Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:4031

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_4717
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Verzoek om terugbetaling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/4717

Uitspraakdatum: 16 mei 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane [PLAATSNAAM], kantoor Rijnmond, verweerder.

12/4717

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft bij beschikking van 29 mei 2012 een verzoek van eiseres om terugbetaling van een bedrag van € 4.568,04 aan douanerechten afgewezen.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2012 het hiertegen door eiseres ingestelde bezwaar afgewezen.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] (toehoorder). Namens verweerder zijn verschenen mr. A.A. Kop en mr. U. Gursultur.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.1.

Op 26 januari 2012 heeft eiseres aangifte gedaan voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer (hierna: de aangifte ten invoer). Op de aangifte ten invoer zijn de goederen omschreven als nieuwe luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor personenauto’s en aangegeven onder de GN-code 4011 10 00. Als verkoper is vermeld [A BEDRIJF], China en als koper is vermeld [B BEDRIJF] LTD, Verenigd Koninkrijk (hierna: [B BEDRIJF]). Tevens is het factuurnummer 120118 vermeld. De aangifte ten invoer is wit geselecteerd en op 26 januari 2012 is de verificatie beëindigd.

2.1.2.

Tot de stukken van het geding behoort de packing list van 10 januari 2012. Op deze packing list is vermeld dat [A BEDRIJF] Limited 50 stuks autobanden, type [TYPE], heeft verkocht aan [B BEDRIJF]. Op deze packing list worden dezelfde containernummers vermeld als op de aangifte ten invoer.

2.1.3.

Tot de stukken van het geding behoort voorts de commercial invoice van 18 januari 2012, nummer 120118. Uit deze invoice volgt dat [B BEDRIJF] 50 stuks autobanden, maat 29.5R25, merk [MERK], heeft verkocht aan [C BEDRIJF] gevestigd te[PLAATSNAAM]. Op deze invoice worden dezelfde containernummers vermeld als op de aangifte ten invoer.

2.2.

Op 23 februari 2012 heeft [D BEDRIJF] B.V. aangifte gedaan voor de douaneregeling douane-entrepot. De goederen zijn op de aangifte omschreven als tyres en aangegeven onder de GN-code 9990 99 02. Als geadresseerde is vermeld [E BEDRIJF] B.V. [PLAATSNAAM]. Op de aangifte worden voorts dezelfde twee containernummers en hetzelfde voorafgaande document vermeld als op de aangifte ten invoer.

2.3.

Op 24 februari 2012 heeft [F BEDRIJF] B.V. twee aangiften T1 gedaan voor de douaneregeling douanevervoer. De goederen zijn op de aangiften omschreven als tyres. Als voorafgaande regeling is de onder 2.2 genoemde aangifte vermeld. Op de aangiften worden tevens dezelfde containernummers vermeld als op de aangifte ten invoer en de onder 2.2 genoemde aangifte. Als geadresseerde is vermeld [G BEDRIJF].

2.4.

Na het doen van de onder 2.3 genoemde aangiften T1 is op dezelfde dag, op 24 februari 2012, op verzoek van de aangever/vertegenwoordiger de onder 2.2 genoemde aangifte buitenwerking gesteld.

2.5.

Op 7 mei 2012 heeft [H BEDRIJF] B.V. twee aangiften T1 gedaan voor de douaneregeling douanevervoer. De goederen zijn op de aangiften omschreven als new earthmover tyres en aangegeven onder de GN-code 4011 92. Als afzender is vermeld [I BEDRIJF] BV [PLAATSNAAM] en als geadresseerde [J BEDRIJF] [PLAATSNAAM]. Als land van bestemming is vermeld Zuid-Afrika.

2.6.

Tot de stukken van het geding behoort een e-mail van [C] ([NAAM]@hotmail.com) aan [D]van 22 februari 2012. In deze mail is - voor zover van belang - vermeld:

“(…) We sold 2 x 40ft load of the 29.5R25 [MERK] to [B BEDRIJF] in the UK in turn sold to someone in de Netherlands. However the wrong type has been loaded. (…)”

2.7.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een e-mail van [E], werkzaam bij [A BEDRIJF] Limited, aan [F] en [G], werkzaam bij [K BEDRIJF], van 23 februari 2012. In deze mail is - voor zover van belang - vermeld:

“(…) Manage to negotiate to sell this container to another customer but we need to transfer the containers to their agent’s bonded warehouse. (…)”

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen.

3.2.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugbetaling van € 4.568,04 aan douanerechten.

3.3.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 237 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) wordt tot terugbetaling van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer overgegaan wanneer een douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt en de rechten zijn betaald.

4.2.1.

Op grond van artikel 251, eerste lid, van de Toepassingsverordening CDW (hierna: Tvo) kan in afwijking van artikel 66, tweede lid, van het CDW de douaneaangifte ongeldig worden gemaakt nadat vrijgave is verleend wanneer is vastgesteld dat de goederen, in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn gebracht, bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer inhoudt.

4.2.2.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat het doen van de aangifte ten invoer geen vergissing was. Nu vaststaat dat de goederen niet onder een andere douaneregeling gebracht hadden moeten worden, kan de aangifte ten invoer niet op grond van artikel 251, eerste lid, van de Tvo ongeldig worden gemaakt.

4.3.1.

Op grond van artikel 251, eerste lid bis, van de Tvo kan in afwijking van artikel 66, tweede lid, van het CDW de douaneaangifte ongeldig worden gemaakt nadat vrijgave is verleend wanneer is vastgesteld dat de goederen, in plaats van andere goederen, bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer inhoudt.

4.3.2.

Eiseres stelt dat de verkeerde goederen zijn aangegeven. Onder verwijzing naar de onder 2.6 en 2.7 genoemde e-mailberichten stelt eiseres dat [A BEDRIJF] Limited de verkeerde maat banden heeft geleverd. De koper, [B BEDRIJF], wilde hierdoor de banden niet meer afnemen en er moest een nieuwe koper voor de banden worden gezocht, aldus eiseres.

4.3.3.

Nog daargelaten of de verkoper de verkeerde maat banden heeft geleverd, wordt niet voldaan aan artikel 251, eerste lid bis, tweede gedachtestreepje, onder i, van de Tvo. Nu niet is gebleken dat op het moment van het doen van de aangifte ten invoer de goederen die volgens eiseres in werkelijkheid voor deze regeling hadden moeten worden aangegeven bij hetzelfde douanekantoor hadden kunnen worden aangeboden, kan de aangifte ten invoer niet op grond van artikel 251, eerste lid bis, van de Tvo ongeldig worden gemaakt.

4.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft eiseres geen recht op terugbetaling ex artikel 237 van het CDW.

4.5.1.

Op grond van artikel 238, eerste lid, van het CDW wordt tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer overgegaan indien wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten betrekking heeft op goederen die onder de desbetreffende douaneregeling zijn geplaatst en die door de importeur worden geweigerd omdat zij op het in artikel 67 bedoelde tijdstip gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij zijn ingevoerd.

4.5.2.

Op grond van artikel 238, tweede lid, van het CDW is terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer onder andere afhankelijk van de uitvoer van deze goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap. Op verzoek van de belanghebbende staan de douaneautoriteiten toe dat de uitvoer van de goederen wordt vervangen door de vernietiging ervan of door de plaatsing ervan, met het oog op wederuitvoer, onder de regeling extern douanevervoer of onder het stelsel van douane-entrepots, dan wel door opslag in een vrije zone of in een vrij entrepot.

4.6.1.

Eiseres stelt dat de goederen via de onder 2.5 genoemde aangiften T1 voor de regeling douanevervoer zijn uitgevoerd naar Zuid-Afrika. Eiseres stelt voorts dat verweerder heeft erkend dat de goederen zijn uitgevoerd.

4.6.2.

De rechtbank kan niet vaststellen of de goederen die via de aangifte ten invoer zijn aangegeven voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer, de Europese Unie hebben verlaten. De containers hebben van 26 januari 2012 tot 24 februari 2012 niet onder douanetoezicht gestaan. Door het enkele overleggen van de onder 2.5 genoemde aangiften T1 voor de douaneregeling douanevervoer heeft eiseres niet aangetoond dat de ingevoerde goederen daadwerkelijk zijn uitgevoerd naar Zuid-Afrika. Niet is komen vast te staan waar de goederen zich bevinden. Eiseres heeft geen aangifte ten uitvoer overgelegd. Van een verzoek van eiseres om de uitvoer van de goederen te vervangen door plaatsing van de goederen onder de regeling extern douanevervoer is niet gebleken. Aan de enkele stelling van eiseres dat verweerder zou hebben erkend dat de goederen zijn uitgevoerd gaat de rechtbank voorbij, nu daarvoor geen enkele aanwijzing in het dossier is gevonden en verweerder ter zitting de stelling tevens voldoende heeft weersproken.

4.6.3.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook indien de uitvoer van de goederen vast zou staan, niet aangetoond is dat de goederen niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij zijn ingevoerd. Eiseres heeft slechts de onder 2.6 en 2.7 genoemde e-mailberichten overgelegd. Niet is vast te stellen of deze

e-mailberichten betrekking hebben op de ingevoerde goederen; enig verband tussen de e-mailberichten en de goederen ontbreekt. Tevens heeft eiseres ter zitting erkend dat zij nooit de containers heeft opengemaakt. Nu de containers niet open zijn geweest, kan de inhoud van de containers niet worden vastgesteld. Bovendien hebben de containers van 26 januari 2012 tot 24 februari 2012 op de kade in de haven van [PLAATSNAAM] gestaan zonder dat er sprake was van douanetoezicht. Eiseres heeft voorts geen andere documenten overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de goederen niet in overeenstemming met het contract zijn geleverd.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene heeft eiseres geen recht op terugbetaling ex artikel 238 van het CDW.

4.8.1.

Op grond van artikel 239, eerste lid, van het CDW kan tot terugbetaling van de rechten bij invoer ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238
- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden.

4.8.2.

Niet is gebleken dat er sprake is van een van de omstandigheden als bedoeld in de artikelen 901 tot en met 903 van de Tvo. Op grond van artikel 905, eerste lid, van de Tvo kan terugbetaling of kwijtschelding worden verleend indien wordt voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden, namelijk het bestaan van een bijzondere situatie en de afwezigheid van frauduleuze handelingen of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is sprake van een bijzondere situatie indien de belanghebbende zich in een uitzonderlijke positie bevindt ten opzichte van de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (HvJ EU 25 februari 1999, zaak C-86/97, Trans-Ex-Import). Eiseres stelt dat de verkoper de verkeerde maat banden heeft geleverd. Wat ook zij van de juistheid van de stelling van eiseres, het leveren van de verkeerde goederen door een verkoper moet worden aangemerkt als een normaal bedrijfsrisico. Andere marktdeelnemers die dezelfde activiteiten als eiseres verrichten lopen ook het risico dat een verkoper niet de juiste goederen kan leveren. Er is derhalve geen sprake van een bijzondere situatie.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene heeft eiseres geen recht op terugbetaling ex artikel 239 van het CDW.

4.10.

Eiseres stelt dat zij nooit toestemming heeft gegeven om de aangifte ten invoer te vervangen door andere aangiften. Deze vervangingen had de douane overigens ook nooit mogen toestaan omdat elke zending een uniek nummer heeft en dat nummer niet op twee verschillende aangiften kan worden gebruikt. Verweerder voert aan dat de douane een signaal krijgt als een verzoek tot buitenwerkingstelling wordt ingediend. Er komen overzichten en lijsten uit Sagitta en volgens duurt het enige tijd voordat in het systeem wordt gekeken waarom het unieke nummer twee keer is gebruikt. Er is correct gehandeld door in het onderhavige geval contact op te nemen met [D BEDRIJF] B.V., degene die de onder 2.2 genoemde aangifte voor de douaneregeling douane-entrepot heeft gedaan, aldus verweerder.

4.11.

Na het afgeven van de onder 2.3 genoemde aangiften T1 op 24 februari 2012, is op dezelfde dag een verzoek ingediend voor het buitenwerking stellen van de onder 2.2 genoemde aangifte voor de douaneregeling douane-entrepot. Het feit dat de aangiften elkaar hebben gekruist en de mogelijke benadeling die eiseres daarvan heeft ondervonden, kan eiseres verweerder niet tegenwerpen. Niet is gebleken dat verweerder onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiseres zal deze kwestie moeten bespreken met de personen die de onder 2.2 en 2.3 bedoelde aangiften hebben gedaan, namelijk [D BEDRIJF] B.V. en [F BEDRIJF] B.V, dan wel met de opdrachtgever van deze personen. Deze stelling kan eiseres dus niet baten.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.