Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13110

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
15/740829-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 182 Sv. Bezwaarde n.o. in bezwaar

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 182
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige raadkamer

Registratienummer: RK 13/1767

Parketnummer: 15/740829-12

Uitspraakdatum: 18 november 2013

Beschikking (ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering, hierna Sv)

Op 27 september 2013 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen een door mr. N. Hendriksen, advocaat te Purmerend en raadsman van bezwaarde, ingediend bezwaarschrift, gedateerd 26 september 2013, van

[bezwaarde] , (hierna: bezwaarde),

geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats]

verblijvende in de FPC Oldenkotte te Rekken,

domicilie kiezende te Purmerend, ten kantore van mr. N. Hendriksen voornoemd.

Het bezwaarschrift is op 18 november 2013 ter zitting behandeld in aanwezigheid van mr. Hendriksen, voornoemd, en officier van justitie mr. C.J.V. van Venrooij. Bezwaarde heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Het onderzoek ter terechtzitting is op de zitting van 13 maart 2013 voor onbepaalde tijd geschorst om de raadsman van bezwaarde in de gelegenheid te stellen zijn onderzoekswensen, betrekking hebbende op het NFI-rapport van 17 september 2012, aan de rechter-commissaris bekend te maken.

Met zijn brief van 21 maart 2013 heeft de raadsman verzocht de volgende onderzoekshandelingen te verrichten:

1) met betrekking tot het veiligstellen van de sporen uit de auto en de “chain of custody”:

a. a) het toevoegen van de FO-normen aan het dossier

b) het als getuige horen van de verbalisanten B. van Eijk en H. Schipper die bij het veiligstellen van de sporen betrokken waren

c) het als getuige horen van verbalisant M. Hoogkamer met betrekking tot het onder zich krijgen van de sporen

d) het toevoegen aan het dossier van stukken die zien op het veiligstellen van de sporen, zoals rapportages en foto’s die daarvan gemaakt zijn;

2) met betrekking tot het onderzoek dat door het NFI is verricht:

a. a) het toevoegen aan het dossier van stukken van het NFI zoals waarnemings-, analyse en kwantificeringsformulieren, piekenprofielen, etc.

b) het als getuige-deskundige horen van [deskundige].

De officier van justitie heeft met haar brief van 17 april 2013 verzocht het verzoek van de raadsman af te wijzen om de volgende redenen:

Ad 1) er dient eerst te worden gewacht op het aanvullend proces-verbaal naar aanleiding van vragen die door de officier van justitie op 17 april 2013 zijn gesteld;

Ad 2) Het verzoek van de raadsman dient te worden opgevat als een verzoek om contra-expertise, omdat interne stukken van het NFI niet door een leek zijn te beoordelen. Het verzoek om [deskundige] te horen dient te worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

In de beschikking van 25 april 2013, RC-nummer 13/1121, heeft de rechter-commissaris het verzoek van de raadsman (vooralsnog) afgewezen en daarbij overwogen:

Ad 1b en c) het horen van verbalisanten heeft thans geen meerwaarde nu er gewacht wordt op het aanvullend proces-verbaal dat zal worden opgemaakt over het veiligstellen van de sporen;

Ad 1a en d) daaraan wordt reeds door de officier van justitie voldaan nu er een aanvullend proces-verbaal wordt opgemaakt (dat ondermeer zal zien op de regels die gelden voor het veiligstellen van sporen) en foto’s van het voertuig door de officier van justitie zullen worden opgevraagd en doorgezonden.

Ad 2) in het eerste rapport d.d. 26 oktober 2011 is vermeld dat met een aanvullend DNA-onderzoek getracht kan worden een DNA-mengprofiel te verkrijgen dat geschikt is voor vergelijkend DNA-onderzoek. Het tweede rapport van 17 september 2012 is daarvan een weerslag. Het verzoek van mr. Hendriksen met betrekking tot het NFI-rapport is onvoldoende onderbouwd.

Op 11 mei 2013 hebben verbalisanten M. Hoogkamer, B. van Eijk en H. Schipper in een proces-verbaal van bevindingen aanvullend gerapporteerd over het veiligstellen en de overdracht van de in de auto aangetroffen sporen. Bij het aanvullend proces-verbaal zijn gevoegd:

- foto’s

- instructie van het veiligstellen van bloedsporen

- instructie van het veiligstellen van speekselsporen

- instructie van afname wangslijmvlies

- instructie van het veiligstellen en verpakken van kleding.

Op 11 juli 2013 heeft de rechter-commissaris de raadsman schriftelijk bericht, dat het aanvullend proces-verbaal van 11 mei 2013 geen aanleiding geeft om alsnog tot toewijzing van het horen van de verbalisanten over te gaan.

Met zijn brief van 18 juli 2013 heeft de raadsman nogmaals verzocht om onderzoekshandelingen te verrichten in verband met de voortdurende onduidelijkheid omtrent de betrouwbaarheid van de chain of custody en de waarde die aan het door het NFI gelegde verband tussen twee sporen en bezwaarde moet worden gehecht, en wel:

- het verschaffen van onderliggende stukken van het rapport van 17 september 2013

- het horen van [deskundige] (opsteller rapport 17 september 2013).

Met haar brief van 9 september 2013 heeft de officier van justitie geoordeeld dat het verzoek van de raadsman dient te worden afgewezen, omdat:

- er geen indicaties zijn waaruit blijkt dat in strijd met de FT-normen is gehandeld

- niet op bijzondere wijze is onderbouwd waarom de opsteller van het rapport gehoord moet worden.

Op 12 september 2013 heeft de rechter-commissaris de verzoeken van de raadsman van bezwaarde afgewezen.

2 Ontvankelijkheid

Op 26 september 2013 is namens bezwaarde een bezwaarschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 12 september 2013 ingediend.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak is aangevangen op 13 maart 2013. Op de zitting van 13 maart 2013 zijn de stukken met een zogeheten ‘open verwijzing’ in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.
De rechter-commissaris handelde derhalve vervolgens in het kader van een door de rechtbank opgedragen onderzoek als bedoeld in artikel 316, eerste lid, Sv. In artikel 316, derde lid, (nieuw) Sv is bepaald dat dit onderzoek wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en zevende afdeling van de Derde titel van dit Boek. De eerste afdeling is dus juist niet door de wetgever van toepassing verklaard. De procedure ex artikel 182 Sv en het daarbij behorende rechtsmiddel van artikel 182, zesde lid Sv zijn daarmee niet meer aan de orde.

Dit is vanuit een oogpunt van rechtsbescherming niet problematisch. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de komst van de Wet versterking positie rechter-commissaris geen wijziging is beoogd in de verhouding tussen het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Het staat de verdediging dan ook vrij om onwelgevallige beslissingen van de rechter-commissaris op verzoeken in het kader van dit onderzoek aan de orde te stellen bij de zittingsrechter die de opdracht heeft gegeven. In een eerder stadium, voorafgaand aan een opdracht ex artikel 316 Sv, voorziet de nieuwe regeling in een soepel en efficiënt strafproces door vroeg optreden van de rechter-commissaris met een toetsingsmogelijkheid bij de raadkamer. In de nu aan de orde zijnde fase, waarin de zittingsrechter de regie in meerdere of mindere mate heeft overgenomen, kan hetzelfde doel worden bereikt door niet gehonoreerde onderzoekswensen zo tijdig mogelijk via een brief aan de zittingsrechter en de officier van justitie aan de orde te stellen, zodat deze op een reeds bepaalde of nader te bepalen terechtzitting kunnen worden besproken.
De zittingsrechter zal de verzoeken dan vervolgens kunnen beoordelen aan de hand van het eveneens ruime criterium van het verdedigingsbelang.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat bezwaarde niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar.

3 Ten overvloede

Het is de rechtbank bekend dat de uitspraken van diverse colleges, waaronder deze rechtbank, over de uitleg van de – vorenvermelde – nieuwe regeling onder meer ten aanzien van het hier aan de orde zijnde aspect (nog) niet eenduidig zijn. Mede om die reden en om redenen van doelmatigheid heeft de rechtbank ter zitting de raadsman van bezwaarde het volgende in overweging gegeven.

Ten aanzien van de chain of custody:

De vragen die de verdediging heeft opgeworpen richten zich voornamelijk op het veiligstellen van sporen, het onder zich krijgen van sporen, het inzenden van een deel van de aangetroffen sporen en of er meer informatie voorhanden is, waarover tot nu toe niet is gerelateerd. Dit zijn vragen die relevant zijn in verband met de waarheidsvinding. De officier van justitie heeft dan ook eerder het belang van de verdediging bij nadere informatie hieromtrent erkend.

Wat betreft de wijze waarop dit zou moeten gebeuren, stelt de rechtbank voorop dat in het algemeen gesproken een directe ondervraging van getuigen voordelen biedt boven het schriftelijk stellen en beantwoorden van vragen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat dit in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak ook het geval is. Het gaat hier immers niet om vragen met betrekking tot eigen waarnemingen door getuigen, maar om de vraag hoe bepaalde procedures precies zijn gelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is het zonder meer toelaatbaar wanneer de verbalisanten de te stellen vragen met raadpleging van alle hen ten dienste staande bronnen en derhalve zo nodig na raadpleging van elkaar of derden zo volledig mogelijk beantwoorden. Het valt juist te verwachten dat op deze wijze meer en betrouwbaarder informatie naar boven zal komen dan bij een mondelinge ondervraging van de getuigen, zonder dat de relevante stukken bij de hand zijn. Van een onaanvaardbare inperking van het ondervragingsrecht is in dit geval dan ook geen sprake. De rechtbank geeft de raadsman in overweging zijn vragen schriftelijk aan de officier van justitie kenbaar te maken en haar te verzoeken die vragen in een tweede aanvullend proces-verbaal door de verbalisanten te laten beantwoorden.
Als de raadsman deze bij uitspraak in raadkamer van heden gedane suggestie overneemt zal dit kunnen voorkomen dat het verzoek opnieuw aan de zittingsrechter gedaan dient te worden, hetgeen de doelmatigheid van de procesgang ten goede komt.

Ten aanzien van het NFI-onderzoek:

De rechter-commissaris heeft het verzoek van de raadsman om de opsteller van het NFI-rapport te horen afgewezen, omdat de aan de deskundige te stellen vraag, namelijk hoe groot de kans is dat verdachte daadwerkelijk de donor is, er nu juist een is die i.c. niet beantwoord kan worden. De raadsman van bezwaarde heeft ook ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat er geen contra-expertise wordt gevraagd.
Wat betreft het verzoek tot overlegging van al het aan het NFI-rapport ten grondslag liggende materiaal heeft de raadsman aangegeven dat hij dit van belang acht in alle gevallen waarin sprake is van mengprofielen en een onmogelijkheid van statistische onderbouwing.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door de raadsman gegeven onderbouwing inderdaad onvoldoende voor de slotsom dat er in deze concrete zaak verdedigingsbelang is bij de gedane verzoeken.
Bij gebreke van concrete en begrijpelijke onderbouwing is de beslissing van de rechter-commissaris, houdende afwijzing van het verzoek van de raadsman, begrijpelijk zodat dit onderdeel van het bezwaarschrift ook ingeval van ontvankelijkheid geen doel zou treffen..

4 De beslissing

De rechtbank verklaart bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

5 Samenstelling raadkamer

Deze beschikking is gegeven door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. W.C. Oosterbroek en mr. A.S. van Leeuwen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier.