Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:14130

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
C-15-188705 - HA ZA 12-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat.

Door de verjaringstermijn niet tijdig te stuiten heeft de voormalige advocaat van eisers gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Advocaat had van wetswijziging waarbij in verzekeringsrechtelijke zaken de verjaringstermijn werd verkort op de hoogte moeten zijn. Er is sprake van beroepsfout.

Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat de vordering – als die tijdig was ingesteld – geheel of gedeeltelijk zou zijn toegewezen. Daarbij geldt dat aan de bewijslevering in de onderhavige procedure andere eisen worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de oorspronkelijke procedure tussen eiser en de verzekeringsmaatschappij (zie HR 9 november 2012, LJN BX0737).

Rechtbank beoordeelt de kans van slagen van de door de verzekeringsmaatschappij gevoerde verweren en oordeelt dat deze in rechte zouden zijn verworpen en dat de verzekeringsmaatschappij veroordeeld zou zijn om de schade die onder de dekking van de verzekering valt aan eiser te vergoeden. De aansprakelijkheid van de advocaat uit hoofde van de gemaakte beroepsfout brengt mee dat de advocaat thans voor die schade aansprakelijk is jegens eiser. Gevorderde schadeposten ter zake van opstal- en inboedelschade, reinigingskosten en kosten van rechts- en deskundige bijstand staan in causaal verband met de beroepsfout en zijn toewijsbaar. Gevorderde vergoeding van huurderving en inkomensschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/38

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/188705 / HA ZA 12-30

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

1 [eiser1],

2.[eiser2]

beiden wonende te Kindia Guinee (Afrika),

eisers,

advocaat mr. N.J.F. [eiser1],

tegen

naamloze vennootschap

KÖSTER ADVOCATEN N.V.,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. J. Mencke.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser1] en [eiser2], en gezamenlijk [eiser1] c.s. worden genoemd. Gedaagde zal Köster genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 juli 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 september 2012

  • -

    de akte na comparitie tevens houdende aanvulling c.q. wijziging van eis met producties van [eiser1] c.s.

  • -

    de antwoordakte na comparitie van Köster.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser1] c.s. is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2.

[eiser1] c.s. heeft voor deze woning bij Delta Lloyd, destijds handelende onder de naam Ohra, een inboedel- en opstalverzekering afgesloten. Op deze verzekeringspolis zijn de polisvoorwaarden woonverzekeringen (hierna: polisvoorwaarden) van toepassing. Voor de inboedelverzekering is in artikel 23 onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 23 Gewijzigde omstandigheden

2. Melden wijzigingen

Houdt U er rekening mee dat u de volgende wijzigingen aan de maatschappij moet doorgeven:

1. binnen 30 dagen na de oorspronkelijke wijzigingsdatum:

1. Wijziging in bouwaard, dakbedekking, bestemming, inrichting of gebruik (bijvoorbeeld verhuur) van de woning en/of bijgebouwen.

(…)

3. Het naar verwachting langer dan 2 maanden onbewoond zijn van (een als zelfstandig aan te merken deel van) de woning.

(…)

3. Gevolgen voor premie en dekking

(…)

Geeft u deze wijzigingen niet binnen de gestelde termijnen door, dan vervalt het recht op schadevergoeding na de genoemde termijn. Tenzij de maatschappij de verzekering op dezelfde voorwaarden zou hebben voortgezet (…)"

Een vrijwel gelijkluidende bepaling voor de opstalverzekering is opgenomen in artikel 41, tweede en derde lid, van de polisvoorwaarden.

2.3.

In verband met hun aanstaande verblijf in het buitenland heeft [eiser1] c.s. de woning aangeboden voor verhuur. De polissen van de inboedel- en opstalverzekering zijn gelet daarop per 6 september 2004 gewijzigd, in die zin dat de bestemming is gewijzigd in 'verhuur aan alleenstaanden of gezin/samenwonenden'.

2.4.

[eiser1] c.s. heeft de woning per 18 oktober 2004 verhuurd aan[huurder], die de woning op 21 oktober 2004 heeft onderverhuurd aan [onderhuurders].

2.5.

Op 24 november 2004 heeft in de woning een brand gewoed waardoor schade aan de opstallen en de inboedel is ontstaan. De brand is ontstaan in de hennepkwekerij die op de eerste verdieping van de woning in werking was. Deze hennepkwekerij was daar aangelegd en werd geëxploiteerd door [onderhuurders].

2.6.

[eiser1] c.s. heeft de brandschade aan de woning op 24 november 2004 telefonisch en per faxbericht gemeld aan Delta Lloyd.

2.7.

Op 25 november 2004 is de woning door een schade-expert van Ohra opgenomen. De expert adviseert Ohra een schadebedrag te reserveren van € 20.000,00 voor de inboedel en € 75.000,00 voor de opstallen.

2.8.

Bij brief van 14 januari 2005 is namens Delta Lloyd aan [eiser1] c.s. meegedeeld dat geen dekking wordt verleend voor de brandschade omdat de wijziging van de bestemming van de woning niet tijdig is gemeld.

2.9.

Bij brief van 24 februari 2005 heeft de advocaat van [eiser1] c.s. Delta Lloyd gesommeerd om binnen zeven dagen te bevestigen dat zij zal vergoeden de brandschade en de door de niet nakoming door Delta Lloyd geleden vermogensschade.

2.10.

Op 4 april 2005 heeft Stam Architekten B.V. te Krommenie (hierna: Stam), in opdracht van [eiser1] c.s., een rapport uitgebracht waarin de brandschade aan de woning is geïnventariseerd.

2.11.

[eiser1] c.s. heeft bij dagvaarding van 10 augustus 2009 een procedure tegen Delta Lloyd aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 10 maart 2010 heeft de rechtbank Arnhem het door Delta Lloyd gevoerde verjaringsverweer en de overige verweren verworpen en voor recht verklaard dat Delta Lloyd uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst gehouden is tot uitkering.

2.12.

Bij arrest van 5 juli 2011 heeft het gerechtshof Arnhem - rechtdoende op het door Delta Lloyd ingestelde hoger beroep - genoemd vonnis van 10 maart 2010 vernietigd en het gevorderde alsnog afgewezen. Het hof heeft daarbij geoordeeld dat de rechtsvordering van [eiser1] c.s. op Delta Lloyd ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding reeds was verjaard. Aan beoordeling van de overige verweren van Delta Lloyd is het hof niet toegekomen.

2.13.

Voor [eiser1] c.s. zijn vanaf begin 2005 steeds bij Köster werkzame advocaten opgetreden. Hierna zullen die advocaten ook als “de advocaat” worden aangeduid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser1] c.s. vordert na wijziging van eis samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. voor recht te verklaren dat Köster toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser1] c.s. en dat de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van Köster komt;

  2. voor recht te verklaren dat Köster onrechtmatig jegens [eiser1] c.s. heeft gehandeld en dat de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van Köster komt;

  3. Köster te veroordelen tot betaling van:
    a. € 79.099,30 ter zake van opstalschade,
    b. € 20.000,00 ter zake van inboedelschade,
    c. € 7.806,40 ter zake van reiniging c.q. transport,
    d. € 48.017,15 ter zake van kosten van rechtsbijstand, inclusief proceskosten-veroordelingen,
    e. € 1.368,50 ter zake van het opstellen van het schaderapport door Stam,

f. € 14.700,00 ter zake van huurderving
g. € 349.483,58 ter zake van inkomstenderving,
waarbij de posten a tot en met f dienen te worden vermeerderd met wettelijke rente,

4. Köster te veroordelen tot betaling van € 2.842,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten,

5. Köster te veroordelen in de proceskosten, de nakosten hieronder begrepen.

3.2.

Tegen de achtergrond van genoemde feiten heeft [eiser1] c.s. - uiteindelijk - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Zijn toenmalige advocaat, die werkzaam was bij Köster heeft een beroepsfout begaan door de verjaring van zijn rechtsvordering tegen Delta Lloyd niet tijdig te stuiten. Köster is voor deze beroepsfout aansprakelijk en dient de door [eiser1] c.s. dientengevolge geleden schade aan hem te vergoeden.

3.3.

Köster voert gemotiveerd verweer. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Beroepsfout

4.1.

Met het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof (2.12) is tussen [eiser1] c.s. en Delta Lloyd vast komen te staan dat de verjaring van de rechtsvordering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van [eiser1] c.s. tegen Delta Lloyd niet tijdig door de advocaat is gestuit. Köster betwist in deze procedure de juistheid van het oordeel van het hof over dat handelen van de advocaat niet. Voorts staat niet ter discussie dat wanneer een beroepsfout is gemaakt door de advocaat Köster daarvoor aansprakelijk is. Köster betwist evenwel dat sprake is van een beroepsfout. Tevens betwist Köster dat tussen het handelen van de advocaat en de door [eiser1] c.s. gevorderde schade causaal verband bestaat. Tot slot betwist Köster, voor het geval er wel causaliteit tussen de beroepsfout en enige schade is, dat de door [eiser1] c.s. gestelde schadeposten (alle) voor vergoeding in aanmerking komen.

4.2.

In de eerste plaats ligt de vraag voor of de advocaat heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, doordat hij de rechtsvordering van [eiser1] c.s. tegen Delta Lloyd niet (tijdig) heeft gestuit. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Van een advocaat mag in het algemeen worden verwacht dat hij kennis heeft van de geldende verjaringstermijnen, althans dat hij zich daarvan vergewist en wijzigingen in wetgeving, alsmede vakliteratuur, bijhoudt. In dit geval is bij de invoering van titel 17 ("Verzekering") in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de tot 1 januari 2006 lopende verjaringstermijn van 5 jaar per 1 januari 2006 omgezet in een termijn van drie jaar (artikel 7:942 lid 1 BW). Anders dan Köster betoogt, acht de rechtbank genoemde wetswijziging niet een afwijking van de hoofdregel op een heel specifiek verzekeringstechnisch gebied, maar behelst de invoering van titel 17 in boek 7 BW een ingrijpende wetswijziging in het verzekeringsrecht. Aan deze wijziging is een lange (parlementaire) geschiedenis voorafgegaan, waarover (ook) in de meer algemene vakbladen is bericht. Een advocaat die verzekeringsrechtelijke zaken behandelt - ook wanneer hij daarin, zoals Köster stelt, niet heel ervaren is - had van deze wetswijziging op de hoogte moeten zijn. Dat de wetswijziging plaatsvond geruime tijd nadat de advocaat de zaak in behandeling had genomen, doet hieraan niet af. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een beroepsfout aan de zijde van Köster.

Causaal verband

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, [eiser1] c.s. als gevolg van deze beroepsfout schade heeft geleden, moet worden beoordeeld in hoeverre de vordering - als die tijdig was ingesteld - toegewezen zou zijn. Daarbij geldt dat het toewijsbare bedrag moet worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die [eiser1] c.s. in een op de genoemde vordering gebaseerde procedure zou hebben gehad.

Teneinde de rechter in het geding waarin de aansprakelijkheid voor het verzuim van de advocaat aan de orde is, in staat te stellen zo nauwkeurig als in het betrokken geval mogelijk is, tot zodanig oordeel dan wel zodanige schatting te geraken, is het wenselijk dat partijen in dat geding - de cliënt en diens voormalige advocaat - aan de rechter alle gegevens verschaffen die (bij tijdige stuiting van de verjaring van de rechtsvordering) in de op die rechtsvordering gebaseerde procedure aan de orde (zouden) zijn geweest. Zie in dit verband de uitspraken van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, NJ 1998, 257, 19 januari 2007, NJ 2007, 63 en 21 december 2012, NJ 2013, 237. [eiser1] c.s. heeft met het oog op het voorgaande de volledige procesdossiers van de in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde procedures overgelegd. (2.11 en 2.12).

4.4.

Op [eiser1] c.s. rust de last aannemelijk te maken dat de vordering - als die tijdig was ingesteld - geheel of gedeeltelijk zou zijn toegewezen, meer specifiek dat de verweren van Delta Lloyd, inhoudende dat [eiser1] c.s. zijn meldingsplicht ingevolge de polisvoorwaarden en/of zijn algemene mededelingsverplichting heeft geschonden, zouden zijn verworpen. Daarbij geldt dat aan de bewijslevering in de onderhavige procedure andere eisen worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de procedure tussen [eiser1] c.s. en Delta Lloyd. Bij de waardering van het bewijs zal immers ook rekening moeten worden gehouden met de verschillen tussen beide procedures, waaronder het verschil in bewijsrisico en eventuele verschillen in bewijsmogelijkheden. [eiser1] c.s. mag daarbij niet in een lastiger bewijspositie worden gebracht dan wanneer de beroepsfout niet was gemaakt (vergelijk Hoge Raad 9 november 2012, LJN BX0737).

Meldingsplicht ingevolge de polisvoorwaarden

4.5.

[eiser1] c.s. heeft gesteld dat het verweer van Delta Lloyd dat zij niet gehouden is tot uitkering omdat [eiser1] c.s. de bestemmingswijziging van de woning niet tijdig aan haar heeft gemeld, in een procedure zou zijn verworpen en feitelijk - nu de rechter in eerste aanleg destijds de vordering inhoudelijk heeft beoordeeld - ook is verworpen. [eiser1] c.s. verwijst in dit verband naar diverse verklaringen die in het kader van het politieonderzoek dan wel het voorlopig getuigenverhoor door verschillende mensen zijn afgelegd, waaruit naar zijn mening blijkt dat de bestemmingswijziging minder dan 30 dagen voor het ontstaan van de brand is ingetreden. In het bijzonder wordt verwezen naar verklaringen van [onderhuurder1], [A], [B], [C] en [eiser2]. Köster voert daartegenover aan dat het verweer van Delta Lloyd zou slagen, nu uit door haar genoemde verklaringen volgt dat [eiser1] c.s. niet aan de meldingsplicht heeft voldaan. Zij verwijst naar verklaringen van [onderhuurder1], [onderhuurder2] en [huurder].

Met betrekking tot de kans van slagen van dit verweer wordt het volgende overwogen.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat een hennepkwekerij kwalificeert als een (risicoverhogende) bestemmingswijziging in de zin van de polisvoorwaarden, dat [eiser1] c.s. gehouden was deze bestemmingswijziging binnen 30 dagen aan de verzekeringsmaatschappij te melden en dat daarbij niet van belang is of [eiser1] c.s. van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning op de hoogte was. Partijen verschillen echter van mening over de vraag welk moment moet worden aangemerkt als het moment waarop de bestemming van het verzekerde werd gewijzigd. [eiser1] c.s. betoogt primair dat moet worden uitgegaan van het moment waarop de hennepkwekerij in gebruik is genomen, subsidiair van het moment waarop met de aanleg van de hennepkwekerij is gestart. Köster stelt zich primair op het standpunt dat beslissend is het moment waarop de onderhuurovereenkomst is gesloten tussen [huurder] enerzijds en [onderhuurders] anderzijds, subsidiair het moment waarop [onderhuurders] met het opbouwen van de kwekerij zijn begonnen.

4.7.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een (risicoverhogende) wijziging van de bestemming van een verzekerd object, is in beginsel doorslaggevend of - en wanneer - die risicoverhoging feitelijk aanwezig is. Uitgaan van het moment waarop de aanleg is afgerond en de kwekerij in werking wordt gesteld, is in dat licht bezien onjuist, nu reeds bij de aanleg van een hennepkwekerij - zeker wanneer, zoals in dit geval, zo is niet in geschil, de voor een (bedrijfsmatige) hennepkwekerij benodigde zware uitbreiding van de elektrische installatie wordt aangelegd - sprake is van verhoogd, althans geheel ander, risico op schade dan bij een woning. Anderzijds is de enkele omstandigheid dat [onderhuurders] van aanvang af de intentie hadden in de woning een hennepkwekerij aan te leggen, zoals Köster stelt, onvoldoende om van bestemmingswijziging te spreken, nu op dat moment van feitelijke risicoverhoging nog geen sprake was. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook vanaf het moment van aanvang van de feitelijke aanleg van de hennepkwekerij sprake van een wijziging in de bestemming als bedoeld in de artikelen 23, tweede lid, onder 1, sub 1, en 41, tweede lid, onder 1, sub 1, van de polisvoorwaarden.

4.8.

Het verweer van Delta Lloyd is een zogenoemd bevrijdend verweer, waarvan Delta Lloyd in de door [eiser1] c.s. tegen haar aangespannen procedure, de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) droeg. Naar het oordeel van de rechtbank zou het verweer van Delta Lloyd zijn verworpen. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 4.10 tot en met 4.14 van het onder 2.11 genoemde vonnis van de rechtbank Arnhem en sluit zich bij de daar gegeven waardering van de verklaringen aan. De kern daarvan is dat Delta Lloyd niet kon bewijzen dat [onderhuurders] eerder dan 3 november 2004 met de (feitelijke) aanleg van de hennepplantage waren begonnen en dus niet kon bewijzen dat er op het moment van de brand meer dan 30 dagen sedert de aanvang van het installeren waren verstreken. Het door Köster in de onderhavige procedure aangevoerde geeft de rechtbank geen reden om hierover nu anders te oordelen. Beide partijen verwijzen naar hun standpunten zoals zij die destijds hebben ingenomen. Nieuwe of andere bewijzen - anders dan een verklaring van Klaas Smit die niet tot een ander oordeel noopt - dan in de eerste procedure reeds waren ingebracht, zijn niet in het geding gebracht, terwijl voorts in de onderhavige procedure geen nader bewijs is aangeboden.

Algemene mededelingsplicht

4.9.

Köster stelt, ter onderbouwing van haar verweer dat [eiser1] c.s. zijn algemene mededelingsplicht heeft geschonden en Delta Lloyd (ook) om die reden verzekeringsuitkering kon weigeren, dat [eiser1] c.s. voorafgaand aan zijn vertrek naar Guinee reeds het vermoeden had dat de huurders in de woning een hennepplantage wilden aanleggen. [eiser1] c.s. heeft dit (zowel in de eerdere procedure tegen Delta Lloyd als in de onderhavige procedure) gemotiveerd betwist en hiertegenover aangevoerd dat er weliswaar sprake was van een gevoel van onbehagen, maar dat dit gevoel niet op concrete feiten of omstandigheden was gebaseerd en daarmee onvoldoende concreet was om aan de verzekeraar te melden. Köster heeft haar stelling daarop niet nader met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, en evenmin bewijs op dit punt aangeboden. De rechtbank komt op grond daarvan tot het oordeel dat dit verweer in een door [eiser1] c.s. tegen Delta Lloyd aangespannen procedure zou zijn afgewezen.

Tussenconclusie causaal verband

4.10.

De conclusie uit het voorgaande is dat de door de rechtbank te maken schatting aan de hand van de goede en kwade kansen als hiervoor onder 4.3 bedoeld ertoe leidt dat er in de onderhavige procedure vanuit moet worden gegaan dat de vordering van [eiser1] c.s. jegens Delta Lloyd - wanneer die tijdig was ingesteld - zou zijn toegewezen en dat Delta Lloyd veroordeeld zou zijn om de schade die onder de dekking van de verzekering valt aan [eiser1] c.s. te vergoeden. De aansprakelijkheid van Köster uit hoofde van de door de advocaat gemaakte beroepsfout brengt mee dat Köster thans voor die schade aansprakelijk is jegens [eiser1] c.s.

Schade

4.11.

[eiser1] c.s. heeft vergoeding van de volgende schadeposten gevorderd:

a. opstalschade,
b. inboedelschade,
c. kosten van reiniging c.q. transport,
d. kosten van rechtsbijstand, inclusief proceskostenveroordelingen,
e. kosten ter zake van het opstellen van het schaderapport door Stam,
f. huurderving,

g. inkomstenderving.

De rechtbank zal in het navolgende de diverse schadeposten beoordelen.

