Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:14077

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
C/15/185515 / HA ZA 11-1001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Overname aandelen in een BV. Tekortkoming door niet nakoming garanties, althans onvolledige inlichtingen verstrekken m.b.t. begroting omzet en milieueisen. Causaal verband en redelijke toerekening. Schade door opzegging krediet door de bank(en). Schatting van de schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/185515 / HA ZA 11-1001

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

1. [A] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats 1],

2. [B],

wonende te [woonplaats 2]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.R. Dill te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAVENMEESTER VIS BEHEER B.V.,

gevestigd te Overveen, gemeente Bloemendaal,

2. [C],

wonende te [woonplaats 3],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.P. Wolf te Breda.

Partijen zullen hierna [A] Beheer, [B], Havenmeester Vis Beheer en [C] genoemd worden. [A] Beheer en [B] zullen gezamenlijk ook [A] Beheer c.s. genoemd worden. Havenmeester Vis Beheer en [C] zullen gezamenlijk ook Havenmeester Vis Beheer c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met bijlagen E1 tot en met E12 en producties E1 tot en met E78,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties G1 tot en met G17,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende wijziging van eis, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie met bijlage E13 en producties E79 tot en met E97,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met productie G18,

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met productie E98,

  • -

    het proces verbaal van de op 25 april 2013 gehouden pleidooizitting.

1.2.

De rechtbank heeft ter zitting van 25 april 2013 beslist dat de bij brief van 17 april 2013 namens Havenmeester Vis Beheer c.s. ingediende productie G19, en de bij brief van 23 april 2013 namens [A] Beheer c.s. ingediende producties E98 tot en met E103 te laat zijn ingediend en dat de rechtbank daar geen acht op zal slaan.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald. [A] Beheer c.s. heeft zich daarna, bij brief van 23 mei 2013, uitgelaten over het proces-verbaal. Aangezien voor die uitlating geen toestemming is verleend, slaat de rechtbank daarop geen acht.

2 De feiten

2.1.

Havenmeester Vis Beheer heeft op 26 april 2002 voor een koopprijs van € 2.400.000 alle aandelen in Metalcorp Industries B.V. (hierna: MCI) verkocht en geleverd aan [A] Beheer. De ter zake opgemaakte akte van levering (hierna aan te duiden met: de overeenkomst) vermeldt onder meer het volgende:

“(…) 3. Garanties verkoper

1. Verkoper garandeert koper, dat de verklaringen vermeld in lid 5 van dit artikel op heden juist, volledig en niet misleidend zijn.

2. Met inachtneming van het hierna in lid 3 bepaalde, is verkoper jegens koper aansprakelijk voor het geheel van de vermogensschade, indien een of meer van de in lid 5 van dit artikel vermelde verklaringen onjuist, onvolledig of misleidend zijn. Onder vermogensschade geleden door koper wordt mede begrepen schade, waarvan de vennootschap vergoeding zou kunnen vorderen indien de verklaringen in lid 5 van dit artikel ten behoeve van haar waren verstrekt.
Op de garanties kan door koper slechts een beroep worden gedaan tot en met een en dertig december tweeduizend drie, behoudens ten aanzien van garanties voor fiscale verplichtingen en verplichtingen voortvloeiend uit Sociale Verzekeringswetten, op welke garanties een beroep kan worden gedaan binnen de termijn gedurende welke – gerekend vanaf een januari tweeduizend twee – navorderingsaanslagen, naheffingsaanslagen, beschikkingen en/of anderszins correcties uit hoofde van deze verplichtingen kunnen worden opgelegd.
(…)

4. Koper verleent verkoper op diens verzoek inzage in alle bescheiden die relevant zijn voor het vaststellen van de aard en omvang van de eventuele aansprakelijkheid van verkoper uit hoofde van dit artikel. Koper zal zich inspannen om de schade voor verkoper ontstaan door aansprakelijkheid uit hoofde van dit artikel te beperken. Koper geeft verkoper het onvoorwaardelijk recht om verweer te voeren tegen eventuele vorderingen van derden die zullen leiden tot schade als bedoeld in dit artikel.

5. Verkoper verklaart het volgende:
(…)

Ten aanzien van de vergunningen en het milieu:

52. De vergunningen van de vennootschap zijn toereikend en geen andere vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen van welke aard ook – waaronder begrepen milieuvergunningen - dan die vergunningen worden gebruikt of zijn noodzakelijk, voor het drijven van de onderneming van de vennootschap.

(…)

55. Geen werkzaamheden zijn noodzakelijk om enige milieuvergunning te verkrijgen of in overeenstemming daarmee te handelen, er zijn geen feiten of omstandigheden waarvan aannemelijk is dat zij tot het herroepen , opschorten, intrekken wijzigen of niet-verlengen van enige milieuvergunning zullen leiden en: (…)
(…)
Overige:
(…)

64. Er zijn aan verkoper en/of de vennootschap geen feiten of omstandigheden bekend welke er toe zouden kunnen leiden dat relaties bestaande overeenkomsten zullen beëindigen.
(…)

66. Verkoper heeft aan koper alle inlichtingen verschaft waarvan hij weet of had kunnen weten dat die voor koper van belang konden zijn bij het aangaan van de koopovereenkomst en alle door verkoper aan koper verschafte inlichtingen zijn juist, volledig en niet misleidend. (…)”

2.2.

Tot het vermogen van MCI behoorden op 26 april 2002 onder meer alle aandelen in de besloten vennootschappen Rego Metaalwaren B.V., Benjamin Products B.V. en Benjamin Exploitatie B.V.

