Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:5635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-03-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_3945
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte van de arbeidskorting. Immateriële schadevergoeding en integrale proceskostenvergoeding

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2289
V-N 2014/5.20 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht, team belastingen, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 12/3945

Uitspraakdatum: 12 maart 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] , wonende te[Z], eiser,

gemachtigde: mr. M. Vaas

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Alkmaar, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 25 februari 2011 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.854.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juli 2012 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank op 16 augustus 2012, beroep ingesteld.

1.4.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen L.J. Keijser en P. Brouwer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en is in het onderhavige jaar ouder dan 65. In 2009 heeft hij een negatief resultaat uit onderneming behaald van € 3.752 en belastbaar loon van [X] Holding BV genoten ten bedrage van € 16.989. De door [X] Holding BV met het loon verrekende arbeidskorting bedraagt € 928. Voorts heeft eiser in 2009 inkomsten uit vroegere arbeid en resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen genoten.

2.2.

Eiser heeft voor het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.854. Eiser heeft hiervoor gebruik gemaakt van het elektronische aangifteprogramma van de belastingdienst. Dit programma heeft de arbeidskorting berekend op € 928.

2.3.

Bij aanslagoplegging is door verweerder een arbeidskorting van € 469 in aanmerking genomen. Het totaal van de heffingskortingen is berekend op € 2.153.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is de hoogte van de arbeidskorting in geschil. Daarnaast heeft eiser verzocht om een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de bezwaarfase.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd.

4 Beoordeling van het geschil

Arbeidskorting

4.1.

Ingevolge artikel 8.2 van de Wet IB 2001 (tekst 2009, hierna: de Wet) is de standaardheffingskorting het gezamenlijk bedrag van – voor zover van belang – de algemene heffingskorting, de arbeidskorting (artikel 8:11 van de Wet), de doorwerkbonus en de ouderenkorting.

4.2.

Eiser is in het onderhavige jaar ouder dan 65 jaar en betaalt geen AOW premie. In de artikelen 8.3 tot en met 8.6 van de Wet zijn bepalingen opgenomen die zien op de toedeling van de standaardheffingskorting aan de inkomstenbelasting, de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten. Op de voet van deze bepalingen bestaat geen recht op de standaardheffingskorting (en derhalve de arbeidskorting) voor zover geen AOW premie wordt betaald. In de parlementaire geschiedenis is in dit verband onder meer opgemerkt:

“Het bedrag van de arbeidskorting zoals dat op grond van de wet wordt bepaald, bestaat, net als de andere heffingskortingen (uitgezonderd de ouderenkortingen), uit vier elementen: een deel voor elk van de premies AOW, Anw en AWBZ en een deel voor de belasting. Op elk element van de heffingskorting bestaat recht voor zover de daarbij behorende premie of belasting wordt geheven. Voor personen van 65 jaar en ouder betekent dit dat in het bedrag van de arbeidskorting niet dat deel is begrepen wat betrekking heeft op de premie AOW. Uitgaande van de in de memorie van toelichting opgenomen veronderstelling met betrekking tot de samenstelling van de eerste tariefschijf betekent dit dat de arbeidskorting voor personen van 65 jaar en ouder 15/32,9 ofwel ongeveer 45,6% bedraagt van de arbeidskorting voor personen jonger dan 65 jaar.”

(Kamerstukken II 1999/00, nr. 26 272, nr. 7, blz. 87)

4.3.

In artikel 8.11 van de Wet is bepaald dat de arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid. Ingevolge de laatste volzin van het tweede lid, bedraagt de arbeidskorting (voor zover hier van belang) ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) toegekende arbeidskorting, tot een maximum van € 2.274 (artikel 8.11, derde lid, onderdeel c, van de Wet). De berekeningswijze van de arbeidskorting ingevolge artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), komt overeen met die van artikel 8.11 van de Wet. In de parlementaire geschiedenis is over de verwijzing naar de Wet LB in artikel 8.11 van de Wet (destijds artikel 8.2.2) opgemerkt:

“In het voorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 is de arbeidskorting zodanig vorm gegeven dat deze pas van toepassing wordt vanaf een inkomensniveau van 50% van het wettelijk minimumloon. Als gevolg van de tijdvakbenadering in de loonbelasting zou dit tot gevolg kunnen hebben dat een in de sfeer van de loonbelasting toegekende arbeidskorting later in de inkomstenbelasting moet worden teruggenomen. Dit is onwenselijk, omdat daardoor het stimulerend effect van de arbeidskorting in feite weer tenietgaat. Om deze reden wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld dat de arbeidskorting ten minste wordt gesteld op de in de sfeer van de loonbelasting toegekende arbeidskorting, maar uiteraard niet hoger dan het maximumbedrag van de arbeidskorting.”

(Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 3-4)

En

In dit onderdeel wordt artikel 8.2.2 van het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting verder gestroomlijnd. Naast een aantal redactionele aanpassingen is een derde lid toegevoegd. In het derde lid wordt bepaald dat de arbeidskorting die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 is toegekend niet wordt teruggenomen indien blijkt dat op grond van artikel 8.2.2, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen of een geringer recht op arbeidskorting bestaat. Tevens is bepaald dat het totaal aan arbeidskorting in aanmerking te nemen bedrag nooit meer kan zijn dan één volledige arbeidskorting. (…).

Hiervoor is gekozen omdat anders het stimulerend effect van de arbeidskorting zou verminderen. Immers een instromer moet als gevolg van de jaarbenadering in de Wet inkomstenbelasting 2001 in het kalenderjaar waarin hij de arbeidsmarkt betreedt, meer dan 50% van het fiscale equivalent van het wettelijk minimumloon verdienen om recht te hebben op de arbeidskorting. Nu in de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt bepaald dat – binnen zekere marges – niet wordt teruggekomen op in de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, hoeft een instromer door de tijdvakbenadering in de loonbelasting slechts een tijdvakloon te verdienen dat hoger is dan 50% van het fiscale equivalent van het wettelijk minimumloon om in aanmerking te komen voor toepassing van de arbeidskorting. (…) Voorts is uit doelmatigheidsoverwegingen (minder aanslagen en correcties alsmede lagere administratieve lasten) voor deze systematiek gekozen.”

(Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 74; in vergelijkbare zin: Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 18, blz. 46-47)

4.4.

Niet in geschil is dat het gezamenlijk bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden, in het onderhavige geval € 13.237 bedraagt. De op basis van artikel 8.11 van de Wet berekende arbeidskorting (nog zonder rekening te houden met de laatste volzin van het tweede lid van artikel 8.11 van de Wet) bedraagt in het onderhavige geval:

8.11, tweede lid, onderdeel a: 1,738% x € 8.859 = € 154
8.11, tweede lid, onderdeel b en lid 3, onderdeel c: 19,442% x € 4.378 = € 851

€ 1.005

4.5.

De op basis van artikel 22a van de Wet LB berekende arbeidskorting bedraagt in het onderhavige geval, gelet op het van [X] Holding BV ontvangen loon van € 16.989:

22a, tweede lid, onderdeel a: 1,738% x € 8.859 = € 154
22a, tweede lid, onderdeel b en lid 3, onderdeel c: 19,442% x € 8.130 = € 851

€ 1.735

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat, gelijk partijen ook tot uitgangspunt hebben genomen, artikel 8.11, tweede lid, laatste volzin van de Wet een verwijzing behelst naar de ingevolge artikel 22a van de Wet LB toe te kennen arbeidskorting en dat hierbij derhalve niet van de feitelijk door de werkgever verrekende arbeidskorting dient te worden uitgegaan. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat bij de beoordeling van de vraag of de volgens artikel 22a van de Wet LB toegekende arbeidskorting een hoger bedrag beloopt dan die berekend volgens artikel 8.11 van de Wet, moet worden uitgegaan van een ingevolge artikel 22a van de Wet LB toegekende arbeidskorting waarop het “AOW deel” al is verminderd. Daaraan legt verweerder, naar hij ter zitting heeft toegelicht, ten grondslag dat bij de berekening volgens artikel 22a van de Wet LB waarnaar artikel 8.11 van de Wet verwijst, ook de bepalingen van artikel 27b van de Wet LB en de uitvoeringsregeling van de Wet LB in aanmerking moeten worden genomen. Die bepalingen brengen volgens verweerder mee dat geen arbeidskorting wordt toegekend voor zover dat ziet op het premiedeel van de AOW. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Noch artikel 8.11, tweede lid, van de Wet, noch artikel 22a van de Wet LB bevat een verwijzing naar de door verweerder genoemde bepalingen. Artikel 8.11 van de Wet verwijst enkel naar de volgens artikel 22a van de Wet LB toegekende arbeidskorting. Dit is gelet op het systeem van de wettelijke bepalingen ook logisch, nu die bepaling voor wat betreft de berekeningswijze overeenkomt met artikel 8.11 van de Wet. Pas nadat het totale bedrag van de arbeidskorting (en de standaardheffingskorting) is bepaald, wordt bepaald op welke heffingskorting recht bestaat ingevolge de artikelen 8.3 tot en met 8.6 van de Wet. Ook de parlementaire geschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat het gelijk in zoverre aan eiser is. De arbeidskorting dient dientengevolge als volgt te worden berekend. Het volgens artikel 22a van de Wet LB toegekende bedrag aan arbeidskorting bedraagt € 1.735. Dit is meer dan het ingevolge artikel 8.11 berekende bedrag als bedoeld onder 4.4 (€ 1.005), en minder dan het in artikel 8.11, tweede lid, laatste volzin, in verbinding met het derde lid, onderdeel c, van de Wet genoemde maximum van € 2.274. Aldus dient van een totale arbeidskorting van € 1.735 te worden uitgegaan. Aangezien eiser geen recht heeft op het deel van de arbeidskorting dat betrekking heeft op het premiedeel van de AOW, dient het bedrag van € 1.735 met dit deel te worden verminderd. Het deel van de arbeidskorting dat is toe te rekenen aan het premiedeel van de AOW is in dit geval € 927 ((17,9% / 33,5%) * € 1.735). De arbeidskorting toe te rekenen aan de belasting en premies als bedoeld in artikel 8.3, 8.5 en 8.6 van de Wet bedraagt derhalve € 808 (€ 1.735 - € 927). Als gevolg hiervan dient het totaal van de heffingskortingen berekend te worden op € 2.492 en dient de aanslag IB/PVV 2009 te worden vastgesteld op € 2.941.

4.8.

De stelling van eiser dat de arbeidskorting dient te worden vastgesteld op het bedrag van € 928 is gelet op het hiervoor overwogene onjuist. Hierbij merkt de rechtbank op dat de werkgever van eiser, gelet op het bedrag dat in aanmerking is genomen, kennelijk juist het “AOW-deel” van de arbeidskorting heeft verrekend in plaats van de arbeidskorting die is toe te rekenen aan de belasting en andere premies (€ 808). Voor zover eiser stelt recht te hebben op deze arbeidskorting, omdat vertrouwen kan worden ontleend aan het in het aangifteprogramma vermelde bedrag aan arbeidskorting van € 928, faalt die stelling. In het door eiser overgelegde afschrift uit het aangifteprogramma waarop de verschuldigde bedragen zijn berekend, is expliciet vermeld dat de berekeningen onder voorbehoud van goedkeuring van de aangifte door de inspecteur zijn. Reeds hierom kan eiser geen vertrouwen ontlenen aan deze berekening.

Immateriële schadevergoeding

4.9.

Eiser heeft verzocht om toekenning van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Aan dat verzoek legt hij ten grondslag dat een redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar door verweerder is overschreden.

4.10.

Bij de beoordeling van dit verzoek neemt de rechtbank de door de Hoge Raad gegeven regels in zijn arresten van 10 juni 2011 (o.a. HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, LJN: BO5080, BNB 2011/233) tot uitgangspunt. In deze arresten heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken aanspraak kan bestaan op een schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet, aldus de Hoge Raad, worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 22 april 2005 en 10 juni 2011 volgt voorts dat de redelijke termijn in zaken zoals deze in beginsel is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Dit betekent dat de te beoordelen termijn eindigt op de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, zijnde 12 maart 2013. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.11.

Op 28 januari 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2009. Omdat hierop door verweerder niet (meteen) is gereageerd heeft eiser op dezelfde gronden bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslag bij brief van 2 maart 2011. Verweerder heeft het bezwaarschrift van 28 januari 2011 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag. De rechtbank is, gelet op deze gang van zaken, met partijen van oordeel dat voor de aanvang van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag, derhalve van 28 januari 2011.

4.12.

Op 5 juli 2012 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar gedaan. De rechtbank beslist heden, 12 maart 2013, op het beroep tegen die uitspraak op bezwaar. Het totale tijdsverloop tussen de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank bedraagt dus twee jaar en ongeveer anderhalve maand. Aangezien er geen reden is enig tijdsverloop aan eiser toe te rekenen en er ook geen omstandigheden zijn die een verlenging van de redelijke termijn van twee jaar rechtvaardigen, is de redelijke termijn derhalve overschreden met ongeveer anderhalve maand. Aangezien verweerder niet binnen een half na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft eiser, gelet op de duur van de gehele procedure, recht op vergoeding van eenmaal € 500, te betalen door verweerder. In zoverre wordt het verzoek derhalve toegewezen. Het meer of ander gevorderde wordt afgewezen.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft verzocht om vergoeding van integrale proceskosten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser dit verzoek nader toegelicht en heeft hij gesteld dat sprake is van verregaand onzorgvuldig handelen in de bezwaarfase, omdat verweerder destijds niet wilde aannemen dat het aangifteprogramma de door eiser gestelde arbeidskorting berekent en het eiser ook niet werd toegestaan daartoe bewijs te leveren. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) kan grond zijn indien verweerder in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975, BNB 2011/103). Het door eiser gestelde handelen van verweerder in de bezwaarfase is naar het oordeel van de rechtbank niet dermate onzorgvuldig dat er grond is voor een integrale proceskostenvergoeding. Dat het eiser niet is toegestaan het door hem aangeboden bewijs te leveren is door verweerder gemotiveerd betwist en is derhalve niet komen vast te staan. Dat een beroepsprocedure voorkomen had kunnen worden indien eiser op de door hem gewenste wijze in de gelegenheid was gesteld bewijs te leveren, acht de rechtbank gelet op de standpunten van verweerder (die juridisch zijn en niet afhankelijk van het door eiser aangeboden bewijs) ook niet aannemelijk.

5.2.

De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.380 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor een hoorzitting (telefonisch) met een waarde per punt van € 218 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot € 2.941 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.380;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.