Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13365

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
2126964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen reden om de beslagvrije voet met toepassing van artikel 475f Rv van toepassing te verklaren op de zorgtoeslag, omdat betrokkene met zijn overige samenge¬stelde inkomsten voldoende bestaansmiddelen overhoudt, en in ieder geval ook boven de door betrokkene zelf berekende beslagvrije voet blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/repnr.: 2126964 EJ VERZ 13-68

Uitspraakdatum: 3 oktober 2013

Beschikking in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder ook te noemen:[verzoeker]

gemachtigde: mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat te Hoorn

tegen

de naamloze vennootschap N.V. Univé Zorg, gevestigd te Zwolle

verwerende partij

verder ook te noemen: Univé

gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg, verbonden aan het Juridisch Bureau Van der Meer & Philipsen te Alkmaar.

Het procesverloop

1.

Schaap heeft op 28 juni 2013 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de beslagvrije voet op zijn zorgtoeslag. Daar heeft Univé bij verweerschrift op gereageerd.

2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 september 2013, waar voor[verzoeker] is verschenen mr. Mes, en waar voor Univé is verschenen mr. Peijnenburg. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht. Na afloop van de zitting is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

De feiten

3.

Op 31 januari 2013 is door gerechtsdeurwaarderskantoor F.J.M. van der Meer en J.G. Philipsen (hierna: Van der Meer & Philipsen) namens Univé beslag gelegd op de zorgtoeslag van[verzoeker], ter incassering van een bedrag aan zorgverzekeringspremie dat[verzoeker] nog verschuldigd is aan Univé. De zorgtoeslag van[verzoeker] bedraagt € 88,33 per maand en op dat gehele bedrag is beslag gelegd.

4.

Schaap ontvangt naast de zorgtoeslag een bijstandsuitkering van € 879,10 per maand en een huurtoeslag van € 228,00 per maand.[verzoeker] betaalt aan huur € 492,92 per maand.

5.

Bij brief van 9 april 2013 is namens[verzoeker] aan Van der Meer & Philipsen gevraagd om het beslag op de zorgtoeslag op te heffen en de beslagvrije voet toe te passen op die zorgtoeslag. Dat heeft Van der Meer & Philipsen bij brief van 16 april 2013 geweigerd.

Het geschil

6.

Schaap verzoekt de kantonrechter met toepassing van artikel 475f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de beslagvrije voet toe te passen op zijn zorgtoeslag. Daarbij heeft[verzoeker] – kort samengevat – aangevoerd dat hij door het beslag op de zorgtoeslag over onvoldoende middelen van bestaan beschikt.[verzoeker] heeft de beslagvrije voet berekend op € 972,39, te weten € 832,83 (90% van de bijstandsnorm voor[verzoeker]) vermeerderd met € 68,23 aan ‘meerhuur’ en vermeerderd met € 71,33 aan extra zorgpremiekosten.

7.

Univé voert verweert tegen het verzoek. Univé stelt – zakelijk weergegeven – dat op de bijstandsuitkering van[verzoeker] geen beslag ligt, zodat ervan moet worden uitgegaan dat[verzoeker] over voldoende middelen van bestaan beschikt. Mede gelet op de strekking van artikel 475f Rv meent Univé daarom dat de beslagvrije voet niet van toepassing moet worden verklaard op de zorgtoeslag. Univé heeft de beslagvrije voet berekend op € 901,06, te weten € 832,83 (90% van de bijstandsnorm voor[verzoeker]) vermeerderd met € 68,23 aan ‘meerhuur’ en verlaagd met € 17,00 aan mindere zorgpremiekosten.

8.

Bij de beoordeling wordt zo nodig nog nader ingegaan op de standpunten van partijen.

De beoordeling

9.

Het gaat in deze zaak om de vraag of met gebruikmaking van artikel 475f Rv de beslagvrije voet van toepassing moet worden verklaard op de zorgtoeslag van[verzoeker].

10.

De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 45 lid 1 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in beginsel helemaal geen beslag mogelijk is op de zorgtoeslag van[verzoeker]. Dat is volgens artikel 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir anders als het beslag verband houdt met een vordering tot nakoming van een betalings-verplichting wegens een geleverde prestatie, waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming. Partijen zijn het erover eens dat zich in dit geval de uitzonderingssituatie van artikel 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir voordoet. Univé heeft namelijk beslag gelegd voor de incassering van een zorgverzekeringspremie, en de verplichting tot betaling van die premie is de oorzaak geweest van de toekenning van de zorgtoeslag. Dat betekent dat het beslagverbod op de zorgtoeslag in dit geval niet geldt.

11.

In artikel 475f Rv is bepaald dat indien beslag is gelegd op een vordering tot weerkerende betalingen die niet in artikel 475c is omschreven en de schuldenaar onvoldoende andere middelen van bestaan heeft, hij de kantonrechter kan verzoeken de artikelen 475b en 475d mede op die vordering van toepassing te verklaren. Niet in geschil is dat de zorgtoeslag van[verzoeker] een “vordering tot weerkerende betalingen” is, die niet in artikel 475c Rv is omschreven.

12.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 475f Rv blijkt dat het de bedoeling is van deze bepaling om in bepaalde gevallen de samengestelde inkomsten waarop beslag is gelegd, en waarop de beslagvrije voet van artikel 475c Rv niet van toepassing is, beslagvrij te maken tot de grens van de beslagvrije voet van artikel 475b Rv (Kamerstukken II, 1982-1983, 17 897, nrs. 1-3, blz. 20). Daarmee kan volgens die wetsgeschiedenis worden voorkomen dat betrokkene door het beslag op die inkomsten bijstand moet aanvragen.

13.

Gelet op de tekst en de bedoeling van artikel 475f Rv is er naar het oordeel van de kantonrechter alleen dan reden voor toepassing van dat artikel, als[verzoeker] door het beslag op de zorgtoeslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, in die zin dat zijn overige samengestelde inkomsten beneden de beslagvrije voet blijven. Daarvan is in dit geval geen sprake. Immers,[verzoeker] ontvangt een bijstandsuitkering van € 879,10 per maand en een huurtoeslag van € 228,00 per maand, waarop geen beslag ligt. De samengestelde inkomsten van[verzoeker] waarop geen beslag ligt, bedragen derhalve in totaal € 1.107,10 per maand. Ook indien wordt uitgegaan van de door[verzoeker] berekende beslagvrije voet van € 972,39 per maand, blijven de samengestelde inkomsten van[verzoeker] waarop geen beslag ligt daar dus ruim boven.

14.

De verwijzing door[verzoeker] naar de door hem genoemde uitspraken leidt niet tot een andere conclusie. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2010 is – onder meer – geoordeeld dat wanneer beslag is gelegd op een huurtoeslag, bij de berekening van de beslagvrije voet moet worden aangenomen dat de geëxecuteerde die huurtoeslag niet heeft ontvangen, zoals bedoeld in artikel 475d lid 5 Rv (ECLI:NL:RBSHE:2010:BP9407). Voor de berekening van de beslagvrije voet in deze zaak zou dat oordeel meebrengen dat er vanuit moet worden gegaan dat[verzoeker] zijn zorgtoeslag niet heeft ontvangen, nu daarop beslag ligt. Echter, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, kan in dit geval in het midden worden gelaten wat de juiste wijze van berekening van de beslagvrije voet is. Ook indien de berekening van de beslagvrije voet door[verzoeker] wordt gevolgd, die ervan uitgaat dat[verzoeker] de zorgtoeslag niet heeft ontvangen, blijven de overige samengestelde inkomsten van[verzoeker] boven die beslagvrije voet. Voor de verwijzing door[verzoeker] naar de uitspraak van de kantonrechter te Arnhem van 25 juli 2011 geldt hetzelfde (LJN BR5805). Daarbij tekent de kantonrechter nog dat in laatstgenoemde uitspraak sprake was van beslag op zowel de zorgtoeslag als op de huurtoeslag waardoor – anders dan in dit geval – de overige samengestelde inkomsten van betrokkene wel onder de beslagvrije voet bleven.

15.

De conclusie is dat het verzoek van[verzoeker] wordt afgewezen.

16.

Gelet op de aard van de zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 3 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter