Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13051

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
10-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_54
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van herzieningsverzoek.

Geen sprake van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/54

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om verweerders besluit van 4 augustus 1998 te herzien afgewezen.

Het bezwaar hiertegen heeft verweerder bij besluit van 4 december 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 Aan eiseres, destijds werkzaam als zelfstandig autorijschoolhoudster, is per 1 oktober 1984 wegens arbeidsongeschiktheid in verband met lage rugklachten een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. Na omscholing in 1992 is eiseres gaan werken als plaatsvervangend docente godsdienst en maatschappijleer, waarna de AAW-uitkering per 1 december 1994 is ingetrokken. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3 Na verscheidene niet gehonoreerde verzoeken om heropening van de AAW-uitkering heeft eiseres in juli 1998 verzocht terug te komen van de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 dan wel haar per 7 januari 1997 c.q. 7 januari 1998 een AAW-uitkering toe te kennen in verband met toegenomen klachten mede als gevolg van een haar overkomen auto-ongeval in januari 1997. Bij besluit van 4 augustus 1998 heeft verweerder de eerste twee verzoeken afgewezen en zich onbevoegd geacht te oordelen over het derde verzoek.

Dit besluit staat in rechte vast.

1.4 Op 5 oktober 2000 heeft eiseres nogmaals aan verweerder verzocht terug te komen van de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 en voorts verzocht om heropening van de AAW-uitkering binnen vier weken na de intrekking dan wel heropening van de AAW-uitkering per 7 januari 1997. Deze verzoeken zijn afgewezen bij besluit van 24 juli 2001. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 januari 2003 is het beroep, voor zover gericht tegen de weigering om terug te komen van de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994, ongegrond verklaard en het beroep voor het overige gegrond verklaard omdat verweerder geen toepassing had gegeven aan artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5 Bij besluit van 8 april 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 24 juli 2001 wederom ongegrond verklaard. Ten aanzien van de weigering de AAW-uitkering per 7 januari 1997 te heropenen is overwogen dat eiseres toegenomen arbeidsongeschikt is, maar dat deze ongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak, te weten hoofd-, nek- en schouderklachten als gevolg van een bij het auto-ongeval in 1997 opgelopen whiplashletsel. Het beroep en het hoger beroep zijn eveneens ongegrond verklaard. Het besluit staat dan ook in rechte vast.

1.6 Op 7 augustus 2007 heeft eiseres verweerder wederom verzocht terug te komen van het besluit haar met ingang van 7 januari 1997 geen AAW-uitkering te verstrekken. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Het beroep en het hoger beroep hiertegen ook. Het besluit staat derhalve in rechte vast.

1.7 Per e-mailberichten van 1 juni 2012 en 15 juli 2012 en bij brief van 20 juli 2012 heeft eiseres verweerder verzocht om terug te komen van de intrekking van de
AAW-uitkering per 1 december 1994.

1.8 Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat het verzoek om herziening wordt afgewezen, omdat na onderzoek door stafverzekeringsarts M. van Boom (hierna: Van Boom) niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de rapportage van 14 augustus 2012 heeft Van Boom aangegeven dat de toegenomen klachten in januari 1997 na een auto-ongeval, het rapport van psychiater Bliek en de verwijzing door eiseres naar het WAD- of ALR-protocol al zijn betrokken in voorgaande procedures.

1.9 Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft eiseres de volgende stukken overgelegd:

  • -

    het rapport van het Medisch Centrum Walborg van 3 november 2004, opgesteld door prof. dr. J.C. Koetsier, neuroloog;

  • -

    het rapport van 28 juni 1998, opgesteld door S. Pruyt, psychiater-neuroloog;

  • -

    de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 mei 1994;

  • -

    het rapport van het VU-ziekenhuis van 15 januari 1987, opgesteld door prof. dr. J.C. Koetsier.

2.1 Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de thans geclaimde klachten en overgelegde stukken al zijn betrokken in eerdere (gerechtelijke) procedures en dat die procedures niet hebben geleid tot herziening van het (ingetrokken) recht op AAW-uitkering.

2.2 Eiseres voert samengevat aan dat zij in 1984 arbeidsongeschikt is verklaard vanwege aspecifieke lage rugklachten. Verder stelt zij dat verweerder in 1994 het rapport van Koetsier uit 1987 buiten beschouwing heeft gelaten en dat verweerder miskent dat haar beroep in 1994 gegrond is verklaard. Voorts wordt volgens eiseres door verweerder miskend dat het ongeval dat haar in januari 1997 is overkomen als een nieuw feit moet worden beschouwd op grond waarvan haar AAW-uitkering moet worden heropend. Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte geen ‘kelderluik-onderzoek’ heeft gedaan naar de fout die in bureaucratische zin is ontstaan.

3.1 De rechtbank overweegt als volgt.

3.2 In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

3.3 Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen mag overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Daarvan moet uiterlijk in de bezwaarfase het nodige bewijs worden geleverd. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

3.4 Indien verweerder met gebruikmaking van de bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening, neergelegd in artikel 4:6 van de Awb, het eerder genomen besluit handhaaft beperkt de toetsing door de rechtbank zich in beginsel tot de vraag of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3.5 De rechtbank overweegt dat dit in geval van eiseres, die vraagt om herziening van de intrekking van de AAW-uitkering met ingang van 1 december 1994, betekent dat zij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet aandragen die betrekking hebben op haar medische situatie op 1 december 1994. Weliswaar kan aan eiseres worden toegegeven dat het ongeval dat haar in januari 1997 is overkomen en de daaruit voortvloeiende whiplashklachten op zichzelf nieuwe feiten zijn maar dit zijn geen nieuw feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Deze feiten zien immers niet op haar medische situatie op 1 december 1994, maar op haar medische gesteldheid in januari 1997. Het ongeval en de whiplashklachten kunnen daarom nooit leiden tot een herziening van de intrekking van de AAW-uitkering met ingang van 1 december 1994.

3.6 Voorts stelt de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat alle door eiseres overgelegde rapporten en de overige door haar genoemde klachten in eerdere gerechtelijke procedures zijn overgelegd en geuit. In al die procedures is geoordeeld dat die rapporten en klachten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten ten aanzien van haar medische toestand op 1 december 1994. Verder is in al die procedures geoordeeld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb geen sprake is en dat er geen aanleiding is om de intrekking van de AAW-uitkering per 1 december 1994 te herzien. De rechtbank heeft geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres ongegrond.

5.

Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en
mr. I.J. B. Corbey, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.