Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:4869

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
C-14-106118 - HA ZA 08-865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nietige exploitatie-overeenkomsten. Vaststelling waardevergoeding als bedoeld in artikel 6:210 lid 2 BW voor prestatie, bestaande uit de toezegging van de gemeente om planologische medewerking te verlenen. Uitgangspunt is wat de gemeente destijds als vergoeding voor deze prestatie had mogen bedingen, en dus niet de inmiddels feitelijk gemaakte kosten. Begrenzing door de redelijkheid. De rechtbank komt daarmee terug van hetgeen zij hierover in een eerder tussenvonnis heeft beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

MAB/(JR)

zaaknummer / rolnummer: C/14/106118 / HA ZA 08-865

Vonnis van 29 mei 2013

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOLLANDS KROON als rechtsopvolger van de gemeente Anna Paulowna,

zetelend te Anna Paulowna,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. de Snoo te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ KRUISWIJK II B.V.,

gevestigd te Winkel, gemeente Niedorp,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W.J.M. Loomans te Hoorn.

Partijen zullen hierna de gemeente en Kruiswijk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2013;

  • -

    de akte aanvulling van eis en uiteenzetting prestaties en tegenprestaties met producties;

  • -

    de antwoordakte inzake waardering prestaties, tevens houdende precisering/vermeerdering eis in reconventie, met producties;

  • -

    de akte reactie op overgelegde producties en op de wijziging van eis in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

In het tussenvonnis van 3 oktober 2012 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank vastgesteld dat - ook - de vaststellingsovereenkomst van 30 juli 2008 tussen de gemeente en Kruiswijk nietig is wegens strijd met de Exploitatieverordening van de gemeente Anna Paulowna van 18 november 1970 (hierna: de Verordening). De rechtbank heeft overwogen dat een waardevergoeding zal moeten worden vastgesteld voor de prestatie die de gemeente voor Kruiswijk II heeft verricht en dat de gemeente in verband hiermee de gelegenheid krijgt haar eis aan te vullen. Over de vaststelling van de waardevergoeding heeft de rechtbank in 4.9. en 4.10. overwogen, voor zover hier van belang:

4.9. (…)

Naar aanleiding van de stelling van de gemeente dat haar prestatie heeft bestaan uit “het verlenen van planologische medewerking” overweegt de rechtbank allereerst dat bij de vaststelling van een waardevergoeding zal moeten worden uitgegaan van de concrete activiteiten die de gemeente in dat kader heeft toegezegd en verricht, zoals ook in de exploitatieovereenkomsten en de vaststellingsovereenkomst vastgelegd.

De waardering van de door de gemeente verrichte prestatie dient te geschieden op de grondslag van hetgeen voor de gemeente wel geoorloofd zou zijn geweest van de wederpartij als tegenprestatie daarvoor te bedingen. Met het oog op de waardering van de prestatie van de gemeente zal dus moeten worden onderzocht of de exploitatieverordening een grondslag inhoudt en zo ja in hoeverre, voor het bedingen door de gemeente van een tegenprestatie voor de door haar verrichte prestatie. Het is aan de gemeente aannemelijk te maken op welk bedrag zij aanspraak had kunnen maken, uitgaande van hetgeen de exploitatieverordening inhoudt, omtrent de aan haar te betalen vergoeding voor haar toezegging planologische medewerking aan het project Kruiswijk II te verlenen (…). Daarbij zal de gemeente inzichtelijk moeten maken voor welke concrete bedongen activiteiten of werkzaamheden de Verordening kostenverhaal mogelijk maakt en - vervolgens - welk te verhalen bedrag voor deze prestaties had kunnen worden vastgesteld.(…)”

4.10.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de waardevergoeding als bedoeld in artikel 6:210 BW uitsluitend betrekking kan hebben op die onderdelen van de bedongen prestatie die daadwerkelijk zijn verricht. (…) De rechtbank overweegt voorts dat in het geval een bedongen activiteit nog niet volledig is uitgevoerd, de kosten die zijn gemoeid met de (reeds verrichte) voorbereiding van die activiteit wel bij de ongedaanmakingsvergoeding kunnen worden betrokken, mits de Verordening voorziet in het verhalen van die voorbereidingskosten.

2.2.

De gemeente heeft in haar ‘akte aanvulling van eis en uiteenzetting prestaties en tegenprestaties’ (hierna: akte uiteenzetting) haar eis aangevuld en vermeerderd, in die zin dat thans subsidiair wordt gevorderd veroordeling van Kruiswijk tot betaling aan de gemeente van een bedrag van:

1) € 691.386,35, te weten de kosten waaromtrent de gemeente binnen de grenzen van de Verordening had mogen contracteren, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, althans;

2) € 503.199,87, te weten de daadwerkelijk door de gemeente gemaakte kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, althans;

3) € 326.650,54, te weten het bedrag dat op basis van de vaststellingsovereenkomst als waarde van de prestaties van de gemeente moet worden aangemerkt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 augustus 2008.

2.3.

Het bedrag onder 1) is gebaseerd op een door de gemeente gemaakte exploitatieopzet, waarin de volgende posten en bedragen zijn opgenomen:

  1. . voorbereiding en vaststelling bestemmingsplannen € 11.344,50

  2. . indexering € 16.622,66

  3. . herziening bestemmingsplannen € 14.180,00

  4. . indexering € 7.047,92

  5. . kosten gemeentelijk apparaat € 20.329,35

  6. . indexering € 25.560,64

  7. . bouw- en woonrijp maken, inclusief kosten aanleg brug tussen

exploitatiegebied en station € 266.486,53

h. indexering € 91.360,05

i. naar profijt toe te rekenen deel ontsluiting naar Grasweg € 158.823,08

-----------------------

€ 611.754,73

Bij dit bedrag heeft de gemeente opgeteld een bedrag van € 158.823,08, zodat zij uitkomt op € 770.577,81. In de antwoordakte van Kruiswijk wordt betoogd dat hier sprake is van een dubbeltelling; in de exploitatieopzet komt dit bedrag onder i. al voor. De gemeente heeft dit in haar akte van 23 januari 2013 niet betwist. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de gemeente onder 1) heeft bedoeld een bedrag te vorderen van € 532.563,27 (€ 611.754,73 verminderd met een volgens de gemeente te verrekenen bedrag in verband met de vordering in reconventie van € 79.191,46).

2.4.

Het bedrag onder 2) is gebaseerd op een exploitatieopzet, waarin de hiervoor onder a. tot en met f. genoemde posten (totaalbedrag: € 95.085,07) ongewijzigd zijn opgenomen. Verder zijn bedragen opgenomen met betrekking tot:

bouw- en woonrijp maken, inclusief btw € 278.732,79

rente over kosten bouw- en woonrijp maken € 6.421,04

kosten brug € 54.398,47

rente over kosten brug inclusief btw € 214,03

kosten ontsluiting Grasweg, tot op heden, inclusief btw € 139.189,96

rente kosten ontsluiting Grasweg, tot op heden € 8.349,97

De gemeente heeft de bedragen voor bouw- en woonrijp maken, kosten brug en kosten ontsluiting Grasweg gebaseerd op de daadwerkelijk gefactureerde bedragen in verband hiermee. Op het totaalbedrag van € 582.391,33 is een volgens de gemeente te verrekenen bedrag van € 79.191,46 in mindering gebracht.

2.5.

Het bedrag onder 3) is gebaseerd op de openstaande bedragen volgens de vaststellingsovereenkomst, verminderd met een volgens de gemeente te verrekenen bedrag van € 79.191,46.

2.6.

Kruiswijk heeft in haar antwoordakte het standpunt ingenomen dat de waardevergoeding niet méér kan bedragen dan hetgeen zij op basis van de vaststellingsovereenkomst verschuldigd zou zijn geweest. Zij stelt voorts dat de waardevergoeding uitsluitend betrekking kan hebben op bedongen prestaties die ook daadwerkelijk zijn verricht en dat de gemeente moet aantonen welke bedragen zij daaraan daadwerkelijk heeft besteed. Ten aanzien van een aantal posten heeft zij gesteld dat de Verordening daarvoor geen grondslag biedt. De verweren zijn nader uitgewerkt; daarop zal de rechtbank terugkomen bij het bespreken van de diverse onderdelen van de vordering.

2.7.

De rechtbank overweegt allereerst dat haar oordeel in 4.9. en 4.10. van het tussenvonnis nuancering behoeft. De rechtbank heeft in 4.9. overwogen dat bij de vaststelling van een waardevergoeding zal moeten worden uitgegaan van de concrete activiteiten die de gemeente heeft toegezegd en verricht in het kader van haar toezegging planologische medewerking te verlenen, zoals ook in de exploitatieovereenkomsten en de vaststellingsovereenkomst vastgelegd. In 4.10 heeft zij daaraan toegevoegd dat alleen de daadwerkelijk verrichte activiteiten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is thans van oordeel dat zij daarmee geen juiste maatstaf heeft aangelegd. De prestatie die de gemeente onverschuldigd heeft verricht, is de toezegging planologische medewerking te verlenen. Deze prestatie, die de gemeente al in 1996 heeft verricht, vertegenwoordigt een waarde en dient te worden gewaardeerd op grondslag van hetgeen voor de gemeente wel geoorloofd zou zijn geweest van de wederpartij als tegenprestatie daarvoor te bedingen. De geleverde prestatie bestaat dus niet uit hetgeen de gemeente tot op heden feitelijk aan bedongen werkzaamheden heeft verricht in het kader van haar toezegging planologische medewerking te verlenen; de toezegging zelf is de geleverde prestatie.

2.8.

Dit laat onverlet dat, zoals ook in 4.9. van het tussenvonnis is overwogen, met het oog op de waardering van de prestatie van de gemeente zal moeten worden onderzocht of de exploitatieverordening een grondslag inhoudt en zo ja in hoeverre, voor het bedingen door de gemeente van een tegenprestatie voor de door haar verrichte prestatie. In dat kader dient de gemeente inzichtelijk te maken voor welke concrete activiteiten of werkzaamheden de Verordening kostenverhaal mogelijk maakt en welk te verhalen bedrag daarvoor had kunnen worden vastgesteld.

2.9.

Het criterium van de Hoge Raad dat “de waardering van de door de gemeente verrichte prestatie dient te geschieden op de grondslag van hetgeen voor de gemeente wel geoorloofd zou zijn geweest van de wederpartij als tegenprestatie daarvoor te bedingen” staat eraan in de weg dat de gemeente nu, bij het bepalen van een waardevergoeding voor de geleverde prestatie, achteraf de feitelijk gemaakte kosten van de op dit moment reeds verrichte werkzaamheden inzichtelijk zou moeten maken. Uit de gehanteerde terminologie “wat voor de gemeente geoorloofd zou zijn geweest als tegenprestatie te bedingen” blijkt immers dat bij de waardering een inschatting van de kosten ten tijde van het toezeggen van planologische medewerking tot uitgangspunt moet worden genomen. Ook de Verordening gaat daarvan uit. Zo is in artikel 9 van Verordening bepaald dat de exploitatie-opzet een zo nauwkeurig mogelijke raming van de kosten bevat, op basis waarvan het kostenverhaal plaatsvindt.

2.10.

De waardevergoeding wordt wel begrensd door de in artikel 6:210, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde redelijkheid. Die begrenzing kan er bijvoorbeeld toe nopen dat rekening wordt gehouden met gebleken omstandigheden ten tijde van het vaststellen van de waardevergoeding. De rechtbank denkt daarbij aan de omstandigheid dat vast staat dat een bepaalde werkzaamheid waarvoor op zich een vergoeding had kunnen worden vastgesteld, in het concrete geval niet is en evenmin zal worden verricht. Ook kan worden gedacht aan een geval waarin de daadwerkelijk gemaakte kosten in betekenisvolle mate afwijken van hetgeen ten tijde van het toezeggen van planologische medewerking kon worden begroot. Dat de in artikel 6:210, tweede lid, van het BW genoemde redelijkheid er zonder meer toe noopt dat de waardevergoeding blijft binnen hetgeen partijen oorspronkelijk hadden afgesproken, zoals Kruiswijk betoogt, onderschrijft de rechtbank niet. Door de nietigheid van de gesloten overeenkomsten is ook aan de verbintenissen van Kruiswijk de grondslag ontvallen. Dat Kruiswijk niettemin alsnog zou moeten profiteren van een destijds behaald onderhandelingsresultaat, valt niet zonder meer in te zien.

2.11.

Nu de rechtbank in dit vonnis op een wezenlijk onderdeel terugkomt van hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich daar bij akte over uit te laten. Het komt de rechtbank geraden voor Kruiswijk als eerste in de gelegenheid te stellen een akte te nemen, waarna de gemeente mag reageren. De rechtbank betrekt daarbij dat de gemeente bij het subsidiair onder 1) gevorderde is uitgegaan van de vergoeding die - in haar ogen - destijds bedongen had mogen worden en aldus de juiste maatstaf heeft aangelegd.

2.12.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen en iedere verdere beslissing aanhouden.

in reconventie

2.13.

Kruiswijk heeft haar eis in reconventie vermeerderd en vordert thans veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van de gemeente tot betaling van

a. € 14.157,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 13.613,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 6.806,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 16.762,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 12.705,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 9.075,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 12.252,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 1.191,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 5.672,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 1999 tot aan de dag van betaling;

€ 5.672,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 1999 tot aan de dag van betaling

€ 9.075,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2000 tot aan de dag van betaling;

€ 10.637,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 mei 1996 tot aan de dag van betaling;

€ 19.698,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 mei 1999 tot aan de dag van betaling

met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis.

2.14.

De vorderingen onder a. tot en met k. hebben betrekking op betaalde “tientjes”, waarbij steeds de transactiedatum is genomen als ingangsdatum voor de wettelijke rente. De vordering onder l. heeft betrekking op een door Kruiswijk op 7 mei 1996 betaald bedrag inzake bijdrage bestemmingsplan. Het bedrag onder m. is het bedrag dat Kruiswijk stelt daarnaast te hebben betaald in verband met bijdrage bestemmingsplan, toezicht en juridische kosten. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt volgens Kruiswijk dat zij op dat moment nog € 12.683,15 verschuldigd was van het oorspronkelijke totaalbedrag van € 43.018,36. Kruiswijk gaat er dan ook van uit dat zij een deel van de factuur van 25 januari 1999 van
f. 56.282,50 (€ 25.539,84) moet hebben betaald. Een betalingsbewijs heeft zij niet boven tafel kunnen krijgen.

2.15.

De gemeente heeft de hoofdsommen onder a. tot en met k. niet betwist, maar wel de ingangsdata van de wettelijke rente over deze bedragen; dit dienen volgens de gemeente de data te zijn waarop aan de gemeente is doorbetaald. De vordering onder l. is niet betwist. De gemeente betoogt dat Kruiswijk de betaling van het bedrag onder m. niet heeft aangetoond. Verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst volstaat niet, aldus de gemeente.

2.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat Kruiswijk recht heeft op restitutie van de door haar betaalde bedragen op grond van de nietige exploitatie-overeenkomsten en de nietige vaststellingsovereenkomst. De vordering van Kruiswijk zoals geformuleerd onder a. tot en met l. is toewijsbaar, met dien verstande dat wettelijke rente met betrekking tot onderdelen a. tot en met c. en e. tot en met k. toewijsbaar is met ingang van de door de gemeente gestelde betaaldata. De gemeente betoogt immers terecht dat in dit verband niet de transactiedatum, maar de datum van doorbetaling aan haar van belang is. Deze data liggen, behoudens met betrekking tot de vordering onder d, nà de door Kruiswijk gestelde transactiedata.

2.17.

De vordering onder m. is in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat wettelijke rente toewijsbaar is met ingang van 30 juli 2008; de datum van de vaststellingsovereenkomst. Aan de gemeente kan worden toegegeven dat het aan Kruiswijk is de betaling van dit bedrag te onderbouwen, maar de rechtbank acht haar daarin geslaagd door de verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst. Daaruit blijkt genoegzaam dat ten tijde van het sluiten ervan een totaalbedrag van € 30.335,21 door Kruiswijk was betaald in verband met bijdrage bestemmingsplan, toezicht en juridische kosten. Dat de vaststellingsovereenkomst nietig is, betekent niet dat aan de weergave in deze overeenkomst van de op dat moment tussen partijen openstaande bedragen geen enkele betekenis kan worden gehecht. De gemeente heeft niet toegelicht op welke grond de in de vaststellingsovereenkomst genoemde openstaande bedragen bij nader inzien niet juist zijn. Gelet daarop acht de rechtbank de enkele, niet gemotiveerde, betwisting van de betaling door Kruiswijk van de resterende € 19.698,03 onvoldoende. Voor een eerdere ingangsdatum voor de wettelijke rente dan 30 juli 2008 ziet de rechtbank geen grond, nu Kruiswijk niet heeft aangetoond op welk moment zij dit bedrag aan de gemeente heeft voldaan.

2.18.

In verband met het gedane beroep op verrekening zal de rechtbank de beslissing in reconventie aanhouden in afwachting van de afloop van de procedure in conventie.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 26 juni 2013 voor akte als bedoeld in 2.11. aan de zijde van Kruiswijk, waarna de gemeente op een termijn van vier weken een antwoordakte mag nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

3.3.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2013.