Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:4996

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
29-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_3114
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2014:1257, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkering bewijslast, redelijke schatting, boete passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1890
V-N 2013/50.2.1
FutD 2013-2160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/3114

Uitspraakdatum: 14 juni 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.G.L. Jaeger,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Holland Midden/kantoor Haarlem, verweerder.

12/3114

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft met dagtekening 23 juli 2011 aan eiseres voor het jaar 2008 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslagnummer [NUMMER]) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.200.000. Bij afzonderlijke beschikkingen zijn een verzuimboete van € 567 opgelegd en € 29.053 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juni 2012 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Namens eiseres is daar verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. Mense en mr. R.J. Spoorenberg. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het in zaak AWB 12/3113 door eiseres ingestelde beroep.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres heeft voor het jaar 2008 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend.

2.2.

Voor het jaar 2007 is door eiseres aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een negatief belastbaar bedrag van € 366.982. De garantievoorziening bedroeg volgens de bij de aangifte gevoegde balans op 31 december 2007 € 1.552.258.

2.3.

Met dagtekening 23 juli 2011 heeft verweerder voor het jaar 2008 een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 1.200.000.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de hoogte van het belastbaar bedrag.

3.2.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil.

3.3.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verklaart de rechtbank, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e van de AWR. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat het belastbaar bedrag te hoog is vastgesteld, maar zij heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet hierop heeft eiseres niet aan haar verzwaarde bewijslast voldaan om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.3.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat het door hem vastgestelde belastbare bedrag op een redelijke schatting berust.

4.4.

Verweerder heeft het belastbaar bedrag geschat op € 1.200.000. Met betrekking tot de redelijkheid van deze schatting heeft verweerder verklaard dat uit de gegevens van de loonbelasting en de omzetbelasting over 2007 en latere jaren blijkt dat de activiteiten van eiseres zeer beperkt zijn. Bij het opleggen van de ambtshalve aanslag is rekening gehouden met de (gedeeltelijke) vrijval van de garantievoorziening die in 2007 voor € 1.552.258 op de balans staat. Verweerder heeft gesteld dat deze voorziening (deels) dient vrij te vallen in 2008, nu niet aannemelijk is geworden dat in 2008 aan de voorwaarden wordt voldaan voor handhaving van deze voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een redelijke schatting gemaakt van het belastbaar bedrag in 2008. Het beroep voor zover betrekking hebbend op de aanslag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

4.5.

Eiseres heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de beschikking heffingsrente. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag geen doel treffen, dient het beroep ook in zoverre ongegrond te worden verklaard.

4.6.

Aan eiseres is met toepassing van artikel 67a (oud) van de AWR in verbinding met paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 een verzuimboete van € 567 opgelegd ter zake van een derde aangifteverzuim. Eiseres heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de verzuimboete. De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en mr. H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van drs. A.M. Jones, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.