Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:5220

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_1419
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft verweerster de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) afgewezen omdat de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiser is toe te rekenen.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Wet schadefonds geweldsmisdrijven (uitbreiding van de categorieën van personen die recht hebben op een uitkering uit het fonds en verruiming van de gevallen waarin men aanspraak kan maken op een dergelijke uitkering, aanpassing aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en enkele andere aanpassingen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1419

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2013 in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R.J.A. Verhoeven),

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft verweerster de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R Kiwitt, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. H.K.M. Timmermans.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. Nadien is de uitspraaktermijn nogmaals verlengd.

Overwegingen

1.

Verweerster heeft bij brief van 2 juli 2012 stukken ingezonden aan de rechtbank en daarbij ten aanzien van informatie uit het strafdossier en verslagen van telefoongesprekken met de politie, met uitzondering van de stukken die reeds aan eiseres zijn verstrekt, met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht de rechtbank meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van die stukken. De rechtbank heeft bepaald dat de beperkte kennisname van de bedoelde gedingstukken uitsluitend is toegestaan aan de rechtbank. Omdat eiseres vervolgens toestemming heeft onthouden aan de rechtbank om deze stukken bij de beoordeling te betrekken, zijn deze aan verweerster teruggezonden.

De teruggezonden stukken behoren niet tot het dossier en zijn dus niet bij de uitspraak betrokken. Hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd over, onder meer, de doorbreking van de equality of arms, laat de rechtbank buiten bespreking.

2.

Op 24 augustus 2011heeft eiseres een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven aangevraagd in verband met een gewapende overval in haar woning op
2 november 2010.

3.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wsg afgewezen omdat de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiseres is toe te rekenen.

4.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wsg kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Op grond van artikel 5 van de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.

5.

De rechtbank stelt voorop dat uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg door de rechtbank terughoudend moet worden getoetst, aangezien een beslissing over een uitkering uit het schadefonds berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerster. Dit geldt tevens voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5 van de Wsg. In het onderhavige geval ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerster in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven heeft kunnen weigeren.

6.

Bij de beoordeling van aanvragen om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven geeft verweerster toepassing aan beleid dat is neergelegd in De Beleidsbundel (te vinden op https://schadefonds.nl/voor-instanties/informatie-materiaal). Dit beleid is bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en openheid te geven over de wijze waarop verweerster in het kader van toetsen van aanvragen de belangen afweegt.

Op grond van paragraaf 1.5 van De Beleidsbundel kan een uitkering achterwege blijven of op een lager bedrag worden vastgesteld, als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid, die aan het slachtoffer is toe te rekenen (artikel 5 van de Wet). Bij de bepaling of er sprake is van een eigen aandeel van het slachtoffer zal de vraag

beantwoord moeten worden of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten

voorkomen. Bekeken wordt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. In het geval dat het slachtoffer zich in het criminele circuit bevindt (drugshandel en wapenhandel) zal de aanvraag worden afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid niet kennelijk onredelijk.

7.

Eiseres betwist dat de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die haarzelf is toe te rekenen en stelt in dat verband dat de enkele omstandigheid dat zich in de woning een hennepkwekerij bevond en bij de overval alle hennepplanten zijn meegenomen, op zichzelf niet maakt dat voldoende aannemelijk is dat het geweldsmisdrijf met de handel in verdovende middelen verband houdt.

8.

De rechtbank overweegt allereerst dat namens eiseres ter zitting bij de rechtbank is beaamd, hetgeen ook volgt uit de verklaring die door haar partner tegenover de verbalisant en neergelegd in zijn proces-verbaal van aangifte van 3 november 2010 en het verslag van de hoorzitting in bezwaar, dat zich in de woning van eiseres een hennepkwekerij bevond en dat zij daarvan op de hoogte was.

De rechtbank overweegt verder dat verweerster, gelet op de omstandigheid dat zich in de woning van eiseres een hennepkwekerij van honderd planten bevond, bezien in samenhang met de inhoud van de processen-verbaal van aangifte van zowel eiseres als haar partner, waaruit volgt dat de overval onder bedreiging met vuurwapens en tasers heeft plaatsgevonden en de inhoud van het verslag van de hoorzitting, waaruit – door eiseres onweersproken – volgt dat de hennepplanten als buit zijn meegenomen en dat getuigen hebben gezien dat de daders meteen naar boven gingen en terug kwamen met vuilniszakken waar de hennep in zat, afdoende aannemelijk heeft kunnen achten dat het geweldsmisdrijf met de aanwezigheid van die hennepkwekerij en derhalve de handel in drugs verband hield. Daarbij heeft verweerster mogen betrekken dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij de productie en handel in verdovende middelen, waaronder softdrugs, regelmatig (grof) geweld wordt gebruikt. De stelling dat de overval geen verband hield met de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning maar mogelijk met eerdere aan haar partner geuite bedreigingen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Van enige onderbouwing van de stelling is geen sprake, terwijl uit het dossier volgt dat betrokkenheid van degene die de bedreigingen heeft geuit bij de overval door de politie niet kon worden vastgesteld.

9.

Gelet op het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk kunnen achten dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hemzelf is toe te rekenen. Verweerster heeft derhalve in redelijkheid kunnen besluiten eiser een uitkering uit het schadefonds op grond van artikel 5 van de Wsg te weigeren.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr.drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.