2.3.

Van de koopsom ad € 2.400.000 is bij levering € 1.550.000 betaald. Het restantbedrag van € 850.000 is bij een drietal op 26 april 2002 gedagtekende overeenkomsten omgezet in twee geldleningen van [A] Beheer aan Havenmeester Vis Beheer van samen € 700.000 en een geldlening van [B] aan Havenmeester Vis Beheer.

2.4.

Op 13 september 2001, aangevuld op 16 april 2002, heeft MCI een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer aangevraagd. Deze vergunning is verleend op 12 juni 2002 en bekendgemaakt op 23 juli 2002.

2.5.

Bij brief van 15 juli 2002 heeft [A] Beheer Havenmeester Vis Beheer aansprakelijk gesteld voor alle schade die voortvloeit uit de op 26 april 2002 door hen gesloten overeenkomst, stellend dat MCI niet voldeed aan de door de overheid gestelde milieueisen en daarmee samenhangende vergunningen, dat sprake was van verontreinigde grond, en dat de omzetverwachting en winst achterbleven ten opzichte van de begroting voor het jaar 2002.

2.6.

Op 5 augustus 2002 heeft de ING Bank aan de directie van MCI en haar dochtervennootschappen geschreven:

“(…) Hierdoor delen wij u mede dat de ING Bank NV tot haar spijt heeft moeten vaststellen dat het ondernemingsplan, waarop zij de continuatie van de kredietverlening in april 2002 heeft gebaseerd, niet een juiste weergave was van de feitelijke financiële situatie van die ondernemingen.

In afwijking van het oorspronkelijk ondernemingsplan werd geconstateerd:

 Dat de prognose voor 2002 op geen enkele wijze kan worden gerealiseerd;

 De opgestelde prognose, o.a. gebaseerd op onderhanden werken, wordt slechts deels gerealiseerd terwijl de kostenkant van dien aard is dat een positieve rentabiliteit als utopisch dient te worden beschouwd;

 daarnaast blijkt thans dat ondanks de bij de notaris gedane uitspraak dat met betrekking tot de milieuvergunning er geen problemen waren, deze er toch al waren doordat de bestaande vergunning was verlopen en de nieuwe nog niet was verleend;

 dat daarnaast de waarde van het ondergezette onroerend goed discutabel is geworden vanwege het feit dat er sprake is van bodemverontreiniging, waardoor er extra kosten gemaakt zullen moeten worden om aan de bestaande wetgeving te kunnen voldoen.

Zou de bank bovenstaande informatie eerder hebben bereikt, dan zou zij zeker niet tot continuatie van de kredietverlening zijn overgegaan.

Gelet op de beschikbaarheid van de huidige gegevens moet geconstateerd worden dat aan een faillissement van een of meerdere van de tot de kredietfaciliteit behorende rechtspersonen niet valt te ontkomen.

Op grond hiervan hebben wij moeten besluiten om bij dezen en met onmiddellijke ingang het u in rekening-courant of anderszins verleende krediet te moeten opzeggen (…)”

MCI en haar dochtervennootschappen hebben in deze opzegging berust.

2.7.

Op 20 augustus 2012 zijn Benjamin Products B.V. en Rego Metaalwaren B.V. op aanvraag van [A] Beheer failliet verklaard. In zijn verslag van 24 januari 2003 onder ‘IV Overige zaken’ schrijft de curator in het faillissement van Benjamin Products B.V.:

“(…) De bestuurder kan mogelijk onbehoorlijk bestuur worden verweten nu de liquiditeitspositie en de vooruitzichten ten tijde van de faillissementsaanvraag zodanig waren dat het aanvragen van het faillissement niet gerechtvaardigd was. Echter nu de crediteuren naar het zich laat aanzien volledig kunnen worden voldaan heeft de curator er geen belang bij om de bestuurder ter zake aansprakelijk te stellen (…)”

2.8.

Door verkoop van de door [A] Beheer gehouden aandelen in de onderneming Sun Spring B.V. (verder: Sun Spring) heeft [A] Beheer gelden vrijgemaakt om de bankschuld aan de ING Bank af te lossen.

2.9.

Tot zekerheid van betaling van de vordering van € 850.000 op [A] Beheer heeft Havenmeester Vis Beheer, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, in oktober 2002 beslag gelegd op bezittingen van [A] Beheer c.s. Dit beslag is opgeheven nadat [A] Beheer ter zake van die € 850.000 aan Havenmeester Vis Beheer c.s. een bankgarantie had verstrekt.

2.10.

[A] Beheer heeft Havenmeester Vis Beheer c.s. gedagvaard in verband met gestelde schending van garanties uit de overeenkomst en in verband met een door haar buitengerechtelijk ingeroepen ontbinding van de overeenkomst. Bij arrest van 31 augustus 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BO1294) heeft het gerechtshof te Amsterdam (verder: het gerechtshof) in hoger beroep onder meer het volgende overwogen en geoordeeld:

“(…)
De toekomstverwachtingen ten aanzien van de omzet

(…)

3.17 Naar het oordeel van het hof volgt uit de getuigenverklaringen en de door [A] Beheer overgelegde producties dat Havenmeester Vis Beheer [A] Beheer onvolledig heeft ingelicht omtrent de begroting voor 2002. Dat is in strijd met de in artikel 3 lid 5 onder 64 en 66 gegeven garanties.
(…)

3.18 (…)

Deze omstandigheid doet er bovendien niet aan af dat Havenmeester Vis Beheer onjuiste inlichtingen heeft verschaft nu van een aantal afnemers waarop de begroting was gebaseerd al duidelijk was dat die in 2002 niet of voor veel minder omzet voor de dochterondernemingen van MCI zouden zorgen. (…)
In hoeverre een en ander op de hoogte van een schadevergoeding van invloed is zal in de schadestaatprocedure moeten blijken. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat Benjamin en Rego failliet zijn verklaard op verzoek van [A] Beheer.

3.19

Een en ander leidt het hof ertoe te oordelen dat Havenmeester Vis Beheer de garanties zoals opgenomen in artikel 3 lid 5 onder 64 en 66 heeft geschonden. (…)
De toekomstverwachtingen ten aanzien van de kosten
(…)
3.24 Met Havenmeester Vis Beheer is het hof van oordeel dat ten aanzien van de bodemverontreiniging niet kan worden gesproken van een schending van de garanties in de akte van verkoop en levering. (…)
Anders is dat evenwel met betrekking tot de bouwkundige eisen die gesteld worden om aan de nieuwe milieuvergunning te voldoen. In artikel 5 lid 3 onder 52 van de akte van verkoop en levering heeft Havenmeester Vis Beheer gegarandeerd dat de vergunningen van de vennootschappen toereikend zijn en onder 55 van dat artikellid dat geen werkzaamheden nodig zijn om enige milieuvergunning te verkrijgen of in overeenstemming daarmee te handelen en er geen feiten of omstandigheden zijn waarvan aannemelijk is dat zij tot het herroepen , opschorten, intrekken wijzigen of niet-verlengen van enige milieuvergunning zullen leiden. Verder heeft Havenmeester Vis Beheer gegarandeerd dat alle gepaste of noodzakelijke maatregelen voor het vernieuwen of verlengen van enige milieuvergunning zijn genomen.

(…)

3.32

Uit de door [A] Beheer bij akte na dagvaarding overgelegde producties blijkt naar oordeel van het hof voldoende duidelijk dat het verboden was om ongezuiverde vloeistof die in het lakproces werd gebruikt, zonder verdere bewerking te lozen op de riolering. Voor dat zuiveringsproces heeft (de dochter van) MCI bij wijze van proef kennelijk een centrifuge gebruikt die zij evenwel om haar moverende redenen begin 2002 heeft geretourneerd. Weliswaar eiste het Hoogheemraadschap blijkens zijn brief van 3 december 1999 geen WVO-vergunning maar uit de brief blijkt ook dat dit samenhangt met de bijzondere omstandigheid dat geen afvalwater via de ontvettings-/fosfateerstraat wordt geloosd omdat zowel de waterleiding als de aansluiting naar de gemeentelijke riolering zijn ontkoppeld van de ontvettings-/fosfateerstraat. Hoe de kennelijk vervuilde vloeistof dan wel werd afgevoerd, heeft Havenmeester Vis Beheer niet duidelijk gemaakt; in tegendeel, aannemelijk is zelfs dat illegaal toch op het riool werd geloosd. Duidelijk is slechts dat het afvalwater niet zonder bewerking op het riool mag worden geloosd, Havenmeester Vis Beheer tot begin 2002 kennelijk op proef over een geleende centrifuge beschikte om dat probleem te verhelpen en nadien – hooguit – een subsidie-aanvraag voor een alternatief zuiveringssysteem heeft gedaan. [C] heeft als getuige verklaard dat hij “de pomp” in maart 2002 heeft teruggestuurd omdat hij de investering (waarmee het hof aanneemt dat [C] bedoelt: de investeringsbeslissing) aan [A] Beheer wilde overlaten, zonder deze daarop overigens vooraf te wijzen. Daarmee handelde Havenmeester Vis Beheer in strijd met de garantie van artikel 3 lid 5 onder 52.
(…)

3.35

Het hof komt daarmee tot de conclusie dat Havenmeester Vis Beheer op een aantal van de hierboven genoemde punten te kort geschoten is in de nakoming van haar garantieverplichting uit de akte van verkoop en levering. Nu ingevolge artikel 4 lid 5 van die akte partijen afstand hebben gedaan om op enige grond ontbinding en/of vernietiging van de koopovereenkomst en levering te vorderen resteert het beroep op vergoeding van schade. Deze zal zoals meer subsidiair gevorderd nader op moeten worden gemaakt bij staat. Daarbij komt dan ook de vergoedingsplicht ten aanzien van buitengerechtelijke kosten aan de orde.

Aansprakelijkheid van [C] in privé

3.36

Naar oordeel van het hof valt [C] persoonlijk een ernstig verwijt te maken dat aan de garanties door Havenmeester Vis Beheer niet is voldaan. Hij had het als enig aandeelhouder en (statutair) directeur volledig in zijn macht om [A] Beheer ter zake deugdelijk voor te lichten en ervoor zorg te dragen dat Havenmeester Vis Beheer wel aan de garantieverplichtingen zou voldoen. Door daarvoor onvoldoende zorg te dragen en in plaats daarvan, zonder voldoende zwaarwegende gronden, volstrekt te verhinderen dat [A] Beheer informatie inwon bij de werknemers van (de dochters van) MCI, althans in ieder geval bij de daarvoor meest aangewezen persoon, bedrijfsleider De Peijper, en bovendien de beslissing ten aanzien van een milieu-investering met betrekking tot de afvalwaterverwerking aan [A] Beheer over te laten zonder deze daarover deugdelijk te informeren, treft [C] een ernstig persoonlijk verwijt en heeft hij aldus onrechtmatig jegens [A] Beheer gehandeld. De schade die daarvan het gevolg is dient door hem, na begroting in de schadestaatprocedure, te worden vergoed.

3.37

Havenmeester Vis Beheer en [C] zullen dan ook hoofdelijk tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat ten gevolge van de hiervoor genoemde tekortkoming in de garantieverplichtingen worden veroordeeld. (…)

(…)

Het vonnis van 14 december 2005

(…)

3.46

Bij behandeling van deze grieven heeft [A] Beheer evenmin nog belang. Naar haar eigen stelling was de koopprijs immers gebaseerd op de toekomstverwachting die weer werd gevoed door de (omzet)begroting voor 2002. Ten aanzien van de met deze begroting samenhangende informatie heeft het hof al geoordeeld dat Havenmeester Vis Beheer de garanties heeft geschonden. Uit enig niet getrouw beeld geven van de jaarrekening is daarnaast geen schade voortgevloeid, althans dat is door [A] Beheer onvoldoende gemotiveerd aangegeven.

(…)

4. Beslissing

Het hof: (…) opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Havenmeester Vis Beheer c.s., hoofdelijk, tot vergoeding van de door [A] Beheer geleden schade ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de uit de akte van verkoop en levering voortvloeiende garantieverplichtingen zoals door het hof hiervoor overwogen, nader op te maken bij staat;
(…)

wijst het meer of anders gevorderde af. (…)”

2.11.

Het gerechtshof heeft voorts nog overwogen:

“(…) 3.54 (…) [A] Beheer heeft zich terecht op opschorting van haar betalingsverplichting beroepen, zodat de rechtbank ten onrechte [A] Beheer in reconventie heeft veroordeeld tot terugbetaling van de lening. Dat brengt mee dat de vordering zoals gewijzigd in appel tot een bedrag van € 850.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente zoals die door Havenmeester Vis Beheer c.s. is geïncasseerd toewijsbaar is (…). Het bedrag dat Havenmeester Vis Beheer c.s. ingevolge het vonnis in eerste aanleg hebben geïncasseerd dienen zij terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop zij heeft geïncasseerd tot de dag waarop volledig is terugbetaald. (…)”

3 De vordering in conventie

3.1.

[A] Beheer c.s. vordert, na een toegelaten wijziging van eis, veroordeling van Havenmeester Vis Beheer c.s. tot betaling aan [A] Beheer c.s. van:

3.1.1.

primair, betaling aan [A] Beheer c.s. van een bedrag groot:

A) € 7.209.579,97, vermeerderd met wettelijke rente en kosten; alsmede

B) € 1.631.000, zijnde de gederfde winsten van MCI over de jaren 2002 tot en met 2009, en € 2.370.000 wegens over dezelfde periode gederfde winsten van Sun Spring, vermeerderd met wettelijke rente en kosten; alsmede

C) de kosten van het onder Havenmeester Vis Beheer c.s. gelegde beslag;

3.1.2.

subsidiair

€ 1.400.000 wegens waardedaling van de aandelen in MCI, alsmede

€ 5.796.136,50 wegens overigens geleden schade vermeerderd met wettelijke rente en kosten waaronder ook de kosten van het onder Havenmeester Vis Beheer c.s. gelegde beslag;

3.1.3.

meer subsidiair

€ 1.400.000 wegens waardedaling van de aandelen in MCI, alsmede

€ 5.796.136,50 wegens overigens geleden schade vermeerderd met wettelijke rente en kosten waaronder ook de kosten van het onder Havenmeester Vis Beheer c.s. gelegde beslag;

3.1.4.

meest subsidiair

€ 1.630.000 gederfde winsten over 2002 tot en met 2009 in MCI, alsmede

€ 2.370.000 gederfde winsten over 2002 tot en met 2009 in Sun Spring,

althans door de rechtbank vast te stellen bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en kosten waaronder ook de kosten van het onder Havenmeester Vis Beheer c.s. gelegde beslag.

3.1.5.

Met veroordeling van gedaagden in conventie in de kosten van beide procedures.

3.2.

[A] Beheer c.s. stellen dat zij in totaal de volgende – nog met pm-posten te vermeerderen - schade heeft geleden:

1. Verwervingskosten MCI € 103.612,13

2. Ten onrechte in 2002 geboekte betalingen “ 110.258,87

3. Aanvullende kosten binnen MCI “ 23.301,32

4. Waardeverlies aandelen MCI “ 1.413.443,49

5. Betaalde rente ivm financiering ING “ 112.099,02

6. Gederfde rente ivm bankgarantie “ 95,603,81

7. Schade MCI 2002 t/m 2010 “ 291.976,39

8. Schade verkoop aandelen Sun Spring “ 4.017.866,04

9. (Buiten-) gerechtelijke kosten “ 366.071,62

10. Gederfde inkomsten [A] Beheer c.s. “ 275.347,28

11. Immateriële schadevergoeding [B] “ 200.000

12. Schade door niet meer kunnen ondernemen “ 200.000 +

Totaal € 7.209.579,97

4 De vordering in reconventie

4.1.

Havenmeester Vis Beheer c.s. vordert dat [A] Beheer c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling aan Havenmeester Vis Beheer c.s. van een bedrag van € 850.000, vermeerderd met contractuele rente van 7,5% subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf 26 april 2002, vanaf 9 augustus 2002, dan wel vanaf 1 februari 2012. Ook vordert Havenmeester Vis Beheer c.s. op straffe van een dwangsom opheffing van ten laste van haar gelegde beslagen, een en ander met veroordeling van [A] Beheer c.s. in de kosten van beide procedures.

4.2.

Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de opschortingsbevoegdheid van [A] Beheer niet verder gaat dan de vaststelling van de omvang van haar schadevergoedingsverplichting in conventie, zodat [A] Beheer de openstaande lening in verband met de koop van MCI thans dient te voldoen. Daarnaast acht zij op grond van de in conventie tegen de schadevergoedingsvordering gerichte verweren de beslagen zonder grond gelegd, zodat die moeten worden opgeheven.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

De onderhavige schadestaatprocedure strekt tot tenuitvoerlegging van het op 31 augustus 2010 door het gerechtshof gewezen arrest. [B] was bij die procedure geen partij en kan aan dat arrest geen rechten ontlenen. Om deze reden kan [B] niet in zijn conventionele eis worden ontvangen, nog daargelaten dat het gerechtshof aansprakelijkheid van Havenmeester Vis Beheer c.s. jegens [B] en een verplichting tot schadevergoeding van Havenmeester Vis Beheer c.s. jegens [B] ook helemaal niet heeft vastgesteld. Dit betekent dat de schadeposten, voor zover zij berusten op de stelling dat [B] (persoonlijk) schade heeft geleden, met name de in r.o. 4.2 onder (10) en (11) beschreven schadeposten, geen bespreking behoeven.

5.2.

In zijn hiervoor genoemde arrest van 31 augustus 2010 heeft het gerechtshof de kaders voor deze procedure aangegeven. In deze procedure moet de omvang worden vastgesteld van de schadevergoedingsverplichting wegens het feit dat Havenmeester Vis Beheer de garanties weergegeven in de punten 52, 55, 64 en 66 in artikel 3 van de overeenkomst heeft geschonden door (1) onvolledige inlichtingen te verstrekken aan [A] Beheer omtrent de begroting van MCI voor 2002 en de bestendigheid van relaties van MCI, en (2) doordat bouwkundige eisen werden gesteld om aan de nieuwe milieuvergunning te voldoen en (3) doordat MCI in verband met noodzakelijke lozingen niet handelde in overeenstemming met de voorwaarden van haar milieuvergunningen (hierna ook: ‘de drie tekortkomingen’).

5.3.

In rechtsoverweging 3.2 van zijn hiervoor aangehaalde arrest heeft het gerechtshof de vordering tot ontbinding en/of vernietiging van de overeenkomst afgewezen. Daarom biedt het arrest, anders dan [A] Beheer thans vordert, geen grondslag voor een vergelijking van de situatie na sluiting van de overeenkomst - met de tekortkomingen - met de situatie alsof de overeenkomst in het geheel niet was gesloten. De rechtbank zal daarom de schadevergoeding vaststellen door de situatie waarin [A] Beheer zich thans in de situatie met de drie tekortkomingen bevindt te vergelijken met de situatie die bij correcte nakoming van de overeenkomst zou bestaan. Voor zover sprake is van een causaal verband, in de zin van een sine qua non verband, tussen de drie tekortkomingen en de schade in de zin van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (voor wat betreft Havenmeester Vis Beheer) en 6:162 BW (voor zover het Vis betreft), vormt het verschil tussen beide, de omvang van de schade die Havenmeester Vis Beheer B.V. c.s. dient te vergoeden.

5.4.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat, gelet op artikel 6:98 BW, voor vergoeding slechts schade in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de drie tekortkomingen waarop de aansprakelijkheid van Havenmeester Vis Beheer c.s. berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze tekortkomingen kan worden toegerekend (het criterium van de ‘redelijke toerekening’).

5.5.

De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of juist is de stelling van [A] Beheer dat, nog daargelaten of wel sprake is van een conditio sine qua non verband tussen de drie tekortkomingen en de opzegging, de opzegging van het krediet door de ING Bank en het daarna gevolgde faillissement van de dochtervennootschappen van MCI aan (een van) de drie tekortkomingen is toe te rekenen.

5.6.

In de brief van 5 augustus 2002, waarbij de ING Bank het krediet aan MCI heeft opgezegd, schrijft die bank dat aan het faillissement van een of meerdere vennootschappen niet valt te ontkomen. Een van de gronden waarop de ING Bank is overgegaan tot het intrekken van de kredietfaciliteit was dat er geen milieuvergunning zou zijn verleend. Gelet op de toekenning van een dergelijke vergunning op 12 juni 2002 is dat een onjuist uitgangspunt. Een andere grond voor intrekking van de kredietfaciliteit was volgens de ING Bank dat de waarde van het ondergezette onroerend goed, eigendom van een van de dochtervennootschappen van MCI, waarin de ondernemingen werden gedreven, discutabel was geworden door bodemverontreiniging. Gesteld noch gebleken is echter dat ten aanzien van de bedrijfsterreinen van MCI een plicht tot bodemsanering bestond. Enige aanwezigheid van bodemverontreiniging heeft het gerechtshof ook niet als schending van een garantieverplichting aangemerkt. De overige twee gronden voor intrekking van de kredietfaciliteit waren gelegen in de (on)mogelijkheid om de omzet- en winstprognose voor 2002 te realiseren. Op dat punt is van belang dat de curator in het faillissement van Benjamin Products B.V. blijkens het faillissementsverslag van 24 januari 2003, de faillissementsaanvraag niet gerechtvaardigd achtte, gezien de liquiditeitspositie en de vooruitzichten ten tijde van de faillissementsaanvraag. MCI en haar dochtervennootschappen hebben berust in de opzegging van het krediet door de ING Bank, maar gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat, zoals Havenmeester terecht heeft aangevoerd, niet aannemelijk is dat deze opzegging in rechte stand had gehouden. Voorts acht de rechtbank minst genomen het opzeggen van het krediet door de ING Bank in augustus 2002, gelet op de niet valide redenen daarvoor, niet redelijkerwijs voorzienbaar voor Havenmeester Vis Beheer c.s. Het gaat hier voorts uitsluitend om vermogensschade als gevolg van tekortkomingen aan de zijde van Havenmeester Vis Beheer c.s. in het handelsverkeer tussen ondernemers, c.q. ondernemingen.

5.7.

De conclusie is dat de opzegging van het krediet door de ING Bank en het faillissement van de dochtervennootschappen in een te ver verwijderd verband van de drie tekortkomingen staan, om daardoor eventueel geleden schade redelijkerwijs aan Havenmeester Vis Beheer c.s. te kunnen toerekenen. De rechtbank wijst daarom af de vordering tot vergoeding van door [A] Beheer geleden schade die - naar [A] Beheer stelt - voortkomt uit die opzegging en de faillissementen. Dat betekent dat niet voor vergoeding in aanmerking komt de (gesteld) geleden schade die voortkomt uit (8) de verkoop van aandelen in Sun Spring, (12) de schade die voortkomt uit het niet meer kunnen ondernemen zonder bankkrediet, en (10) de schade die voortkomt uit inkomstenverlies van [A] Beheer doordat [B] onvoldoende voor haar kon werken, welke schadeposten volgens [A] Beheer een rechtstreeks gevolg van de kredietopzegging door de ING Bank zouden zijn. De daarnaast – zowel bij het primair als het meest subsidiair gevorderde – nog gevorderde winstderving door MCI en Sun Spring in latere jaren komen om dezelfde reden evenmin voor vergoeding in aanmerking.

5.8.

In het hiernavolgende behandelt de rechtbank de overige posten van de hiervoor in overweging 3.2. opgenomen schadestaat.

5.9.

De kosten gemoeid met (1) verwerving door [A] Beheer van MCI zijn niet toe te rekenen aan de drie tekortkomingen. Deze kosten houden verband met aankoop zelf en zouden ook bij correcte nakoming van de overeenkomst van 26 april 2002 zijn gemaakt. Het ter zake gevorderde bedrag van € 103.612,13 is daarom niet toewijsbaar. Dat geldt evenzeer voor post (5), de betaalde financieringsrente van € 112.099,92.

5.10. (

Gesteld) onterecht door [C], in de tijd dat hij nog bestuurder was, als kosten geboekte betalingen zijn niet toe te rekenen aan de drie tekortkomingen, nu de door het gerechtshof vastgestelde, in dit verband hooguit relevante, door Havenmeester Vis Beheer c.s. geschonden garantie betrekking had op een omzetbegroting en niet op enige declaratie of boeking van kosten. Het onder post (2) gevorderde bedrag van € 110.258,87 zal daarom niet worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor post (3), aanvullende kosten binnen MCI, groot € 23.301,32, welke volgens de toelichting ziet op rente en kosten van door MCI aangegane leningen.

5.11.

De als (4) waardeverlies van aandelen in MCI gevorderde schadepost staat wel in causaal verband met (een van) de drie tekortkomingen. De omzetbegroting die door Havenmeester Vis Beheer c.s. aan [A] Beheer is verschaft en die door het gerechtshof onjuist is bevonden, vermeldt een hogere omzet over 2002 dan bij een realistische omzetbegroting aan [A] Beheer zou zijn voorgespiegeld. Op die omzetverwachting en daaruit voortvloeiende capaciteit tot aflossing op de financiering van de aankoop, heeft [A] Beheer mede haar aankoopprijs bepaald. Het bedrag dat [A] Beheer bij een juiste voorstelling van zaken in de omzetbegroting 2002 minder zou hebben betaald voor de aandelen weerspiegelt dan ook de schade die zij door de tekortkoming heeft geleden. De stellingen van [A] Beheer bevatten geen aanknopingspunten voor de wijze waarop een deskundige die daardoor geleden schade zou kunnen begroten. De rechtbank ziet, anders dan door [A] Beheer verzocht, daarom geen aanleiding om een deskundige opdracht te geven om deze waardevermindering te kwantificeren. Daar komt nog bij dat door het faillissement gegevens over het daadwerkelijk gerealiseerde resultaat over geheel 2002 ontbreken, zodat toetsing van een realistische omzetprognose niet goed mogelijk is. De rechtbank zal deze schadepost daarom moeten schatten. Voor die schatting beschikt de rechtbank wel over enige gegevens, waaronder een rapportage van de hand van mr. [D] (verder: [D]) werkzaam bij Arep Accountants en Belastingadviseurs B.V. van 31 juli 2002, waarin de gegevens over de litigieuze omzetbegroting 2002 zijn opgenomen. Havenmeester Vis Beheer c.s. heeft de betreffende bevindingen van [D], die overigens van haarzelf afkomstig zijn, onvoldoende weersproken. De omzetbegroting van Havenmeester Vis Beheer c.s. vermeldt een circa € 500.000 hogere omzet, dan [D] met actuelere gegevens in juli 2002 voor 2002 begrootte, en een circa € 240.000 groot positief resultaat, terwijl [D] over heel 2002 tot een negatief resultaat kwam. De rechtbank acht het realistisch er van uit te gaan dat [A] Beheer bij zijn aankoopbeslissing op basis van die omzetprognose redelijkerwijs niet verder dan circa drie tot vier jaar vooruit kon kijken. Op die basis schat de rechtbank de schade ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de uit de akte van verkoop en levering voortvloeiende garantieverplichtingen in goede justitie op € 800.000.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat [A] Beheer geen concrete schadepost heeft opgenomen in haar schadestaat die rechtstreeks is te relateren aan de tekortkomingen in verband met de bouwkundige eisen op grond van een milieuvergunning of kosten in verband met (voorkomen van) de lozingen. De door haar nog wel genoemde, door de overnemende partij Post later nog gesteld gemaakte kosten ter zake, heeft zij niet zelf als schade geleden. Voor toekenning van enige schadevergoeding in verband met deze schadeposten is daarom geen plaats.

