Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13545

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
2578115 / EJ VERZ 13-239
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

KLM, VNV en Martinair hebben op grond van artikel 96 RV gezamenlijk de vraag aan de kantonrechter ter beantwoording voorgelegd, of het tussen hen gesloten Ringvaartakkoord houdende integratie van de vliegerskorpsen van KLM en Martinair, al dan niet is geëindigd per 31 december 2013 als gevolg van de eenzijdige opzegging door VNV. De vraag betreft met name de door VNV hierbij in acht te nemen opzegtermijn. De kantonrechter oordeelt dat artikel 19 lid 2 WCAO in dit specifieke geval toepassing mist. Voorts oordeelt zij met toepassing van onder meer het Haviltexcriterium, dat het Ringvaartakkoord ten aanzien van de in acht te nemen opzegtermijn een leemte bevat en dat de door VNV gehanteerde opzegtermijn van 2 maanden redelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0016

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 2578115 / EJ VERZ 13-239

datum uitspraak: 23 december 2013

VONNIS

inzake

Koninklijke Luchtvaartmaatschappij KLM N.V.

hierna KLM,

gemachtigde mr. J.M. van Slooten, advocaat,

Martinair Holland N.V.

hierna Martinair,

gemachtigde: mr. B. Eggen,

Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers

hierna VNV,

gemachtigde: mr. A. Stege, advocaat,

hierna gezamenlijk aan te duiden als verzoekers.

De procedure

Op 28 november 2013 is ter griffie een gezamenlijk verzoekschrift van verzoekers ontvangen op basis van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In de e-mail voorafgaand aan indiening van het verzoekschrift van mr. van Slooten d.d. 25 november 2013 is aangegeven dat partijen afzien van een mondelinge behandeling of pleidooi. Na een e-mailwisseling heeft – vanwege de tijdsdruk - uiteindelijk op 19 december 2013 via een conference call een telefonische zitting plaatsgevonden waaraan de gemachtigden van verzoekers en de kantonrechter hebben deelgenomen. Voorafgaand aan deze call hebben verzoekers nog stukken in het geding gebracht.

De feiten

a.

Verzoekers zijn op 19 oktober 2011 een overeenkomst aangegaan onder de naam “Ringvaart Akkoord”, hierna “het RVA”.

b.

In VNV zijn vliegers van zowel KLM als Martinair verenigd.

c.

Het RVA is met ingang van 1 november 2011 aangemeld als CAO bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

d.

In de considerans bij het RVA is onder meer het volgende bepaald:

“Overwegende dat:

*KLM en Martinair (MP) als gevolg van de wereldwijde economische crisis in mei 2009 hun vrachtcapaciteit hebben teruggebracht;

(…)

*Bovenstaande ontwikkelingen hebben genoopt tot een integrale heroverweging van de werkgelegenheid- en carriereperspectieven van zowel KLM als MP vliegers. Dat heeft partijen tot de gezamenlijke conclusie geleid dat de belangen van alle betrokken partijen het beste gediend is bij integratie van beide vliegerskorpsen. (…)

*de cao’s voor KLM- en MP vliegers verschillen bevatten in arbeidsvoorwaardelijke regelingen, onder andere voor wat betreft salaris, pensioen, carrièreperspectief en werk- en rusttijden en dat afspraken noodzakelijk zijn om integratie van beide vliegerskorpsen mogelijk te maken.

(…)

e.

In het RVA is onder 2 (“Overstap”) het volgende bepaald:

2.1 De huidige boventalligheid bij MP wordt vastgesteld op 67 FTE’s per 1 november 2011. (…)

2.2 Alle MP vliegers worden in de gelegenheid gesteld om bij KLM in dienst te treden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën:

a. Vrijwillige overstappers (…)

b. Aangewezen overstappers (…)

c. Rood label vliegers (…)

2.3 Op 1 januari 2014 worden de aangewezen overstappers en de rood label vliegers in de gelegenheid gesteld om per deze datum bij KLM in dienst te treden.

