Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13177

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_3643
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet zonder reden in bezwaar gekomen. Immers, op 5 juni 2013 had verweerder eisers tweede Wwb-aanvraag afgewezen, terwijl op de eerdere aanvraag nog niet was beslist. Naar aanleiding van eisers bezwaar van 5 juni 2013 heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar eisers woonsituatie en dit onderzoek heeft geresulteerd in de toekenning van de Wwb-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 maart 2013. Verweerders opvatting, neergelegd in het primaire besluit, dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, is dan ook kennelijk onjuist gebleken. Gelet hierop had verweerder het bezwaar van eiser gegrond moeten verklaren en het primaire besluit moeten herroepen. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/3643

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. van der Veen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: R. de Vos).

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Bij besluit van 29 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2013.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op 30 januari 2013 heeft eiser een Wwb-aanvraag ingediend. Op deze aanvraag heeft verweerder aanvankelijk geen besluit genomen. Vervolgens heeft eiser op 5 mei 2013 een nieuwe Wwb-aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, omdat eiser volgens verweerder een gezamenlijke huishouding voerde met zijn huisgenoot. Hiertegen heeft eiser op 5 juni 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder alsnog positief beslist op eisers aanvraag van 30 januari 2013. Verweerder heeft hierbij aan eiser een Wwb-uitkering toegekend per 1 maart 2013.

2.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij het bezwaar van 5 juni 2013. Met dit bezwaar kon eiser immers niets anders bereiken dan hem reeds bij besluit van 17 juli 2013 was toegekend: recht op uitkering per 1 maart 2013. Met het besluit van 17 juli 2013 is volledig aan het bezwaarschrift tegemoetgekomen, aldus verweerder in het bestreden besluit. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder hieraan toegevoegd dat sprake is geweest van twee verschillende aanvragen die los van elkaar zijn behandeld. Door de toekenning van de uitkering was een gezamenlijke huishouding niet meer aan de orde; het primaire besluit was hiermee feitelijk ‘overruled’, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij nog wel procesbelang had en dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De op 5 mei 2013 ingediende aanvraag van eiser is afgewezen, omdat eiser een gezamenlijke huishouding zou voeren. Tegen dit onjuiste standpunt van verweerder heeft eiser op 5 juni 2013 terecht bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarnaast twee keer een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het oorspronkelijke standpunt van verweerder dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met een huisgenoot, is met het besluit van 17 juli 2013 herroepen. Als eiser geen rechtsmiddelen zou hebben aangewend, zou hem nooit een uitkering zijn toegekend. Om die reden moeten de proceskosten in bezwaar en beroep worden vergoed, aldus eiser.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder eiser op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder stelt zich in dit verband in de kern op het standpunt dat eiser door de toekenning van de Wwb-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 maart 2013 geen procesbelang meer had bij het bezwaar van 5 juni 2013, omdat eiser hiermee niet méér kon bereiken dan de uitkering die reeds aan hem was toegekend.

5.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie, bijvoorbeeld, de uitspraak van 27 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365)) is er (reeds) sprake van belang bij beoordeling en vernietiging van het bestreden besluit indien bij dit besluit vergoeding van de proceskosten op grond van voornoemd artikel is geweigerd en appellant tevens vergoeding van de kosten in bezwaar vordert. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eiser hiermee gegeven. Het bestreden besluit kan reeds hierom niet in stand blijven.

6.

Ter beantwoording ligt voorts de (inhoudelijke) vraag voor of in dit geval voor een proceskostenvergoeding aanleiding bestaat. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.


7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet zonder reden in bezwaar gekomen. Immers, op 5 juni 2013 had verweerder eisers tweede Wwb-aanvraag afgewezen, terwijl op de eerdere aanvraag nog niet was beslist. Naar aanleiding van eisers bezwaar van 5 juni 2013 heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar eisers woonsituatie en dit onderzoek heeft geresulteerd in de toekenning van de Wwb-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 maart 2013. Verweerders opvatting, neergelegd in het primaire besluit, dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, is dan ook kennelijk onjuist gebleken. Gelet hierop had verweerder het bezwaar van eiser gegrond moeten verklaren en het primaire besluit moeten herroepen. Verweerder had voorts, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb aan eiser een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Dat de Wwb-uitkering is toegekend aan de hand van een andere aanvraag, doet aan het voorgaande niets af.


8. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van eiser gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:11 en 7:15 van de Awb. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eiser van 5 juni 2013 alsnog gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen.

9.

Daarnaast bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten. De rechtbank kent in dit verband een punt toe voor het bezwaarschrift. De waarde van een punt bedraagt € 487,--. De zwaarte van de zaak is gemiddeld.

10. De rechtbank ziet eveneens aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank een punt toe voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Deze proceskosten bedragen in totaal € 974,--.

Omdat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, dient verweerder de proceskosten te betalen aan eisers gemachtigde.


11. Tot slot zal de rechtbank verweerder gelasten het door eiser betaalde griffierecht van € 44,-- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van 5 juni 2013 gegrond;

- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,--;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.