Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:2996

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
AWB-12_4502
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:3437, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/4502

Uitspraakdatum: 18 april 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: C. van Oosten,

en

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Roosendaal, verweerder.

12/4502

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) voor een bedrag van

€ 4.673,70 aan douanerechten en € 241.227,10 aan antidumpingrechten opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 augustus 2012 de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013.

Namens eiseres is gemachtigde verschenen, bijgestaan door [A] en [B]. Namens verweerder is verschenen drs. H.G. van Empel, bijgestaan door

C.L. Niekerk en M.A.A.G. van de Wassenberg.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres heeft voor haar opdrachtgever [A BEDRIJF] B.V. te [PLAATS 1] (hierna: [A BEDRIJF]) op eigen naam en voor eigen rekening op 18 mei, 11 juni en 15 augustus 2007 aangiften voor het brengen in het vrije verkeer, met respectievelijk de nummers [NUMMERS], gedaan van partijen okoumé multiplexhout uit China (hierna: de goederen) bestemd voor [B BEDRIJF] B.V. te [PLAATS 2].

2.2.

Verweerder heeft een controle na invoer (hierna: cni) op grond van artikel 78 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) ingesteld bij [B BEDRIJF] B.V. te [PLAATS 2] over de periode 1 september 2006 tot en met 31 december 2008. In het kader van deze cni heeft verweerder tevens onderzoek verricht bij [A BEDRIJF] en bij eiseres. In het naar aanleiding van de cni opgestelde controlerapport van 16 april 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

2. Administratieve organisatie en interne beheersmaatregelen

2.1.

Opzet/wijziging van de ao/ib

(…)

In een groot aantal gevallen wordt gebruik gemaakt van de diensten van het gelieerde bedrijf [A BEDRIJF] B.V. te [PLAATS 1], welke alle inkoopgelieerde activiteiten voor haar rekening neemt.

(…)

5 Controlebevindingen

5.1.

Derdenonderzoeken

In relatie tot deze CNI is, zoals in de controleopdracht al aangegeven, derdenonderzoek ingesteld bij aangever [C BEDRIJF] te [PLAATS 3], bij het gelieerde bedrijf [A BEDRIJF] te [PLAATS 1] alsmede bij enkele groothandels in bouwmaterialen.

Het onderzoek bij [C BEDRIJF] had in hoofdzaak ten doel het verzamelen van (aangifte-)gegevens, teneinde binnen de onderscheiden bedrijfsadministraties aansluiting met relevante documenten en vastleggingen tot stand te kunnen brengen.

Het onderzoek bij [A BEDRIJF] had in hoofdzaak ten doel het raadplegen van boeken en bescheiden welke bij [B BEDRIJF] niet voorhanden waren, dit omdat betreffende goederen ex warehouse [PLAATS 3] werden gekocht van [A BEDRIJF] (…).

(…)

5.3.2.

Toepassing Verordening (EG) 1942/2004

(…)

Uit onderzoek van de aan de relevante transacties ten grondslag liggende bescheiden (bij [A BEDRIJF]) is ten aanzien van drie (3) aangiften vastgesteld dat deze afkomstig zijn van een andere producent dan, bij het (laten) doen van de aangiften, is voorgesteld.

Uit het onderzoek moet de conclusie worden getrokken dat niet [D BEDRIJF] bij de relevante transacties als producent is betrokken, doch een andere producent.

Deze producent wordt als onderneming niet specifiek in de Verordening genoemd en wordt daardoor automatisch aangemerkt als “andere onderneming”, aanvullende Tariccode A999, tarief ADH 66,7%.

(…)”

2.3.

In de bijlage “motivering UTB [C BEDRIJF] B.V. [NUMMER 1] d.d. 19 mei 2010” bij de brief van 17 augustus 2010 (als ook in het concept-controlerapport dat ten name van [B BEDRIJF] B.V. is opgesteld) is de motivering van de utb als volgt omschreven:

“Bij controle van de aan de relevante transacties ten grondslag liggende bescheiden (bij

[A BEDRIJF]) is ten aanzien van drie (3) aangiften vastgesteld dat deze afkomstig zijn van een

andere producent dan, bij het (laten) doen van de aangiften, is voorgesteld.

Volgens de bij de aangiften overlegde facturen zou het betreffende Okumé plywood in China zijn gefabriceerd door [D BEDRIJF] Ltd. (hierna te noemen

“[D BEDRIJF]”).

Ten aanzien van [D BEDRIJF] is in de Verordening een percentage ADH vastgesteld van 6,5 %

van de CIF invoerprijs.

Bij de drie genoemde aangiften is door de aangever een factuur overlegd van [D BEDRIJF], door deze voorzien van de in artikel 1, lid 3 van de Verordening bedoelde verklaring.

Bij diepgaander onderzoek van de in de dossiers aanwezige documenten is vastgesteld dat de goederen zijn geproduceerd door de Chinese onderneming [E BEDRIJF]. Ltd. (hierna te noemen “[E BEDRIJF]”).

De transacties zijn als volgt te reconstrueren.

Het koopcontract is afgesloten tussen [A BEDRIJF] en [E BEDRIJF]. Dit betreft doorgaans een door beide partijen getekende “pro-forma factuur”.

Voor de kwaliteitscontrole en de logistieke support is de door [A BEDRIJF] op commissiebasis

betaalde agent [I BEDRIJF] verantwoordelijk.

[A BEDRIJF] krijgt een door beiden partijen ondertekende versie van de pro-forma factuur

vergezeld van een paklijst via de fax.

Voor de verscheping van de goederen worden deze betaald, dit via een door [A BEDRIJF] ter

zake geopend documentair accreditief.

Betrokken zijn [F BEDRIJF] B.V. te [PLAATSNAAM 1] en [G BEDRIJF], eveneens te [PLAATSNAAM 1]

gevestigd.

Beide partijen maken melding van [H BEDRIJF] Ltd. (hierna te

noemen “[H BEDRIJF]”) te [PLAATSNAAM 2] als begunstigde.

Dat [H BEDRIJF] in voorkomend geval de begunstigde is, is contractueel vastgelegd door

[A BEDRIJF] en [E BEDRIJF].

Als additionele conditie is hierin opgenomen: “third part documents acceptable” (documenten

van derden acceptabel).

Uit E-mailverkeer tussen [I BEDRIJF] en [A BEDRIJF] blijkt duidelijk dat laatstgenoemde uitdrukkelijk

instructies heeft gegeven m.b.t. de factuur van [D BEDRIJF] (gebruikt bij de inklaring van de

goederen) én de wijze waarop deze moet worden voorzien van de in artikel 1, lid 3, van de

Verordening bedoelde verklaring (aanvankelijk op een separate bijlage bij de factuur,

uiteindelijk, zoals in de Verordening voorgeschreven, op de factuur zelf).

Overigens is het wél zo dat [D BEDRIJF] wel partij is in het geheel, echter niet als producent.

[D BEDRIJF] stuurt facturen en paklijsten en staat ook als “shipper” op de BL’s.

Één en ander is ook zo voorzien in de tussen [E BEDRIJF] en [A BEDRIJF] afgesloten contracten, waarin

o.a. is opgenomen “shipper must be [D BEDRIJF]”.

In de financiële administratie van [A BEDRIJF] zijn de relevante transacties verantwoord in o.a. de

sub-administratie crediteuren rekeningnummer [NUMMER 2] (rekeningkaart crediteuren

rekeningnaam [D BEDRIJF]). Betreffende [D BEDRIJF] facturen zijn geboekt, betaling vond plaats aan [H BEDRIJF].

Desgevraagd verklaarde dhr. [C], directeur van [A BEDRIJF], ten aanzien van de

betreffende transacties begin 2007 gesprekken te hebben gevoerd met [D BEDRIJF].

Hij heeft hiertoe het bedrijf bezocht en de producten van [D BEDRIJF] bekeken.

De kwaliteit die door [D BEDRIJF] geleverd kon worden voldeed echter niet aan de “[A BEDRIJF]

standaard”.

Het zusterbedrijf van [D BEDRIJF], [E BEDRIJF]. Ltd, is eveneens bezocht, waarbij is

gebleken dat haar producten wel voldeden.

Vervolgens zijn (prijs) afspraken gemaakt volgens de standaard van [A BEDRIJF].

De geleverde producten zijn geproduceerd door [E BEDRIJF], echter prijsafspraken, het “regelwerk”

en de logistieke afhandeling is verzorgd door [D BEDRIJF].

[I BEDRIJF] heeft haar kwaliteitscontroles in het kader van de relevante transacties uitgevoerd bij

[E BEDRIJF].

Uit het vorenstaande moet de conclusie worden getrokken dat niet [D BEDRIJF] bij de relevante

transacties als producent is betrokken is, doch [E BEDRIJF].

[E BEDRIJF] wordt als onderneming niet specifiek in de Verordening genoemd en wordt daardoor

automatisch aangemerkt als “andere onderneming”, aanvullende Tariccode A999, tarief

ADH 66,7%.

Betreffende aangiften zullen worden herzien.

Hierbij wordt als grondslag voor de correctie genomen de aangegeven douanewaarde.

Correctie 4:

IM-A nummer

CIF w €

Versch.ADH €

Afgedr. ADH €

Correctie ADH €

[NUMMER 3]

190.157

126.834,80

12.360,20

114.474,60

[NUMMER 4]

23.726

15.825,30

1.542,20

14.283,10

[NUMMER 5]

183.432

122.349,20

11.923,10

110.426,10

Correctie 4

239.183,80

(…)”

2.4.

Tot de stukken van het geding behoren voorts onder meer de volgende bescheiden, te weten:

  • -

    behorende bij de aangifte [NUMMER 6]:

  • -

    een “debit note” van [I BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] van 17 april 2007 waarin onder meer het volgende is vermeld: “[NUMMER 7] shipment is from [E BEDRIJF]”;

- een door partijen ondertekend document “Proforma Invoice”, bestaande uit twee pagina’s met als seller [E BEDRIJF]., LTD en als buyer [A BEDRIJF] en ordernummer [NUMMER 7] en een bedrag van $ 29.144,58;

- een verzoek tot opening van documentair accreditief met daarin onder meer vermeld de omschrijving van de goederen: “OKOUME B/BB, PLYWOOD, 1220 x 2500 MM CONTRACT NR. [NUMMER 7]” en met als begunstigde [H BEDRIJF]. LTD en een bedrag van USD 29.144,58;

  • -

    behorende bij de aangifte [NUMMER 5]:

  • -

    een door partijen ondertekend document “Proforma Invoice”, bestaande uit twee pagina’s met als seller [E BEDRIJF]., LTD en als buyer [A BEDRIJF] en ordernummer [NUMMER 7] en een bedrag van $ 222.924,47;

- een verzoek tot opening van documentair accreditief met daarop handgeschreven “[TEKST] please check this aplication [D]” en waarin onder meer is vermeld als begunstigde [H BEDRIJF] LTD en een bedrag van USD 222.924,47;

- een verzoek tot opening van documentair accreditief met daarin onder meer vermeld de omschrijving van de goederen: “OKOUME B/BB, PLYWOOD, 1220 x 2500 MM and 950 x 2150 MM. CONTRACT NR. [NUMMER 8]”;

- een viertal e-mails van 8 en 9 mei 2007 tussen [I BEDRIJF] en [D] (werkneemster van [A BEDRIJF]) met als onderwerp RE: [TEKST];

  • -

    behorende bij de aangifte [NUMMER 3]:

  • -

    een “debit note” van [I BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] van 17 april 2007 waarin onder meer het volgende is vermeld: “[TEKST]”;

- een door partijen ondertekend document “Proforma Invoice” met als seller [E BEDRIJF]., LTD en als buyer [A BEDRIJF], ordernummer [NUMMER 9] en een bedrag van $ 233.550,46;

- een bescheid met vermelding van contractnummer [NUMMER 9], aflader [E BEDRIJF], koper [B BEDRIJF], volume 386 m³ en ordernummer [NUMMER 10];

- een verzoek tot opening van documentair accreditief met daarin onder meer vermeld de omschrijving van de goederen: “OKOUME B/BB, PLYWOOD, 1220 x 2500 MM and 950 x 2150 MM. CONTRACT NR. [NUMMER 9]”, met als begunstigde[H BEDRIJF] LTD en een bedrag van USD 233.550,46;

- een brief van [G BEDRIJF] van 26 juni 2007 met daarop in de rechterhoek handgeschreven de tekst “[NUMMER 9] [E BEDRIJF]-[B BEDRIJF]”;

- een proces-verbaal van ambtshandeling van een opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD van 11 februari 2011, [NUMMER 11], met betrekking tot de vertaling van de hiervoor opgenomen “proforma invoices”, waarin onder meer is vermeld dat de proforma invoices kunnen worden beschouwd als getekende contracten betreffende de fabricage en levering van multiplex van Okumé-hout en waarin de tussen [A BEDRIJF] en [E BEDRIJF]., Ltd. overeengekomen voorwaarden met betrekking tot de fabricage en levering zijn opgenomen;

- een proces-verbaal van bevinding, DFB-nummer [NUMMER 12], waarin opgenomen een verklaring van [C], directeur van [A BEDRIJF], van 25 februari 2010, die het volgende heeft verklaard:

“Ten aanzien van de betreffende transacties zijn door mij begin 2007 gesprekken gevoerd met [D BEDRIJF]. Ik heb hiertoe het bedrijf [D BEDRIJF] bezocht en haar producten bekeken. De kwaliteit die door [D BEDRIJF] geleverd kon worden voldeed echter niet aan de “[A BEDRIJF] standaard”. Een zusterbedrijf van [D BEDRIJF], [E BEDRIJF]. Ltd, is eveneens door mij bezocht, waarbij mij is gebleken dat haar producten wel voldeden. Vervolgens zijn door mij (prijs) afspraken gemaakt volgens de standaard van [A BEDRIJF]. De geleverde producten zijn geproduceerd door [E BEDRIJF], echter prijsafspraken, het “regelwerk”en de logistieke afhandeling is verzorgd door [D BEDRIJF]. [I BEDRIJF] heeft haar kwaliteitscontroles in het kader van de relevante transacties uitgevoerd bij [E BEDRIJF]”;

- ( delen van) het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD waarin [C] onder meer het volgende heeft verklaard:

“Ja, daar werden contracten van gemaakt. De contracten werden opgesteld tussen [D BEDRIJF] en [A BEDRIJF]. Deze contracten moeten in de files zitten die op kantoor aanwezig waren. Ik hoor van u dat u deze niet hebt aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie. Ik zou niet weten waar deze contracten dan nu wel zouden zijn. Ik ga dat zeker nakijken. Misschien zitten ze nog wel in de verhuisdozen. Ik ga op zoek. Ze moeten zeker ergens zijn.”

en

“Ik ben het daar niet mee eens. Ik ga er nog steeds van uit dat [D BEDRIJF] dit geproduceerd heeft. Ik kan me best voorstellen dat u het anders ziet aan de hand van de bescheiden die u hebt gezien. Ik ben daar naar toe geweest en alles gezien. Ik heb steeds verteld dat [D BEDRIJF] moest produceren en ik heb bij [E BEDRIJF] gesproken over te leveren kwaliteit van het fineer gelet op het te leveren eindproduct.”

2.5.

Op 2 november 2004 heeft de Europese Raad Verordening (EG) Nr. 1942/2004 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Deze verordening is op 12 november 2004 gepubliceerd in Publicatieblad L 336. In artikel 1 van deze verordening is bepaald dat een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op multiplex van okouméhout uitsluitend bestaande uit lagen van hout, waarvan elke laag niet meer dan 6 mm dik is, waarvan ten minste één buitenlaag van okouméhout is die niet met een permanente folie van ander materiaal is bedekt, ingedeeld onder de GN-code ex 4412 13 10 (Taric-code 4412 13 10 10), uit de Volksrepubliek China. Het definitieve recht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap vóór de inklaring is 66,7 %. Het individuele antidumpingrecht voor de onderneming [D BEDRIJF]. Ltd. is 6,5%, mits bij de douane van de lidstaten een handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de in de bijlage vermelde eisen. Blijkens artikel 3 van deze verordening is deze in werking getreden op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, derhalve op 13 november 2004.

2.6.

Naar aanleiding van de cni en met inachtneming van de onder 2.5 vermelde verordening heeft verweerder de utb opgelegd. De uitspraak op bezwaar is (mede) namens de Minister van Economische Zaken gedaan.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de utb, voor zover het de antidumpingrechten betreft, terecht is opgelegd. Niet in geschil is derhalve de oplegging van de utb voor de douanerechten en evenmin is in geschil de hoogte van het opgelegde bedrag aan antidumpingrechten. Het geschil is beperkt tot het bedrag van € 239.183,80 aan antidumpingrechten dat is gemoeid met de onder 2.1 opgenomen drie aangiften.

3.2.

Eiseres stelt primair dat de utb onbevoegd is opgelegd nu uit de utb niet blijkt dat deze namens de Minister van Economische zaken is opgelegd. Subsidiair stelt eiseres dat de utb ten onrechte is opgelegd, omdat verweerder niet onomstotelijk heeft aangetoond dat de ingevoerde goederen niet door [D BEDRIJF]Ltd. (hierna: [D BEDRIJF]) zijn vervaardigd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de utb voor wat betreft het bedrag aan antidumpingrechten.

3.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de utb bevoegd is opgelegd en dat een eventueel vormgebrek in de bezwaarfase is hersteld en dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ingevoerde goederen niet door [D BEDRIJF] zijn vervaardigd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de inspecteur van Belastingdienst/Douane Roosendaal de utb onbevoegd heeft opgelegd, omdat uit de utb niet blijkt dat deze namens de Minister van Economische Zaken is opgelegd, terwijl in artikel 5 van het Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ is bepaald, dat in elk op grond van de mandaatverlening genomen besluit tot uitdrukking wordt gebracht dat dit namens de Minister is genomen.

4.2.1.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet om de redenen die zij hierna uiteen zal zetten.

4.2.2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ van 13 januari 2000 (hierna: het Besluit) wordt onder inspecteur verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Uit artikel 2 van het Besluit volgt dat aan inspecteurs mandaat wordt verleend tot:

  1. .  het vaststellen van de uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen en tot het geven van de beschikking ter zake van anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen, als bedoeld in de artikelen 22a, tweede lid, en 22c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  2. . het beslissen op bezwaarschriften, gericht tegen besluiten als bedoeld onder a.

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat in elk op grond van de mandaatverlening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, genomen besluit tot uitdrukking wordt gebracht dat dit namens de Minister is genomen.

Het Besluit was ten tijde van de aanvaarding van de aangiften nog steeds geldig.

4.2.3.

Hoewel de utb niet voldoet aan het in artikel 5, eerste lid, van het Besluit opgenomen vereiste kan eiseres hierop geen beroep doen om haar standpunt te onderbouwen dat de utb onbevoegd is uitgereikt. De strekking van het mandaat is immers duidelijk. Uit het Besluit volgt dat de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Roosendaal (zijnde een inspecteur zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de AWR), handelend namens de minister van Economische Zaken bevoegd is om de utb ter zake van antidumpingheffing op te leggen en op het daartegen gerichte bezwaarschrift te beslissen, hetgeen overigens niet wordt betwist. Het enkel ontbreken van de mededeling dat sprake is van mandaat maakt dit niet anders. Uit de uitspraak op het bezwaarschrift, waarin verweerder dit verzuim heeft hersteld, is eiseres bovendien kenbaar gemaakt dat de beslissing is genomen en de mededeling is gedaan namens de Minister van Economische Zaken. Niet is gebleken dat eiseres door de onvolkomenheid in de utb in haar belang is geschaad. Eiseres heeft ook ter zitting bevestigd dat zij niet in haar belang is geschaad, terwijl van een onbevoegd genomen besluit niet is gebleken.

4.3.1.

Subsidiair is in geschil of verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen niet zijn geproduceerd door [D BEDRIJF] en de utb terecht heeft opgelegd.

4.3.2.

Op grond van de onder 2.5 vermelde verordening is een definitief antidumpingrecht ingesteld op multiplex van okouméhout uit de Volksrepubliek China. Het definitieve recht dat van toepassing is bedraagt 66,7 %. Ingeval de goederen zijn geproduceerd door de onderneming [D BEDRIJF] bedraagt het individuele antidumpingrecht 6,5%, mits bij de douane van de lidstaten een handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de in de bijlage vermelde eisen. Niet in geschil is dat de ingevoerde goederen op grond van deze Verordening zijn belast met een antidumpingrecht. In geschil is dus slechts welk tarief moet worden toegepast, hetgeen afhankelijk is gesteld van de producent van de goederen.

4.3.3.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de utb ten onrechte heeft opgelegd omdat verweerder niet onomstotelijk heeft aangetoond dat de ingevoerde goederen niet door [D BEDRIJF] zijn vervaardigd. Zij voert daarvoor aan dat de handelsfacturen afkomstig zijn van [D BEDRIJF] en zijn voorzien van de op grond van de Verordening vereiste clausule. De douane heeft die handelsfacturen bij de behandeling van de aangiften voor het vrije verkeer gecontroleerd en geaccepteerd, hetgeen heeft geleid tot een verlaging van het eerder toegepaste tarief aan antidumpingrechten van 6,5%. Verweerder beroept zich op de tijdens de cni aangetroffen proforma invoices en een verklaring van de heer [C], directeur van [A BEDRIJF], doch hiermee heeft verweerder volgens eiseres niet of onvoldoende aangetoond dat de desbetreffende zendingen niet door [D BEDRIJF] zijn vervaardigd. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de goederen door [D BEDRIJF] zijn vervaardigd, heeft eiseres een verklaring overgelegd van de heer [E], directeur van [D BEDRIJF], en een factuur van [E BEDRIJF] aan [D BEDRIJF] voor de levering van een zending fineerhout.

4.3.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij met de door hem ingebrachte stukken voldoende heeft aangetoond dat de desbetreffende partijen goederen niet door [D BEDRIJF] zijn vervaardigd en hij derhalve terecht het percentage antidumpingheffing van 66,7% voor “andere ondernemingen” heeft toegepast.

4.3.5.

Voorop staat dat verweerder het bewijs dient te leveren van zijn stelling dat niet [D BEDRIJF] doch een andere producent het okoumé multiplexhout heeft geproduceerd. Daarbij geldt de vrije bewijsleer, hetgeen kort gezegd inhoudt dat de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de rechtbank is voorbehouden. Hierbij kan aan bepaalde door verweerder naar voren gebrachte feiten en omstandigheden de gevolgtrekking worden verbonden dat de stelling van verweerder dat het multiplexhout niet door [D BEDRIJF] is vervaardigd aannemelijk is, behoudens tegenbewijs van eiseres.

4.3.6.

Gelet op de onder 2.2 en 2.3 opgenomen feiten en omstandigheden en de onder 2.4 vermelde stukken, en deze in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet [D BEDRIJF] maar [E BEDRIJF]. Ltd. (hierna: [E BEDRIJF]) de producent van de goederen is. Gelet op de lay-out en de tekst van de “proforma invoices” kan niet worden gesproken van proforma invoices van weinig of geen betekenis zoals die doorgaans in het handelsverkeer worden gebezigd, maar is naar het oordeel van de rechtbank sprake van koopovereenkomsten, waarin uitvoerig en tot in detail de door betrokken partijen [E BEDRIJF] en [A BEDRIJF] overeengekomen afspraken met betrekking tot de productie en levering van okoumé multiplexhout zijn neergelegd. De ondertekening door [E BEDRIJF] als “seller” en [A BEDRIJF] als “buyer” vormt de bekrachtiging van die afspraken. Het onder 2.4 vermelde proces-verbaal van ambtshandeling met betrekking tot de vertaling van deze stukken bevestigt dat sprake is van koopovereenkomsten tussen voormelde personen betreffende de productie en levering van okoumé multiplexhout. Uit de overige onder 2.4 vermelde bescheiden, zoals onder meer de verzoeken tot opening van een documentair accreditief, de e-mails en een debit-note, in samenhang met voornoemde “proforma invoices”, en de handgeschreven aantekeningen op enkele van deze bescheiden, kan eveneens worden afgeleid dat sprake is van leveringen van en door [E BEDRIJF] aan [A BEDRIJF]. In zijn verklaring afgelegd ten overstaan van de controlerend ambtenaar, bevestigt de heer [C], directeur van [A BEDRIJF], dat [E BEDRIJF] de producent van de goederen is, hetgeen volstrekt in lijn ligt met de hiervoor vermelde bescheiden en aantekeningen.

4.3.7.

De bij de aangiften voor het brengen in het vrije verkeer overgelegde facturen van [D BEDRIJF], met hierin overigens dezelfde gegevens wat betreft de goederen en factuurprijs als vermeld in de koopcontracten tussen [E BEDRIJF] en [A BEDRIJF], als ook de door [D BEDRIJF] opgestelde clausule dat zij de producent van de goederen is, als ook de door eiseres overgelegde verklaring van de directeur van [D BEDRIJF] maken de onder 4.3.6 opgenomen conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De verklaring van de directeur van [D BEDRIJF], dat een medewerker van [E BEDRIJF] deze proforma invoices heeft opgemaakt ten behoeve van [D BEDRIJF] komt de rechtbank zeer onaannemelijk voor, omdat uit deze stukken slechts is af te leiden dat [E BEDRIJF] de producent is.

4.3.8.

Dat de heer [C] in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ten overstaan van opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD anders heeft verklaard, wat hier ook van zij, doet aan het voorgaande evenmin af. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat hetgeen de heer [C] in zijn latere verklaring stelt, deels speculatief is en het bewijs daarvan niet is geleverd, hetgeen eiseres ter zitting heeft bevestigd. De door [D BEDRIJF] geproduceerde stukken en de latere verklaring van de heer [C] hebben alles weg van een poging om de werkelijke producent van de goederen te verhullen, teneinde aan het hoge tarief antidumpingrecht te ontkomen.

4.3.9.

De door eiseres overgelegde factuur van [E BEDRIJF] aan [D BEDRIJF] voor de levering van een zending fineerhout heeft geen betrekking op de partijen in kwestie, hetgeen eiseres ter zitting eveneens heeft bevestigd, en kan reeds daarom niet bijdragen aan het tegenbewijs.

4.3.10.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd het van haar verlangde bewijs te leveren. Nu verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het vrije verkeer aangegeven goederen niet door [D BEDRIJF] zijn geproduceerd, heeft verweerder terecht het percentage van 66,7% aan antidumpingrecht op de ingevoerde goederen toegepast.

4.4.

Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr.A.J. Roke en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr.S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.