Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:16

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
141520 / ES RK 12-1370
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging voorlopige voorzieningen.

Verzoek om omgangsregeling is geen verzoek wijziging, maar een nieuw nevenverzoek.

De gezinsvoogd is gelet op haar positie de aangewezen autoriteit om te kunnen beoordelen welke vorm van omgang de komende tijd in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank is van oordeel dat een door de rechtbank vast te stellen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken thans niet in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw hiertoe dan ook afwijzen.

Verzoek uitsluitend gebruik echtelijke woning kan worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie en Jeugd

HZ

zaak- en rekestnummer: 141520 / ES RK 12-1370

datum: 3 januari 2013

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[de vrouw],

[woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. S. Kuijs,

tegen:

[de man],

[woonplaats],

gerekwestreerde,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam- Wolfs,

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van de rechtbank Alkmaar is op 6 november 2012 het verzoekschrift van de vrouw ingekomen, waarin wordt verzocht de tussen partijen getroffen voorlopige voorzieningen, zoals deze bij beschikking van 23 augustus 2012 zijn vastgelegd, te wijzigen.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2012, alwaar zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Kuijs, alsmede de man, bijgestaan door mr. Warmerdam-Wolfs. Voorts is verschenen mevrouw [gezinsvoogd], gezinsvoogd bij het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (hierna: de gezinsvoogd).

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1.

vaststaande feiten

Partijen zijn op 20 oktober 2009 gehuwd in gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum].

Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 23 augustus 2012 is bepaald:

  • -

    dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de [echtelijke woning], met bevel dat de andere echtgenoot deze woning dient te verlaten en deze niet verder mag betreden.

  • -

    dat de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd.

Hetgeen meer of overig is verzocht is bij deze beschikking afgewezen.

Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 29 augustus 2012 (procedurenummers 139841 / OT RK 12-1055 en 139843 / OT RK 12-1056) zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland tot 21 augustus 2013, welke maatregel door het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering wordt uitgevoerd. Bij het gezin van partijen is thans op grond van deze ondertoezichtstelling de gezinsvoogd betrokken.

2.

verzoeken van de vrouw

De vrouw heeft verzocht de beschikking van 23 augustus 2012 te wijzigen en te bepalen dat:

1.

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vrouw en de minderjarigen op zo kort mogelijke termijn een regeling zal gelden waarbij de minderjarigen (onbegeleid) van dinsdagochtend tot woensdagochtend bij de vrouw verblijven en van zaterdagochtend tot zondagmiddag 15.00 uur, alsmede gedurende de helft van de feestdagen, althans een zodanige regeling als de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht;

2.

het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning met ingang van 13 november 2012 aan de vrouw toekomt.

2.1. 1.

een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

2.1.1.

Allereerst merkt de rechtbank op dat bij de beschikking van 23 augustus 2012 geen regeling inzake een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgesteld. Het verzoek van de vrouw om een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient derhalve te worden opgevat als een nieuw nevenverzoek.

2.1.2.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat zij thans omgang met de minderjarigen heeft op vrijdagochtend van 10.00 uur tot 11.00 uur op het kantoor bij de voogdijinstelling. De vrouw heeft de gezinsvoogd om uitbreiding van de omgang verzocht. Hierop is niet gereageerd. De vrouw heeft zich gemeld bij de GGZ voor onderzoek, waarvan rapportage is opgemaakt. De vrouw heeft ondersteuning van maatschappelijk werk en krijgt hulp van de voedselbank. De vrouw mist de minderjarigen enorm. De minderjarigen hebben recht om hun moeder meer dan een uurtje per week te zien. De vrouw wordt niet betrokken bij belangrijke zaken aangaande de minderjarigen, wat niet in hun belang geacht kan worden. De man heeft tijdens de vorige zitting aangegeven open te staan voor uitbreiding van de omgang als de minderjarigen aan hem werden toevertrouwd.

Ter zitting heeft de vrouw voorts aangevoerd dat zij de aanwijzingen van de gezinsvoogd goed opvolgt en veel heeft bereikt de afgelopen tijd. Uit onderzoek is gebleken dat zij niet lijdt aan een borderline-stoornis. De vrouw heeft via het maatschappelijk werk begeleiding en zal zij ook het advies van de gezinsvoogd om naar een psychiater te gaan serieus nemen. Ondanks deze stappen is de omgang met de minderjarigen niet uitgebreid.

