

De rechtbank overweegt dat artikel 56, eerste lid, van de Ffw dwingend is geformuleerd. Dit betekent dat indien aan de voorwaarden als bedoeld in deze bepaling is voldaan, verweerder is gehouden over te gaan tot registratie van een eendenkooi indien een daartoe strekkend verzoek bij hem wordt ingediend. Zo ook in dit geval. Voor een afweging van de bij registratie betrokken belangen op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht laat de bepaling, anders dan eiseres heeft betoogd, geen ruimte.

8.3

Ook deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

9.1

Eiseres voert, onder verwijzing naar een brief van 28 mei 2010 van mr. [naam 8], lid van het managementteam directie Juridische Zaken, gericht aan de heer [naam 6] van [naam 7] B.V., aan dat zij ervan uit heeft mogen gaan en er ook van uit is gegaan dat de eendenkooi niet was geregistreerd.

Ter zitting heeft eiseres voorts betoogd dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat de eendenkooi na 1 april 2009 niet alsnog met ingang van 1 april 2009 zou worden ge(her)registreerd.

9.2

Verweerder betoogt dat eiseres aan de brief geen rechtens te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Daartoe voert verweerder ten eerste aan dat schending van het vertrouwensbeginsel niet met zich kan brengen dat een registratie die overeenkomstig de Ffw is verleend, contra legem komt te vervallen. Ten tweede is volgens verweerder geen mededeling gedaan aan eiseres maar aan [naam 7] B.V. Ten derde blijkt uit de ondertekening van de brief dat de betreffende ambtenaar niet bevoegd was de mededeling te doen. Daarnaast acht verweerder het niet aannemelijk dat eiseres door te handelen naar aanleiding van de mededeling in de brief in een nadeliger positie is komen te verkeren.

9.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2012 (LJN: BW3895) ‒ is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

9.4

De rechtbank is van oordeel dat het beroep dat eiseres op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan niet slaagt, reeds omdat jegens haar noch in de brief van 28 mei 2010 noch anderszins toezeggingen in vorenbedoelde zin zijn gedaan.

10.

Voor zover eiseres betwist dat (sinds 1 april 1977) sprake is van een oud zakelijk recht van afpaling, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover in haar uitspraak van 31 mei 2012, onder 8, heeft overwogen. Eiseres heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen.

11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. P.H. Lauryssen en mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.