4.12.

Ter zake van opstalschade (a) vordert [eiser1] c.s. onder verwijzing naar de factuur van Bouwbedrijf Mooy Timmerwerken te Wormer (hierna: Mooy) een bedrag van € 79.099,30 en hij stelt daarbij dat Mooy die werkzaamheden heeft verricht die op grond van het schaderapport van Stam nodig waren. Köster voert als verweer aan dat aannemelijk is dat in deze factuur voor een bedrag van € 14.900,00 aan niet voor vergoeding in aanmerking komende (meer)werkzaamheden is begrepen, nu uit het expertiserapport van Stam (2.10) niet blijkt dat deze onderdelen (sanitair en zolderverdieping) als gevolg van de brand moesten worden hersteld. De rechtbank zal [eiser1] in de gelegenheid stellen op dit verweer te reageren. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.13.

De door [eiser1] c.s. gevorderde inboedelschade (b) ad € 20.000,00 zal de rechtbank toewijzen, nu Ohra destijds zelf de inboedelschade heeft geraamd op dit bedrag (2.7) en Köster dit bedrag ook niet heeft betwist. Aan het verweer van Köster dat niet is gebleken van een bijzondere boekenverzameling en dat onder de polis - wanneer daarvan wel sprake zou zijn - daarvoor maximaal € 5.000,00 werd vergoed, wordt voorbijgegaan, nu [eiser1] c.s. geen vergoeding van deze boekenverzameling vordert en haar vordering op dit punt beperkt heeft tot genoemde € 20.000,00.

4.14.

De gevorderde kosten voor reiniging en transport (e) ad € 7.806,40 vallen volgens Köster onder de verzekeringspolis. Anders dan Köster nog heeft aangevoerd , heeft [eiser1] c.s. die schadepost tot dat bedrag met overlegging van facturen (producties 15 en 16) toereikend onderbouwd. Die kosten zullen daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Van de kosten voor het inschakelen van Stam (c) ad € 1.368,50 heeft Köster niet betwist dat deze als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Ook dit bedrag zal worden toegewezen.

4.15.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de posten a, b, c en e toewijzen vanaf 24 februari 2008, zijnde drie jaar na de sommatie - en daarmee stuiting van de verjaring - van de advocaat van 24 februari 2005 (2.9). Op dat moment maakte de advocaat immers de beroepsfout door niet tijdig opnieuw te stuiten, zodat ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW in verband met artikel 6:74 BW het verzuim op dat moment intrad en [eiser1] c.s. voor wat betreft de posten a, c en e door eerdere betaling van de daarop betrekking hebbende facturen de schade al had geleden en voor wat betreft de inboedel hiervoor reeds van door de brand abstract berekende schadevergoeding is uitgegaan.

4.16.

De door [eiser1] c.s. gevorderde schade ter zake van kosten van rechtsbijstand (d) wordt door Köster tot een bedrag van (€ 3.153,50 + € 2.691,92 =) € 5.773,42, voor een cassatieadvies en de kostenveroordeling van [eiser1] c.s. door het hof in het arrest (2.12), niet betwist en is daarmee toewijsbaar.

Ook de door [eiser1] c.s. betaalde griffierechten zijn toewijsbaar. De beroepsfout wegdenkend, en er aldus van uitgaande dat de vordering van [eiser1] c.s. jegens Delta Lloyd zou zijn toegewezen, zou Delta Lloyd immers in de proceskosten zijn veroordeeld en zou zij aan [eiser1] c.s. (onder meer) de griffierechten hebben vergoed. De rechtbank stelt aan de hand van de door de toenmalige advocaat aan [eiser1] c.s. doorberekende bedragen aan griffierecht (productie 28, declaraties van 6 oktober 2009 en 15 juni 2010) vast dat ter zake van griffierechten een bedrag van (€ 262,00 + € 314,00 =) € 576,00 toewijsbaar is.

Wat betreft de kosten voor de toenmalige advocaat geldt dat Köster er terecht op heeft gewezen dat deze kosten (deels) ook zouden zijn gemaakt als de beroepsfout niet was gemaakt. Delta Lloyd heeft zich immers van meet af aan op het standpunt gesteld dat zij niet tot uitkering gehouden was omdat in haar visie niet aan de meldingsplicht was voldaan. Aannemelijk is dat de procedure ook zonder de verjaringskwestie in twee instanties zou zijn gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan slechts het deel van de aan Köster betaalde vergoeding dat ziet op de werkzaamheden met betrekking tot de discussie over de verjaring als (ten gevolge van de beroepsfout geleden en daarmee voor vergoeding in aanmerking komende) schade worden aangemerkt. [eiser1] wordt in de gelegenheid gesteld om aan te geven welk gedeelte van de hem door Köster in rekening gebrachte bedragen op de discussie over de verjaring ziet en om voorts aan te geven (in verband met de gevorderde wettelijke rente) wanneer dit gedeelte is betaald. Van Köster wordt verwacht dat zij [eiser1] c.s. - desgevraagd en voor zover zij daartoe in staat is - de gegevens verstrekt die [eiser1] c.s. nodig heeft om dit deel van de schade te berekenen. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.

4.17.

De kosten van rechtsbijstand die [eiser1] c.s. ten behoeve van de onderhavige procedure moet betalen aan haar advocaat komen niet als schade voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn begrepen in en worden - afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige procedure - overeenkomstig artikel 241 Rv vergoed naar de geldende (forfaitaire) liquidatietarieven als bedoeld in artikel 239 Rv.

4.18.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser1] c.s. heeft, tegenover de betwisting ter zake van Köster, niet voldoende specifiek en onderbouwd gesteld dat hij zodanige kosten heeft gemaakt die vallen buiten de kosten van rechtsbijstand zoals hiervoor in 4.17 bedoeld.

4.19.

De door [eiser1] c.s. gevorderde schadevergoeding ter zake van huurderving (f) zal worden afgewezen bij gebreke van een afdoende onderbouwing daarvan. [eiser1] c.s. erkent dat de huurderving geen rechtstreeks gevolg is van de beroepsfout en heeft voorts niet onderbouwd op grond waarvan hij - nu hijzelf ten tijde van de brand niet in de woning woonde - op grond van het door hem genoemde artikel 19 van de verzekeringspolis aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de door [eiser1] c.s. zelf gemaakte kosten voor vervangend verblijf vanwege de brand.

4.20.

Partijen hebben gedebatteerd over de door [eiser1] c.s. gestelde causale relatie tussen de beroepsfout en de inkomstenderving (g). Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven omdat, ook indien moet worden uitgegaan van een oorzakelijk verband (met de gehele of een deel van de schade), deze schade op de voet van artikel 6: 98 BW niet als gevolg van de beroepsfout aan Köster kan worden toegerekend. De aansprakelijkheid van Köster ziet op een juridische fout gemaakt in verband met een procedure die strekt tot vergoeding van - reeds geleden - schade. Köster heeft in beginsel de gevolgen van de fout te dragen maar hem treft, gelet op de wetswijziging en de overige omstandigheden, geen flagrant verwijt. Het gestelde indirecte gevolg van de fout, te weten dat [eiser1], eenmaal geconfronteerd met de beroepsfout, daardoor zozeer was aangedaan dat dit heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid, is - naar objectief inzicht - minder voorzienbaar en kenmerkend, en staat bovendien in een verder verwijderd verband met de fout. Alles bij elkaar leidt dit tot het oordeel dat de gestelde inkomensschade niet in zodanig verband staat met de gemaakte beroepsfout, dat deze - als het causale verband al zou komen vast te staan - voor vergoeding door Köster in aanmerking komt.

4.21.

Gelet op de rolverwijzing wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2014 voor uitlating aan de zijde van [eiser1] c.s. over hetgeen hiervoor onder 4.12 en 4.16 is overwogen;

5.2.

bepaalt dat Köster op de roldatum, gelegen vier weken nadat de onder 5.1 genoemde akte is genomen, een antwoordakte mag nemen;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, mr. R.H.M. Bruin en mr. I.A.M. Tel en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.1

1 conc: 213