2.1.3.

De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich met betrekking tot het opbouwen van een contactregeling tussen de vrouw en de minderjarigen achter de gezinsvoogd schaart, omdat de man van mening is dat dat het meest in het belang van de minderjarigen is.

2.1.4.

De gezinsvoogd heeft ter zitting naar voren gebracht dat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling een aanwijzing omgangsregeling heeft gekregen. Eind januari 2013 zal er geëvalueerd worden. Er ligt binnen Jeugdzorg thans een advies om de omgang één keer per week anderhalf uur plaats te laten vinden bij de vrouw thuis onder begeleiding van de gezinsvoogd. De vrouw heeft aan de praktische voorwaarden voldaan. Het gaat er met name om dat moeder soms explosief kan reageren, wat niet in het belang van de minderjarigen is. De vrouw is geadviseerd om de GGZ om hulpverlening te verzoeken. De minderjarigen mogen niet belast worden met de problemen van de ouders. Uit de onderzoeken is inderdaad gebleken dat er geen sprake is van een borderline-stoornis. Maar dat wil niet zeggen dat het goed met vrouw gaat of dat er geen sprake is van een andere stoornis. Zij is onderhevig aan stemmingswisselingen. Als de vrouw leert haar emoties beter in toom te houden, dan zal het met de minderjarigen bij haar ook beter gaan. Er is thans nog veel onzeker in het leven van de vrouw, gelet op de echtscheiding en andere door de vrouw naar voren gebrachte zaken.

2.1.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is nog veel gaande. De minderjarigen staan onder toezicht en er is een gezinsvoogd bij het gezin betrokken. De vrouw doet haar uiterste best om haar leven goed op de rails te zetten en te laten zien dat zij zich aan de door de gezinsvoogd gestelde voorwaarden houdt. Ter zitting is echter ook gebleken dat er nog veel gebeurt in het leven van de vrouw. De positieve opbouw is fragiel en er zijn nog zorgen. De gezinsvoogd is onder andere bezorgd over de stemmingswisselingen van de vrouw en de problemen waarvoor de vrouw thans nog staat, zoals onder meer de nog niet afgewikkelde echtscheiding. De gezinsvoogd heeft de vrouw verdere hulpverlening geadviseerd en zij zal trachten via de GGZ te bewerkstelligen dat die hulpverlening op gang komt. De rechtbank stelt vast dat de gezinsvoogd nauw betrokken is bij partijen. Zij begeleidt de huidige contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen en stelt daar in het belang van de minderjarigen voorwaarden aan. Het is dan ook in het belang van de minderjarigen dat de gezinsvoogd op de ingeslagen weg verder kan gaan. Het ziet ernaar uit dat er binnenkort bij de vrouw thuis omgang zal plaatsvinden, waarmee een begin van uitbreiding van de omgang is gemaakt. De gezinsvoogd is gelet op haar positie de aangewezen autoriteit om te kunnen beoordelen welke vorm van omgang de komende tijd in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank is van oordeel dat een door de rechtbank vast te stellen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken thans niet in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw hiertoe dan ook afwijzen.

2.2. 2.

uitsluitend gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning

2.2.1.

Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij thans niet meer in de echtelijke woning woont, maar met de minderjarigen is verhuisd naar de woning van zijn onlangs overleden vader.

2.2.2.

Ingevolge artikel 824, tweede lid, Rv kan een beschikking als bedoeld in artikel 822 Rv worden gewijzigd indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanig mate zijn gewijzigd, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde wijziging, namelijk het feit dat de man de echtelijke woning heeft verlaten, gelet op alle belangen welke in dit verband gewogen moeten worden, een wijziging van omstandigheden is als bedoeld in de wet. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek.

2.2.3.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat thans het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning met ingang van 13 november 2012 aan haar toekomt, kan worden toegewezen, nu de man hiermee instemt en het verzoek de rechtbank gegrond voorkomt.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 23 augustus 2012 in die zin, dat de vrouw met ingang 13 november 2012 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de [echtelijke woning], met bevel dat de andere echtgenoot deze woning dient te verlaten en deze niet verder mag betreden.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, lid van gemelde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2013, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier.