Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:14230

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
2512711 / AO VERZ 13-381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Gebrek aan vertrouwen van beide partijen in vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie. De kantonrechter acht een neutrale vergoeding billijk. De zorgwekkende financiële situatie van de werkgever maakt echter dat een toekenning ven een vergoeding op basis van C=1 niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1081

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

zaak-/rep.nr.: 2512711 \ AO VERZ 13-381

datum uitspraak: 23 december 2013

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

verzoekster

hierna te noemen [eiseres]

gemachtigde mr. J.F.R. Eisenberger

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde]

te [woonplaats]

verweerster

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. J.D.L. Wessel.

De procedure

Op 7 november 2013 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van [eiseres]. [gedaagde]

heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft

plaatsgevonden op 2 december 2013. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader

toegelicht. De gemachtigde van [eiseres] heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft

aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Beide partijen

hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

a. [eiseres], 56 jaar oud, is op 7 augustus 1974 bij [gedaagde] in dienst getreden. De functie van [eiseres] is adjunct-directeur en het salaris van [eiseres] bedraagt € 5.149,50 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

b. [eiseres] heeft zich op 10januari 2013 ziek gemeld.

c. Op 2 augustus 2013 heeft [gedaagde] de kantonrechter te Haarlem verzocht de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te ontbinden, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden.

d. [gedaagde] heeft [eiseres] op 16 september 2013 doen uitschrijven uit het handelsregister als gevolmachtigde van [gedaagde].

e. Bij beschikking van 18 september 2013 heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding toegewezen wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter heeft daartoe (onder meer) overwogen dat [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat een reorganisatie noodzakelijk is, aangezien de economische crisis de onderneming van [gedaagde] zwaar heeft getroffen. Nu deze omstandigheid niet aan een van partijen valt te verwijten, heeft de kantonrechter een vergoeding van € 225.934,11 bruto billijk geacht. Aangezien [gedaagde] geen vergoeding had aangeboden, heeft de kantonrechter [gedaagde] de mogelijkheid geboden het verzoek in te trekken.

f. Op 25 september 2013 heeft [gedaagde] [eiseres] verzocht haar laptop, mobiele telefoon en sleutel van het bedrijfspand aan [gedaagde] afte geven.

g. [gedaagde] heeft op 30 september 2013 gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid het ontbindingsverzoek alsnog in te trekken.

h. De bedrijfsarts van Arbo Content B.V. heeft op 7 oktober 2013 als volgt gerapporteerd: “Alles bij elkaar genomen ben ik uitermate nieuwsgierig of er nog een positiefteken gaat ontstaan tot een re-integratie-inspanning. Afhankelijk hiervan kan ik tot nadere advisering komen ten aanzien van wel/niet inzet mediation en opbouw in re-integratie. (...) Een volgend spreekuur is pas weer zinvol als er daadwerkelijk positieve ontwikkeling in het verhaal komt. (...) Wkn. onder paraplu 100% AO de komende 2 weken het probleem oplossen.”

i. [eiseres] heeft op 11 oktober 2013 als volgt aan [gedaagde] geschreven: “Zoals bekend, heeft de bedrijfsarts in zijn laatste advies van 4 oktober jl. aangegeven, dat binnen twee weken na het gegeven advies partijen (werkgever en werknemer) de verstoring van de arbeidsrelatie op te lossen. Ik wens het advies van de bedrijfsarts te volgen (...) en ben in afwachting van je spoedige reactie hierin.”

j. Op 14 oktober 2013 heeft [gedaagde] geantwoord en (onder meer) het volgende aan [eiseres] geschreven: “Wij zijn van mening dat een onafhankelijk en gecertificeerd mediator ingeschakeld zal moeten worden. (...) In de mediation zal ook het verleden door ons aan de orde worden gesteld. In het mediationtraject moeten blijken of het vertrouwen hersteld kan worden.”

k. De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 29 oktober 2013 bericht dat [eiseres] geen vertrouwen heeft in voortzetting van de arbeidsrelatie.

Het verzoek

[eiseres] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden onder toekenning van een vergoeding, primair op basis van C=1,75 en subsidiair op basis van C=l, zoals eerder door de kantonrechter aan [eiseres] is toegekend. [eiseres] voert aan dat sprake is van zeer ernstige vertrouwensbreuk, die volledig is te wijten aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft [eiseres] in het verzoekschrift van 2 augustus 2013 valselijk van zeer ernstige zaken beschuldigd, terwijl in rechte is bepaald dat deze verwijten onterecht waren. Daarbij heeft [gedaagde] haar haar bevoegdheden afgenomen en heeft zij alle bedrijfseigendommen moeten inleveren. [gedaagde] heeft deze zeer diffamerende situatie ook na intrekking van het verzoek laten voort bestaan. Gezien de Aanbevelingen van de kring van kantonrechters lag het na de intrekking van het eerdere verzoek juist op de weg van [gedaagde] om een substantiële en geloofwaardige poging te doen [eiseres] een zinvolle kans te bieden haar werkzaamheden voort te zetten. Gezien de zware beschuldigingen die [gedaagde] ten onrechte jegens [eiseres] heeft geuit, mocht daarbij van [gedaagde] een extra zware inspanning tot herstel van de arbeidsrelatie worden verwacht. Desondanks heeft [gedaagde] bevoegdheden van [eiseres] ingetrokken en [eiseres] opgedragen bedrijfseigendommen in te leveren. Pas nadat [eiseres] naar aanleiding van het rapport van de bedrijfsarts contact met [gedaagde] opnam, heeft [gedaagde] bij brief van 14 oktober 20 13 gereageerd. Uit die reactie blijkt dat [gedaagde] slechts de eerdere geschilpunten wil oprakelen, en laat zij het kennelijk aan [eiseres] over om het vertrouwen te herstellen. Gelet op de handelwijze van [gedaagde] acht [eiseres] een verdere vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk. Nu dit geheel aan [gedaagde] is te wijten, dient aan [eiseres] een vergoeding op basis van C=l,75 te worden toegekend. Subsidiair verzoekt [eiseres] aan haar een vergoeding toe te kennen op basis van C=1, zoals de kantonrechter in zijn beschikking van 18 september 2013 ook heeft gedaan. Nu de kantonrechter in die beschikking het habe-nichts verweer reeds heeft verworpen, kan [gedaagde] dit verweer niet opnieuw aan de orde stellen. Dat zou immers neerkomen op een verkapt hoger beroep.

Het verweer

[gedaagde] voert geen verweer tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderde omstandigheden. Volgens [gedaagde] valt dat haar echter niet, althans niet in overwegende mate, te verwijten. Samen met algemeen directeur [XXX] vormde [eiseres] vanaf april 2004 de directie van [gedaagde]. Zij leidden gezamenlijk de onderneming vanuit de vestiging [woonplaats], waarbij [eiseres] verantwoordelijk was voor de kasadministratie, loonadministratie en financiële administratie. In de loop der jaren is tussen de directie en de enig aandeelhouder van [gedaagde] op diverse punten een ernstig verschil van inzicht ontstaan, dat heeft geleid tot het ontslag van [XXX] tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 20 december 2012. Nadien is een financieel onderzoek uitgevoerd door Accon AVM Adviseurs en Accountants naar het financiële beleid dat de directie heeft gevoerd. Dit onderzoek heeft legitieme vragen opgeroepen, en [gedaagde] heeft [eiseres] verzocht deze te beantwoorden. [eiseres] is niet bereid gebleken deze te beantwoorden en pas tijdens de vorige ontbindingsprocedure is [eiseres] met enige uitleg gekomen. Indien [eiseres] deze vragen destijds had beantwoord, zou veel leed zijn bespaard. [eiseres] is sinds januari 2013 arbeidsongeschikt en tijdens de mondelinge behandeling van het eerdere ontbindingsverzoek heeft zij aangevoerd dat zij op dat moment een terugslag ondervond. Na de intrekking van haar verzoek heeft [gedaagde] met die terugslag rekening willen houden en het beter geoordeeld dat partijen niet op korte termijn met elkaar in gesprek zouden gaan. Omdat uit de rapportage van de bedrijfsarts van 4 oktober 2013 evenwel niet bleek van een terugslag heeft [gedaagde] overeenkomstig het advies van de bedrijfsarts tot mediation willen komen. De door de arbodienst van [gedaagde] voorgestelde mediator heeft daartoe getracht telefonisch contact met [eiseres] op te nemen en haar op 25 oktober 2013 gemaild. Op 28 oktober 2013 heeft de mediator ook een brief aan [eiseres] geschreven. Via haar gemachtigde heeft [eiseres] op 29 oktober 2013 bericht dat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Toekenning van de vergoeding die in de eerdere beschikking is toegekend, zal het faillissement van [gedaagde] betekenen. Om een faillissement te voorkomen en te voorkomen dat de overige 19 werknemers van [gedaagde] werkloos raken, kan [gedaagde] maximaal een bijeen gesprokkelde ontbindingsvergoeding van € 35.000,00 bruto aanbieden. Daarvan bestaat een gedeelte uit privéspaargeld van de huidige directeur van [gedaagde].

De beoordeling

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

Aangezien [gedaagde] zich niet tegen het verzoek tot ontbinding heeft verzet en beide partijen geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie, is de kantonrechter van oordeel dat er voldoende gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is.

Vergoeding

[eiseres] heeft verzocht aan haar een billijke vergoeding toe te kennen op basis van correctiefactor C=1,75, althans C=1. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat haar voor de verzochte ontbinding geen verwijt treft. Zij voert daartoe aan dat haar niet kan worden verweten dat zij niet direct met [eiseres] contact heeft opgenomen, omdat [eiseres] zelf bij de eerdere mondelinge behandeling had aangegeven dat zij nog steeds ziek was en sprake was van een terugval. Naar aanleiding van het advies van de Arbo-dienst, heeft [gedaagde] aan [eiseres] laten weten open te staan voor mediation. [eiseres] heeft hier echter niet op in willen gaan. Het is dan ook [eiseres] die de voortzetting van de arbeidsovereenkomst geen kans heeft willen geven, aldus [gedaagde].

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] er aldus aan voorbij dat de huidige vertrouwensbreuk is ontstaan door het eerder door [gedaagde] ingediende verzoekschrift waarin [gedaagde] destijds onmiddellijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht vanwege een dringende reden. De kantonrechter kwam echter tot het oordeel dat [gedaagde] de daartoe aangevoerde zware beschuldigingen onvoldoende had onderbouwd, zodat de primaire grond het verzoek niet kon dragen. Gelet op het destijds door [gedaagde] ingenomen standpunt, is het niet onbegrijpelijk dat bij [eiseres] het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking verloren is gegaan. [gedaagde] heeft weliswaar vervolgens het verzoekschrift ingetrokken, maar deze beslissing was uitsluitend ingegeven doordat zij de aan [eiseres] toegekende vergoeding niet wilde of kon betalen. Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat gelet op de beschikking van 1 8 september 2013 (waarbij de kantonrechter een gevoelige tik aan [gedaagde] heeft uitgedeeld), het op de weg van [gedaagde] lag om alles in het werk te stellen om de ontstane vertrouwensbreuk weer te herstellen. In dit licht bezien was het naar het oordeel van de kantonrechter ongepast om [eiseres] te vragen haar laptop, mobiele telefoon en sleutel van het bedrijfspand aan [gedaagde] afte geven. Niet is gebleken dat [gedaagde] in dit traject op enig moment aan [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat zij het vertrouwen in haar weer terug had, dan wel haar excuses heeft gemaakt. Daar staat tegenover dat ook [eiseres] weinig bereid is gebleken om de voortzetting van de arbeidsrelatie een kans te geven. [eiseres] heeft het voorstel van [gedaagde] om een onafhankelijke mediator in te schakelen onmiddellijk van de hand gewezen om vervolgens het onderhavige verzoek in te dienen. Mede gezien haar functie, had naar het oordeel van de kantonrechter van [eiseres] verwacht mogen worden dat zij het voorgestelde mediationtraject tenminste een kans zou geven. Dat [gedaagde] had aangekondigd bij de mediator ook het verleden aan de orde te willen stellen, maakt dit niet anders. Nu echter ook [gedaagde] ter zitting kenbaar heeft gemaakt niet langer voor mediation open te staan, zal de kantonrechter partijen niet alsnog naar een mediator door verwijzen.

Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat voor de door [eiseres] verzochte vergoeding met een correctiefactor C1,75 geen aanleiding bestaat. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter een neutrale vergoeding billijk. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat toekenning van een vergoeding op basis van C1 ten bedrage van € 225.934,11 bruto tot haar faillissement zal leiden. Zij heeft daartoe de cijfers over de eerste helft van 2013 in het geding gebracht. Als onweersproken staat vast dat deze cijfers tijdens de eerdere ontbindingsprocedure nog niet ter beschikking waren, zodat de stelling van [eiseres] dat het ‘habe-nichts’ verweer niet op nieuw aan de orde gesteld mag worden, faalt. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken kan worden geconcludeerd dat de financiële situatie zodanig zorgwekkend is dat aan [gedaagde] een beroep op deze exceptie toekomt. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de situatie niet [eiseres] zodanig verslechterd is dat er geen ruimte is om aan [eiseres] enige vergoeding toe te kennen. De kantonrechter acht een vergoeding van € 113.000,00 bruto met het oog op de omstandigheden van het geval billijk.

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, omdat dat niet tot een andere beslissing leidt.

Vanwege de aard van deze procedure draagt iedere partij de eigen kosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2014;

- kent aan [eiseres] ten laste van [gedaagde] een vergoeding toe van € 113.000,00 bruto, ineens te voldoen, als aanvulling op een uitkering op grond van een sociale verzekeringswet of een lager inkomen uit arbeid;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van die vergoeding;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. Pott Hofstede en is uitgesproken op de openbare

terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.