5.12.

De onder (7) gevorderde schade van MCI over de periode 2002 t/m 2010 ziet op in de procedure tegen haar adviseur Witlox gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn echter het gevolg van een gestelde tekortkoming aan de zijde van Witlox en niet van de drie tekortkomingen. Verder wordt aan de onder (7) gevorderde schade ten grondslag gelegd dat MCI ten gevolge van het faillissement van haar dochtervennooschappen van MCI geen rendement van aflossingen heeft gehad. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 5.8 oordeelt de rechtbank dat die schade niet kan worden aangemerkt als een gevolg van de drie tekortkomingen.

5.13.

De kosten in post (6) die verband houden met het stellen van een, achteraf bezien, onterecht afgegeven bankgarantie kunnen wel worden toegerekend aan de toerekenbare tekortkomingen. De stelling van [A] Beheer dat daarnaast aanspraak bestaat op vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarvoor de bankgarantie is verstrekt, vindt geen steun in het recht in een geval als het onderhavige waarin over het bedrag van de bankgarantie geen rente is gederfd. De overige kosten van de bankgarantie, door B.A,K. Beheer gesteld op € 790,20 en door Havenmeester Vis Beheer c.s. onvoldoende betwist, komen wel voor vergoeding in aanmerking.

5.14.

Bij post (9) vordert [A] Beheer vergoeding van (buiten)gerechtelijke kosten gemaakt sedert 2002. Voor zover die kosten zien op kosten van rechtsbijstand tijdens de procedures voor de rechtbank en het gerechtshof, komen die niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking. Het gerechtshof heeft daarvoor reeds op grond van het liquidatietarief kostenveroordelingen toegekend, zodat er daarnaast gelet op artikel 6:96 BW in verband met artikel 241 Rv voor een nadere vergoeding daarvan geen plaats is. Daarnaast acht de rechtbank wel aannemelijk dat [A] Beheer na afloop van de procedure bij het gerechtshof en voorafgaand aan onderhavige procedure nog buitengerechtelijke kosten gemaakt heeft. De rechtbank kent aan [A] Beheer c.s. hiervoor op basis van het Rapport BGK integraal 2013, nu die kosten niet anderszins nader zijn gespecificeerd, op basis van de staffel in dat rapport, een vergoeding toe van € 5.799.

5.15.

De rechtbank ziet, anders dan Havenmeester Vis Beheer c.s. nog heeft aangevoerd, geen grond voor toerekening van een deel van de schade aan [A] Beheer wegens eigen schuld, omdat Havenmeester Vis Beheer, nu geen schadevergoeding in verband opzegging van krediet of de faillissementen wordt toegekend, daarvoor te weinig heeft gesteld. Daarnaast is er in conventie geen grond voor verrekening met de in reconventie gevorderde betaling op grond van de lening, omdat het totale bedrag waarop Havenmeester Vis Beheer recht heeft niet eenvoudig is vast te stellen.

5.16.

De slotsom is dat Havenmeester Vis Beheer c.s. zal worden veroordeeld tot betaling aan [A] Beheer van een bedrag groot € 800.000, € 790,20 en € 5.799 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf respectievelijk 15 juli 2002 en tweemaal 25 augustus 2012, de dag van dagvaarding.

5.17.

De rechtbank zal de proceskosten tussen [A] Beheer en Havenmeester Vis Beheer c.s. compenseren omdat beide partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld. De schadevordering van [A] Beheer is immers grotendeels afgewezen, terwijl Havenmeester Vis Beheer c.s. algehele afwijzing van enige schadevergoeding hadden gevorderd.

De rechtbank zal voorts [B] veroordelen in de proceskosten die Havenmeester Vis Beheer c.s. in de procedure tegen hem heeft moeten maken. De rechtbank begroot die kosten op de helft van het betaalde griffierecht, zijnde de helft van € 3.715 = € 1.657.50, en de helft van (3 punten maal tarief VI, dat is gerelateerd aan de op [B] persoonlijk betrekking hebbende schadeposten) € 6.000 = € 3.000.

De door [A] Beheer gevorderde vergoeding van de kosten, voor de - zoals in reconventie zal blijken - vooralsnog niet ten onrechte gelegde beslagen, komt op de voet van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor toewijzing in aanmerking tot een bedrag van € 6.407,63.

in reconventie

5.18.

[A] Beheer c.s. voeren als meest verstrekkend verweer tegen de eis in reconventie aan dat het instellen van een eis in reconventie in een procedure als de onderhavige niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dat verweer. Wat er zij van de door [A] Beheer B.V. aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis, in onderhavig geval is er voldoende samenhang tussen de reconventionele eis die ook als verrekenverweer is gevoerd in conventie, en de schadevordering in de hoofdzaak, die immers beide uit dezelfde overeenkomst voortvloeien, dat de eis in reconventie in deze schadestaatprocedure toelaatbaar is. Daar komt nog bij dat die eis ook in de procedure tot vaststelling van aansprakelijkheid reeds aan de orde was. De tekst van artikel 136 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzet zich ook niet tegen het toestaan van de reconventie in deze procedure. De rechtbank acht Havenmeester Vis Beheer B.V. c.s. daarom ontvankelijk in hun reconventionele eis.

5.19.

Aan de uitoefening van haar opschortingsbevoegdheid heeft [A] Beheer c.s. geen verdergaande acties verbonden, zodat de verplichting tot de betaling van de geleende bedragen is blijven bestaan. [A] Beheer c.s. betwist de verplichting tot betaling van die bedragen in wezen ook niet en heeft zij met die verplichting bij haar begroting van de schade in conventie ook rekening willen houden. Met de vaststelling van de omvang van de schadevergoedingsplicht en de verplichting tot betaling daarvan ontvalt voor [A] Beheer c.s. het belang bij verdere opschorting voor zover sprake is van wederzijdse betalingsverplichtingen die voor verrekening in aanmerking komen. Daarvan is in dit geval sprake. [A] Beheer c.s. heeft voorts niet bestreden dat zij over de geleende bedragen contractueel rente is verschuldigd en dat die rente 7,5% bedraagt. Volgens de overgelegde contracten is over een geleend bedrag van € 400.000 voor het jaar 2002 geen rente verschuldigd, zodat de rente over dat bedrag is gaan lopen vanaf 1 januari 2003. De rente over de andere bedragen is blijkens de overgelegde contracten gaan lopen vanaf 26 april 2002. [A] Beheer c.s. heeft ook niet bestreden dat zij, zoals Havenmeester Vis Beheer c.s. heeft gevorderd, hoofdelijk verbonden is voor deze verbintenis. De eis in reconventie moet dan ook in die zin worden toegewezen, dat [A] Beheer c.s. wordt veroordeeld tot betaling aan Havenmeester Vis Beheer c.s. van het bedrag groot € 850.000, vermeerderd met de contractuele rente als hiervoor overwogen.

5.20.

De vordering tot opheffing van de ten laste van Havenmeester Vis Beheer c.s. gelegde beslagen moet worden afgewezen. Havenmeester Vis Beheer c.s. heeft die vordering niet nader concreet onderbouwd. Nu er in conventie een veroordeling tot betaling door Havenmeester Vis Beheer volgt, is het conservatoir beslag terecht gelegd. De rechtbank tekent daarbij wel aan dat nog de vraag is in hoeverre er na verrekening van het in reconventie toe te wijzen bedrag met de betalingsverplichting in conventie er een vordering voor B.A.K Beheer resteert waarvoor beslagen goederen kunnen worden uitgewonnen.

5.21.

B.A.K Beheer c.s. dient in reconventie als grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van Havenmeester Vis Beheer c.s. begroot op (2 punten – de rechtbank ziet geen aanleiding voor het door B.A.K Beheer c.s. in conventie gevraagde pleidooi in reconventie een punt toe te kennen - * € 2.580 =) € 5.160.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

verklaart [B] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

6.2.

veroordeelt Havenmeester Vis Beheer c.s. hoofdelijk tot betaling aan [A] Beheer van een bedrag groot € 800.000 (zegge: achthonderdduizend euro) (schadepost waardeverlies aandelen MCI) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juli 2002 tot aan de dag der algehele betaling;

6.3.

veroordeelt Havenmeester Vis Beheer c.s. tot betaling aan [A] Beheer B.V. van een bedrag groot € 790,20 (zegge: zevenhonderdennegentig euro en twintig cent) (schadepost kosten van een bankgarantie), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012 tot aan de dag der algehele betaling;

6.4.

veroordeelt Havenmeester Vis Beheer B.V. c.s. tot betaling aan [A] Beheer B.V. van de buitengerechtelijke kosten groot € 5.799 (zegge: vijfduizend zevenhonderdennegenennegentig euro), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012;

6.5.

veroordeelt [B] tot vergoeding aan Havenmeester Vis Beheer c.s. van de proceskosten aan de zijde van Havenmeester Vis Beheer c.s., begroot op € 4.657.50;

6.6.

veroordeelt Havenmeester Vis Beheer c.s. tot vergoeding aan [A] Beheer van de kosten van de gelegde bedragen tot een bedrag van € 6.407,63;

6.7.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

6.9.

veroordeelt [A] Beheer B.V. tot betaling aan Havenmeester Vis Beheer B.V. c.s. van het openstaande deel van de koopsom voor aandelen in MCI, groot € 850.000 (zegge: achthonderdenvijftig duizend euro), vermeerderd met contractuele rente van 7,5% over € 450.000 vanaf 26 april 2002 en over € 400.000 vanaf 1 januari 2003;

6.10.

veroordeelt B.A.K Beheer B.V. c.s. in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van Havenmeester Vis Beheer B.V. c.s. begroot op € 5.160;

6.11.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

6.12.

wijst af het meer of overigens gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.M. Bruin, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. J. Snitker en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 Conc.: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.