Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13069

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
AWB-13-791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser met DUTCHEN gesloten verhuurbemiddelingsovereenkomst op zichzelf voorziet in een doorlopende verhuuropdracht. Echter, op grond van de inhoud van die overeenkomst kan niet worden geconcludeerd dat de opdracht tot verhuur gedurende het gehele kalenderjaar een zodanige beperking voor eiser met zich brengt dat moet worden gezegd dat de woning voor eiser en zijn gezin niet meer beschikbaar wordt gehouden. De overeenkomst sluit het eigen gebruik immers niet uit op de dagen dat de woning niet verhuurd is. De omstandigheid dat eiser via DUTCHEN zijn eigen gebruik moet reserveren, maakt niet dat het hem niet vrijstond gebruik te maken van de woning als deze niet was verhuurd. Hetzelfde overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van eiser ter zitting dat hij bij het eigen gebruik van de woning 10% van de huur als commissie aan DUTCHEN moet betalen. Van verhuur van de woning door eiser aan DUTCHEN of huur door eiser van de woning van DUTCHEN kan gelet op de overeenkomst geen sprake zijn. Daarbij kan het betalen van een commissie van 10% niet worden beschouwd als huursom. Genoemde commissie behelst immers maar een klein deel van de normale huursom. Uit de omstandigheid dat de woning 108 dagen verhuurd is geweest en gedurende 39 dagen door eiser is gebruikt volgt dat de woning in 2010 gedurende 218 dagen heeft leeggestaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen tellen deze dagen mee bij de berekening van de periode gedurende welke de woning beschikbaar is gehouden voor eiser en zijn gezin. Dit betekend dat eiser de woning in 2010 gedurende meer dan 90 dagen voor eigen gebruik ter beschikking stond. De rechtbank concludeert dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De vraag of en in hoeverre voor de heffing van de omzetbelasting sprake is van privégebruik, is hierbij – anders dan eiser betoogt – niet van belang nu het een andere belastingheffing betreft met een ander toetsingskader.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet, geldigheid: 2014-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/791

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Wiegeraad en N. de Cloe).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 880.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2013 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Feiten

1.1 Eiser is eigenaar van de gemeubileerde recreatiewoning [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is gelegen op het vakantiepark Duynvallei. Eiser heeft zijn hoofdverblijf in Jisp.

1.2 Eiser verhuurt de woning via verhuurbemiddelingsorganisatie MNR Villas B.V. , handelend onder de naam DUTCHEN. Hij is daartoe met DUTCHEN een beheer- en verhuurovereenkomst aangegaan die op 4 januari 2010 is ondertekend. Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaren, eindigend vijf jaren na de opleveringsdatum van de laatste woning. Na het verstrijken van deze termijn wordt de overeenkomst stilzwijgend verlengd met een termijn van telkens tweeënhalf jaren.

1.3 In de overeenkomst is met betrekking tot de verhuur onder meer het navolgende bepaald:

Artikel 2.1 Keuze uit twee concepten

Iedere eigenaar van een recreatiewoning kan kiezen uit drie (lees: twee) concepten, te weten:

1) het optimaal rendementsconcept;

2) het volledig eigen gebruikconcept.

ad 1) Het optimaal rendementsconcept

Hierbij kiest de eigenaar ervoor de recreatiewoning gedurende het hele jaar te bestemmen voor de verhuur aan derden via DUTCHEN.

ad 2). Het volledig eigen gebruik concept

Hierbij kiest de eigenaar er voor de recreatiewoning niet aan derden te verhuren.

Artikel 2.4 Geen verhuur buiten DUTCHEN om

Het is een eigenaar niet toegestaan het buitenverblijf buiten DUTCHEN om te verhuren (hieronder ook begrepen het plaatsen van advertenties, inschakelen van tussenpersonen of daarmee gelijkstaande activiteiten). Het in gebruik geven om niet aan familie en kennissen is toegestaan.

1.4 Vast staat dat eiser heeft gekozen voor het optimaal rendementsconcept. Verder staat vast dat eiser de woning in het jaar 2010 gedurende 39 dagen zelf heeft gebruikt. De woning is in 2010 gedurende 108 dagen verhuurd.

Standpunten van partijen

2.1 Eiser stelt dat de woning het gehele jaar ter beschikking is gesteld aan DUTCHEN, waardoor hij niet zelf over de woning kon beschikken. Eiser stelt dat hij de woning minder dan 90 dagen heeft gebruikt zodat geen forensenbelasting kan worden geheven. Eiser stelt dat hij de woning dient te reserveren via DUTCHEN als hij de woning zelf wil gebruiken.

Voorts stelt eiser dat artikel 2.4 van de overeenkomst hem geen beschikkingsrecht geeft en dat de woning in niet-verhuurde perioden niet tot zijn beschikking staat. Ook stelt eiser dat het bij het tot stand komen van de overeenkomst nadrukkelijk de bedoeling is geweest om bij het rendementsconcept de woning niet ter beschikking van de eigenaar te houden. Ten slotte voert eiser aan dat met het oog op vooraftrek van BTW de overeenkomst zodanig vorm is gegeven dat de eigenaren geen privégebruik van de woning kunnen maken.

2.2 Verweerder stelt dat uit de overeenkomst niet blijkt dat het eigen gebruik van de woning niet is toegestaan als wordt gekozen voor het optimaal rendementsconcept. Ook op het formulier waarop eiser die keuze heeft gemaakt staat niets over het uitsluiten van het eigen gebruik. Verder stelt verweerder dat uit de overeenkomst blijkt dat familie en kennissen en derhalve ook het eigen gezin om niet gebruik kunnen maken van de woning. Dit maakt volgens verweerder dat de woning alleen de dagen dat de woning daadwerkelijk is verhuurd niet voor eiser of zijn gezin beschikbaar is. Dat betrof in 2010 108 dagen, zodat eiser (en zijn gezin) de woning meer dan 90 dagen ter beschikking had(den).

Overwegingen

3.1 Op grond van artikel 223 van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven. Met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2010 (hierna: de Verordening) heeft de raad van de gemeente Bergen van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

3.2 Op grond van artikel 2 van de Verordening wordt onder de naam forensenbelasting een directe belasting geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zichzelf of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

3.3 Volgens vaste rechtspraak (zie het arrest van de Hoge Raad van 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1657) moet worden aangenomen dat, indien een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten.

3.4 De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 december 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AZ4972) overwogen dat slechts dan geen aanslag in de forensenbelasting mag worden opgelegd aan een eigenaar die zijn woning (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur, (a) indien die eigenaar in het geheel geen gebruik maakte van zijn woning, althans geen ander gebruik dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, ofwel (b) (ingeval de woning ook in enige mate door die eigenaar zelf werd gebruikt, anders dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden), indien de som van het aantal dagen van eigen gebruik en van het aantal dagen waarop de woning niet werd gebruikt, maar waarop deze moet worden geacht door die eigenaar beschikbaar te zijn gehouden voor zich of zijn gezin, niet meer dan negentig is.

4.1 Vast staat dat de woning in 2010 gedurende 108 dagen verhuurd is geweest aan derden en gedurende 39 dagen door eiser is gebruikt. Hoewel eiser stelt dat hij de woning gedurende het gehele jaar voor de verhuur aan DUTCHEN ter beschikking heeft gesteld, is niet in geschil dat de woning ook in enige mate door eiser is gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden. Uit bovenstaande arresten volgt dat in dat geval moet worden aangenomen dat die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten. De rechtbank zal hierna beoordelen of sprake is van dergelijke uitsluiting van eigen gebruik

4.2 De rechtbank is van oordeel dat de door eiser met DUTCHEN gesloten verhuurbemiddelingsovereenkomst op zichzelf voorziet in een doorlopende verhuuropdracht. Echter, op grond van de inhoud van die overeenkomst kan niet worden geconcludeerd dat de opdracht tot verhuur gedurende het gehele kalenderjaar een zodanige beperking voor eiser met zich brengt dat moet worden gezegd dat de woning voor eiser en zijn gezin niet meer beschikbaar wordt gehouden. De overeenkomst sluit het eigen gebruik immers niet uit op de dagen dat de woning niet verhuurd is. De omstandigheid dat eiser via DUTCHEN zijn eigen gebruik moet reserveren, maakt niet dat het hem niet vrijstond gebruik te maken van de woning als deze niet was verhuurd. Hetzelfde overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van eiser ter zitting dat hij bij het eigen gebruik van de woning 10% van de huur als commissie aan DUTCHEN moet betalen. Van verhuur van de woning door eiser aan DUTCHEN of huur door eiser van de woning van DUTCHEN kan gelet op de overeenkomst geen sprake zijn. Daarbij kan het betalen van een commissie van 10% niet worden beschouwd als huursom. Genoemde commissie behelst immers maar een klein deel van de normale huursom. Uit de omstandigheid dat de woning 108 dagen verhuurd is geweest en gedurende 39 dagen door eiser is gebruikt volgt dat de woning in 2010 gedurende 218 dagen heeft leeggestaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen tellen deze dagen mee bij de berekening van de periode gedurende welke de woning beschikbaar is gehouden voor eiser en zijn gezin. Dit betekent dat eiser de woning in 2010 gedurende meer dan 90 dagen voor eigen gebruik ter beschikking stond. De rechtbank concludeert dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De vraag of en in hoeverre voor de heffing van de omzetbelasting sprake is van privégebruik, is hierbij – anders dan eiser betoogt - niet van belang nu het een andere belastingheffing betreft met een ander toetsingskader.

4.3 De stelling van eiser ter zitting dat er sprake is van een onevenredig zware belasting waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is nu hij ook voor de onroerende-zaakbelastingen wordt aangeslagen, verwerpt de rechtbank. De rechtbank overweegt dat de
onroerende-zaakbelastingen hun grondslag vinden in artikel 220 van de Gemeentewet en de forensenbelasting in artikel 223 van de Gemeentewet en de daarop gebaseerde Verordening. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder dan ook bevoegd is om deze twee belastingen naast elkaar te heffen. Van onevenredigheid is derhalve geen sprake. De omstandigheid dat, zoals eiser ter zitting stelt, hij geen gebruik maakt van de voorzieningen van de gemeente Bergen, maakt dit niet anders. Zoals hiervoor reeds is overwogen gaat het bij de forensenbelasting niet om het feitelijk gebruik maar om het beschikbaar houden van de woning. Wanneer het belastbare feit zich heeft voorgedaan, zoals in dit geval, dan wordt betrokkene geacht het genot te hebben van gemeentelijke voorzieningen.

4.4 Voor zover eiser zich keert tegen de hoogte van de forensenbelasting als zodanig, overweegt de rechtbank als volgt. Het is aan de gemeenteraad van de gemeente Bergen om het belastingtarief te bepalen. Voor een ingrijpen door de belastingrechter is slechts plaats indien er sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid aan de gemeente een belasting te heffen niet voor ogen kan hebben gehad. Daarvan is de rechtbank, gelet op de hoogte van het belastingtarief – zijnde 0,44% van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen – niet gebleken.

5.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aanslag forensenbelasting voor het jaar 2010 terecht aan eiser heeft opgelegd. Het beroep is derhalve ongegrond.

6.

Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem en
mr. W.B. Klaus , leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.