In het RVA is onder 18 (“Beëindigingsmogelijkheden”) het volgende bepaald:

18.2 Partijen zijn van oordeel dat met de integratie van de vliegerskorpsen geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in de artikelen 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) en sluiten op basis daarvan deze overeenkomst.

18.2.1 Voor het geval onverhoopt één of meerdere rechtszaken aanhangig worden gemaakt waarbij de inzet is dat werknemers (ex-Martinair) op grond van de artikelen 7:662 e.v. BW in dienst zijn getreden, respectievelijk in dienst zullen treden van KLM, verplichten partijen zich tot nader overleg over de ontstane situatie waarbij uitgangspunt is dat in uiterste omstandigheid één der partijen het recht voorbehoudt de overeenkomst op te zeggen. Partijen zullen zich dan beraden en in overleg treden over de gevolgen van een dergelijke opzegging, waarbij uitgangspunt zal zijn dat de bepalingen in deze overeenkomst zoveel als mogelijk in stand zullen blijven. (…)

18.2.2 Mocht op enig moment sprake zijn van een rechtelijke uitspraak waarin wordt geoordeeld dat één of meer vliegers van Martinair op grond van artikel 7:662 e.v. BW in dienst zijn getreden van KLM, dan zullen KLM en VNV het recht hebben om deze overeenkomst eenzijdig op te zeggen. (…).

f.

Bij het kantongerecht Amsterdam zijn begin 2013 twee procedures aanhangig gemaakt: één door de Stichting Cabinebelangen Martinair samen met 94 individuele eisers, en één door de Stichting Cockpitbelangen Martinair, beiden met als inzet dat sprake is van overgang van onderneming van het betreffende personeel naar KLM. In deze procedures is nog geen uitspraak gedaan.

g.

VNV heeft bij brief van 31 oktober 2013, uitgebracht bij deurwaardersexploit, het RVA opgezegd tegen 31 december 2013. KLM en Martinair hebben hiertegen geprotesteerd bij brief van 1 november 2013 waarop VNV heeft gereageerd bij brief van 22 november 2013.

h.

Bij dagvaarding in kort geding voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de Stichting Algemeen Vlieger Belang (AVB), bij welke Stichting uitsluitend Martinair vliegers zijn aangesloten, KLM gedagvaard en geëist dat de voorzieningenrechter – samengevat – KLM veroordeelt om het RVA ook na 1 januari 2014 integraal toe te passen op straffe van een dwangsom. Subsidiair heeft de AVB geëist, voor het geval geoordeeld mocht worden dat het RVA eindigt met ingang van 1 januari 2014, dat de voorzieningenrechter KLM veroordeelt om de normatieve bepalingen van het RVA toe te passen op de leden van VNV en/of de werknemers die via een incorporatiebeding aan het RVA zijn gebonden, ook op straffe van een dwangsom.

Het kort geding is behandeld ter zitting van 18 december 2013, en uitspraak is bepaald op 27 december 2013. VNV heeft bij de behandeling van het kort geding een incidentele conclusie tot voeging genomen welke is toegestaan, en heeft - samengevat - zelfstandig gevorderd dat de voorzieningenrechter KLM verbiedt om na 31 december 2013 uitvoering te geven aan artikel 2.3 van het RVA op verbeurte van een dwangsom.

i.

Verzoekers zijn een nieuw akkoord overeengekomen, onder de naam “Steigenbergenakkoord” onder de opschortende voorwaarde dat dit akkoord in zijn geheel door de KLM en Martinair ledenraad van de VNV is geratificeerd. Dit akkoord zal eveneens het karakter van een CAO krijgen en treedt, indien en zodra aan de opschortende voorwaarde is voldaan, in werking op 3 december 2013.

Het verzoek

Verzoekers wensen een uitspraak ten aanzien van de vraag of ten gevolge van bovengenoemde opzegging, het RVA is geëindigd, een en ander in het verzoekschrift geformuleerd als volgt:

Partijen hebben in artikel 18.2.1 van het RVA afgesproken dat de overeenkomst op elk moment kan worden opgezegd onder de omstandigheden als genoemd in dit artikel. Partijen hebben nagelaten een opzegtermijn af te spreken. Zal het RVA als gevolg van de opzegging door VNV met ingang van 31 december 2013 eindigen?

In de begeleidende overeenkomst inzake de art. 96 Rv procedure – waarvan de kantonrechter overigens alleen een niet ondertekend exemplaar heeft ontvangen – is aangegeven dat partijen de beslissing in de vorm van een vonnis wensen en dat zij hoger beroep en cassatie hebben uitgesloten.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat vast dat het RVA is aangemeld als CAO, en dat de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (WCAO) hierop van toepassing is.

2.

In artikel 19 lid 2 van de WCAO is het volgende bepaald:

Wanneer de tijd, waarvoor eene collectieve arbeidsovereenkomst wordt aangegaan niet bij overeenkomst is bepaald, wordt zij geacht te zijn aangegaan voor een jaar met verlenging telkens voor gelijken tijd, behoudens opzegging tenminste eene maand vóór het einde van het jaar.

3.

In artikel 18.2.1 en 18.2.2 van het RVA is de mogelijkheid van opzegging van het RVA gecreëerd voor zover de daar genoemde situatie(s) zich voordoet. Het RVA bevat geen bepalingen inzake de opzegtermijn die in dat geval geldt. KLM en Martinair stellen zich op het standpunt dat, nu in het RVA geen opzegtermijn is bepaald, de opzegtermijn krachtens artikel 19 lid 2 WCAO geldt. De aanvangsdatum van de CAO is 3 november 2011 (14 dagen na ondertekening). Gelet op het feit dat het RVA geen looptijd kent wordt deze geacht steeds voor een jaar te zijn aangegaan en is het RVA laatstelijk per 3 november 2013 verlengd tot 3 november 2014. De opzegtermijn bedraagt derhalve de resterende duur tot 3 november 2014, aldus KLM en Martinair.

4.

VNV stelt zich op het standpunt dat artikel 19 WCAO toepassing mist. Het in artikel 19 lid 2 WCAO bepaalde omtrent de opzegtermijn is niet van toepassing nu in het RVA een specifieke opzeggingsmogelijkheid is gecreëerd indien een bepaalde situatie zich zou voordoen. VNV betoogt het volgende:

-het niet opnemen van een opzegtermijn in artikel 18.2 van het RVA is een leemte;

-bij de uitleg van cq opvulling van de leemte in artikel 18.2.1 dient het Haviltex-criterium te worden toegepast;

-ook op grond van het CAO-recht dient geoordeeld te worden dat een redelijke uitleg van artikel 18.2.1 met zich brengt dat het RVA op korte termijn opgezegd mag worden indien de in dat artikel genoemde omstandigheid zich voordoet.

5.

De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat, nu het RVA niet zoals in artikel 19 lid 2 WCAO voorgeschreven, vóór 3 oktober 2013 is opgezegd, de looptijd hiervan verlengd is met een jaar tot 3 november 2014. Vast staat ook dat partijen in artikel 18.2 RVA een tussentijdse opzegmogelijkheid hebben opgenomen voor het geval zich de in dit artikel genoemde omstandigheid zou voordoen. Het RVA bepaalt in artikel 18.2.1 dat in geval van het aanhangig zijn van een procedure omtrent de vraag of – kort samengevat - sprake is van overgang van onderneming van Martinair vliegers naar KLM, één der partijen het recht heeft om het RVA eenzijdig op te zeggen. Tussen partijen is niet in geschil dat die situatie zich voordoet en dat dus rechtsgeldig is opgezegd door de VNV. Aan die opzegmogelijkheid is noch in artikel 18.2.1 noch elders in het RVA, een termijn gekoppeld. De vraag die partijen verdeeld houdt betreft dan ook uitsluitend de duur van de in acht te nemen opzegtermijn.

6.

Met VNV is de kantonrechter van oordeel dat artikel 19 lid 2 WCAO ten aanzien van deze specifieke tussen de CAO sluitende partijen overeengekomen opzeggingsgrond, toepassing mist. De formulering van artikel 19 lid 2 WCAO waarin de zinsnede omtrent de opzegtermijn - in een doorlopend zinsverband - is gekoppeld aan de stilzwijgende verlenging van de CAO, rechtvaardigt niet de lezing dat de aldaar geformuleerde opzegtermijn op alle (andere, door partijen overeengekomen, tussentijdse) opzegmogelijkheden van een CAO van toepassing is.

7.

Nu artikel 18.2.1 van het RVA geen opzegtermijn noemt is sprake van een leemte in de CAO, cq een onvolledige CAO bepaling die nadere uitleg behoeft.

8.

Bij de uitleg van een CAO bepaling zijn in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de CAO-sluitende partijen, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties leiden. Het standpunt van VNV dat artikel 18.2.1 van het RVA gezien moet worden als een (louter) obligatoire CAO bepaling die alleen partijen en niet de leden bindt, en dat om die reden uitleg cq opvulling van leemtes dient plaats te vinden aan de hand van het Haviltex criterium, kan in de beoordeling verder achterwege blijven omdat (ook) toepassing van de CAO norm voert tot de door de VNV voorgestane uitleg van artikel 18.2.1 van het RVA.

9.

Het volgende is hiertoe redengevend. Tussen partijen is niet in geschil dat zij, na het aanhangig worden van de procedures in Amsterdam begin 2013, in extenso overleg hebben gevoerd zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid, en dat de opzegging door VNV van het RVA (pas) heeft plaatsgevonden in de in artikel 18.2.1 RVA genoemde “uiterste omstandigheid”.

10.

De kennelijke strekking van artikel 18.2.1 RVA is, om partijen de mogelijkheid te bieden het RVA eenzijdig op te zeggen indien zich de aldaar nader gespecificeerde omstandigheid voordoet. Het RVA behelst een balans tussen enerzijds de belangen van Martinair personeel en anderzijds die van KLM personeel, welke balans is genoemd in de considerans bij het RVA en is uitgewerkt in de voorwaarden waaronder het Martinair personeel in dienst treedt bij KLM (onder meer de artikelen 2.3 en 3 RVA). Deze balans wordt doorkruist door een claim inzake overgang van onderneming, reden waarom voor dat geval een opzegmogelijkheid is gecreëerd. Daarbij past niet dat een lange opzegtermijn moet worden gehanteerd die gelijk staat aan de resterende duur van de looptijd van het RVA welke kan oplopen tot een jaar. In dat geval bestaat immers het risico dat de rood label vliegers en aangewezen overstappers op grond van artikel 2.3 RVA wél in dienst van KLM komen, echter niet onder de in het RVA geschapen voorwaarden maar op de voorwaarden welke behoren bij een overgang van onderneming (hetgeen CAO sluitende partijen blijkens artikel 18.2 RVA nu juist niet hebben beoogd). In het licht van deze objectief kenbare doelen van de CAO sluitende partijen zou dit een onaannemelijk rechtsgevolg zijn.

Samenvattend : de considerans bij het RVA, de bewoordingen daarvan, meer in het bijzonder de artikelen 2, 3 en 18 van het RVA, en de objectief kenbare bedoelingen van de CAO sluitende partijen welke onder meer tot uitdrukking komen in de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende visies op de uitleg van artikel 18.2.1 RVA, voert tot de conclusie dat de visie van VNV juist moet worden geacht. De door VNV gehanteerde opzegtermijn van twee maanden acht de kantonrechter redelijk.

De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt op gezamenlijk verzoek van partijen dat het RVA zal eindigen met ingang van 31 december 2013;

Compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.