Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:5440

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_1492
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW-pensioen, kostganger, geen wederzijdse zorg.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

gevestigd te Amstelveen, verweerder,

(gemachtigde: G.J. Oudenes).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres per 20 juli 2012 een gehuwdenpensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (Aow) toegekend.

Bij besluit van 23 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. De heer [naam]is sinds circa 2001/2002 op het adres van eiseres woonachtig. Hij is bij eiseres blijven wonen nadat op 26 februari 2009 haar echtgenoot is overleden.

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres van 12 maart 2009 om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) heeft verweerder onderzoek verricht naar haar feitelijke woon- en leefsituatie. Daartoe heeft een huisbezoek plaatsgevonden en heeft eiseres het formulier ‘Onderzoek gezamenlijk huishouden’ ingevuld. Op dit formulier, gedateerd op 31 april 2009, staat vermeld dat zij een kostganger heeft, [naam], die een vergoeding van € 325,00 per maand betaalt. Ook is uit het onderzoek naar voren gekomen dat eiseres en [naam] één keer per week gezamenlijk boodschappen doen, eiseres voor hen beiden kookt en zij gezamenlijk eten. Zij maken beiden gebruik van de huiskamer. Eiseres doet de was voor [naam]. [naam] helpt eiseres met klusjes in en rond het huis. Op grond van het onderzoek heeft verweerder vastgesteld dat er sprake is van een commerciële relatie tussen eiseres en [naam]. Aan eiseres is vervolgens per 1 februari 2009 een Anw-uitkering toegekend.

1.4. Op 9 maart 2012 hebben twee medewerkers van verweerder in het kader van de

aanvraag van eiseres om een Aow-pensioen een bezoek afgelegd op haar woonadres. Tijdens het bezoek is eiseres gehoord ten behoeve van de beoordeling van de vraag of al dan niet een gezamenlijke huishouding met [naam] wordt gevoerd. In de handhavingrapportage van 12 maart 2012 staat hierover vermeld dat de situatie is doorgenomen aan de hand van het rapport uit 2009 en dat de verstrekte gegevens nagenoeg niet afwijken van die van 2009.

2.1. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres in elk geval vanaf 12 maart 2012 een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Anders dan in 2009 is eiseres gemachtigd geld op te nemen van de bankrekening van [naam] en is de opbrengst van de volkstuin van [naam] voor gezamenlijke consumptie. Vanaf maart 2012 wordt aan het huisvestings- en zorgcriterium voldaan zodat eiseres in aanmerking komst voor een Aow-pensioen naar de norm van een gehuwde.

2.2. Eiseres betwist dat sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat [naam] bij haar inwoont als kostganger. Verweerder is in het verleden uitgegaan van een commerciële relatie en haar relatie met [naam] is nooit gewijzigd. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom per 12 maart 2012 wel sprake is van een gezamenlijke huishouding

3.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Aow kent deze wet een bruto-ouderdomspensioen voor de gehuwde pensioengerechtigde.

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Aow wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Aow is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.1.

Niet in geschil is dat eiseres en [naam] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

4.2.

Vraag is vervolgens of er sprake is van wederzijdse zorg. Partijen betwisten de feitelijke situatie niet, wel kwalificeren zij deze verschillend.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de constateringen waarop verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd niet leiden tot de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Aow. Redengevend hiervoor acht de rechtbank het volgende.

4.4.

Naar aanleiding van het onderzoek van verweerder in maart 2009 is, op verzoek van verweerder, tussen eiseres en [naam] een contract opgesteld. Uit dit contract van 11 juli 2009 blijkt dat [naam] bij eiseres een kamer huurt voor € 325,00 per maand, hij gebruik maakt van de woonkamer, douche en toilet en dat de vergoeding voor de kost en inwoning voortaan per bank wordt betaald. In het kamerhuurcontract van 26 maart 2012 staat vermeld dat [naam] kostganger is en hij het medegebruik heeft van keuken, douche, toilet en de schuur. Voorts staat vermeld dat de bijkomende diensten en leveringen bestaan uit: kost, gas, water, elektra, gebruik van wasmachine en koelkast, vloerbedekking, gordijnen en meubels. Hiervoor betaalt [naam] maandelijks een bedrag van € 375,00. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het kamerhuurcontract dan ook de wederzijdse rechten en plichten geregeld. De rechtbank merkt hierop dat verweerder niet heeft betwist dat het overeengekomen bedrag als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor kost en inwoning.

4.5.

De niet in het contract geregelde zorgelementen zijn naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht dat deze als zorg als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Aow kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van de mogelijkheid voor eiseres om geld van de bankrekening van [naam] op te nemen, heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij niet over een bankpas van [naam] beschikt, zij zijn bankrekeningnummer ook niet kent en zij enkel als gevolmachtigde bij de bank staat geregistreerd voor een noodgeval. Die situatie heeft zich nog niet voorgedaan. Ten aanzien opbrengst van de volkstuin stelt de rechtbank vast dat deze niet nader is geconcretiseerd. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij. Ook de uitlating van eiseres dat zij en [naam] elkaar bij ziekte verzorgen acht de rechtbank van onvoldoende gewicht, temeer om dat er geen situatie van ziekte is en/of zich heeft voorgedaan. Deze uitlating ziet naar het oordeel van de rechtbank niet op zorg maar betreft een element van een normale intermenselijke relatie. Dit geldt ook ten aanzien van klusjes in huis die [naam] zou verrichten. Niet gebleken is dat dit verder gaat dan incidentele hulp zoals die ook door familie of vrienden wordt gedaan. Dat [naam] haar één keer per week met de auto naar de supermarkt brengt en helpt met boodschappen doen (tillen van de boodschappen), duidt evenmin op zorg als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Aow. Gelet op de leeftijd van eiseres valt ook die hulp in categorie gebruikelijke zorg in een intermenselijke relatie. Ten aanzien van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, zoals deze staan vermeld in de verklaring van eiseres van 9 mei 2009, is van belang dat niet blijkt dat deze verklaring op ambtseed of ambtsbelofte door een tot opsporing bevoegde sociaal rechercheur is opgesteld. Eiseres heeft ter zitting ook betwist dat zij en [naam] gezamenlijk een wasmachine en tv hebben gekocht. Alle duurzame gebruiksgoederen zijn door eiseres bekostigd.

6.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter finale afdoening van deze zaak zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen in die zin dat aan eiseres een Aow-pensioen dient te worden toegekend naar de voor de norm van een alleenstaande.

7.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944,00.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de Aow;

  • -

    herroept het primaire besluit van 2 april 2012;

  • -

    bepaalt dat aan eiseres met ingang van 20 juli 2012 een Aow-pensioen wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiseres het griffierecht van € 42,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

afschrift verzonden aan partijen op: