Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13135

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
C/15/206747 / FA RK 13-3214
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voogdij (206747)

Gebleken is dat het perspectief is dat de pleegouders na een jaar de definitieve voogdij over [MINDERJARIGE] zullen krijgen, maar dat er nu sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de Stichting te belasten met de tijdelijke voogdij. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er nog zorgen zijn over het gedrag van [MINDERJARIGE] en dat er hulp bij de Bascule is gestart, zodat er sprake is van omstandigheden waardoor de pleegouders nog niet met de voogdij belast kunnen worden. Gelet hierop zal de rechtbank de Stichting benoemen tot tijdelijke voogdes. De rechtbank merkt op dat, indien de situatie is gestabiliseerd en de pleegouders in overleg met de Stichting van mening zijn dat de omstandigheden zodanig zijn dat zij de voogdij kunnen aanvaarden, zij ontslag van de Stichting uit de voogdij kunnen verzoeken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

tijdelijke voogdij

zaak-/rekestnr.: C/15/206747 / FA RK 13-3214

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 10 december 2013

naar aanleiding van het verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats],

verblijvende in het pleeggezin van [pleeggezin].

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 9 september 2013, ingekomen op 10 september 2013.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2013.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw [medewerker raad];

- Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, hierna te noemen: de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [medewerker stichting];

- [pleegouders], pleegouders van [minderjarige].

1.3

De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft zij schriftelijk gebruik gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Op [huwelijksdatum] zijn in [plaats] gehuwd [de moeder] (hierna te noemen: de moeder) en [de vader] (hierna te noemen: de vader). Dit huwelijk op 2 september 2003 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 18 februari 2003.

2.2

Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [minderjarige]:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].

De moeder is bij beschikking van 13 september 2005 eenhoofdig belast met het gezag over [minderjarige].

2.3

De moeder is op 21 juli 2013 overleden, zodat het gezag over [minderjarige] is opengevallen.

2.4

Bij beschikking van 24 juli 2013 is de Stichting met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast voor de duur van zes maanden. Deze beslissing is bekrachtigd bij beschikking van 1 augustus 2013.

3 Verzoek

3.1

De Raad heeft verzocht de Stichting tot voogdes over [minderjarige] te benoemen.

3.2

Ter zitting is namens de Raad, gelet op het besprokene, het verzoek gewijzigd in die zin dat verzocht wordt de Stichting te belasten met de tijdelijke voogdij over [minderjarige].

4 Beoordeling

4.1

Uit het onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat [minderjarige] al sinds februari 2011 gedeeltelijk bij de pleegouders verblijft en ook periodes volledig bij hen heeft gewoond. Het pleeggezin biedt duidelijke regels en structuur en is in staat om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Pleegouders worden begeleid door Spirit en Lucertis is ingezet om ze ouderbegeleiding te bieden vanwege het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] en om haar te begeleiden bij haar emoties.

Toen bekend werd dat de moeder niet lang meer zou leven, heeft zij de wens geuit dat de pleegouders zorg zouden dragen voor [minderjarige] en dat zij in de toekomst met de voogdij belast zouden worden. [minderjarige] heeft aangegeven bij het pleeggezin te willen blijven.

De pleegouders zouden graag samen de voogdij over [minderjarige] willen, zodat ze belangrijke zaken zelf kunnen regelen. Gezien het heftige gedrag van [minderjarige] is de Raad van mening dat het op dit moment nog verstandiger is om de Stichting met de voogdij te belasten. Het is belangrijk dat een onafhankelijk persoon de regie neemt en zo nodig in de toekomst kan beslissen over een andere verblijfplek voor [minderjarige] indien verblijf bij pleegouders niet haalbaar blijkt. De Raad is van mening dat er nu nog te veel zorgen zijn en te veel geregeld moet worden. Het verloopt goed nu de Stichting de voorlopige voogdij heeft. Als de zorgen afnemen en de hulp goed verloopt, kunnen pleegouders alsnog de voogdij over [minderjarige] krijgen.

4.2

De Stichting heeft zich bereid verklaard de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

4.3

Namens de Stichting is ter zitting naar voren gebracht dat de pleegouders zich erg goed voor [minderjarige] hebben ingezet en dat er geen beletselen worden gezien om hen over zes maanden tot een jaar met de voogdij over haar te belasten. De huidige voogdes heeft aangegeven de pleegouders hulp te kunnen bieden zonder dat de Stichting met de voogdij belast is, maar als zij het nodig vinden om hun gezagspositie te versterken, dan zou het uitkomst bieden om de Stichting te belasten met de tijdelijke voogdij over [minderjarige]. Het is in elk geval de intentie dat de pleegouders na een jaar met de voogdij belast worden.

4.4

De pleegouders hebben aangegeven graag te zijner tijd met de voogdij belast te willen worden. Op dit moment zouden ze het nog prettig vinden extra hulp te ontvangen van een voogd, teneinde [minderjarige] te motiveren mee te werken aan de hulpverlening.

4.5

Namens de Raad is ter zitting aangegeven dat de tijd nog niet rijp is om de pleegouders met de voogdij te belasten, maar dat de Raad het van belang acht dat het voor hen nog wel mogelijk moet zijn om de voogdij na een bepaalde periode alsnog te verkrijgen.

4.6

Artikel 1:296 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, indien voorziening nodig is in afwachting van het begin van de voogdij, de rechtbank een voogd kan benoemen voor de duur van deze omstandigheden. Lid 2 van hetzelfde artikel bepaalt dat zodra bedoelde omstandigheden zijn vervallen, deze tijdelijke voogd op verzoek van hem die hij vervangt door de rechtbank wordt ontslagen.

4.7

Gebleken is dat het perspectief is dat de pleegouders na een jaar de definitieve voogdij over [minderjarige] zullen krijgen, maar dat er nu sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de Stichting te belasten met de tijdelijke voogdij. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er nog zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige] en dat er hulp bij de Bascule is gestart, zodat er sprake is van omstandigheden waardoor de pleegouders nog niet met de voogdij belast kunnen worden. Gelet hierop zal de rechtbank de Stichting benoemen tot tijdelijke voogdes. De rechtbank merkt op dat, indien de situatie is gestabiliseerd en de pleegouders in overleg met de Stichting van mening zijn dat de omstandigheden zodanig zijn dat zij de voogdij kunnen aanvaarden, zij ontslag van de Stichting uit de voogdij kunnen verzoeken.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

Benoemt Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, tot tijdelijke voogdes over de minderjarige [minderjarige]:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

5.2

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.G. Hijink, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Alexander als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.