Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13046

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
15/710201-13 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming, strafrechtelijke verjaring, tijdsverloop, nihil stelling

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op het teveel aan verstrekte uitkeringsgelden in de periode 1 maart 1993 tot en met 30 juni 1997. Ten aanzien van deze periode geldt dat er sprake is van de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke verjaring. Gelet echter op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) sluit noch de tekst van de verjaringsbepaling (artikel 70 Sr) noch de tekst van artikel 36e, tweede lid, Sr uit dat voordeel wordt ontnomen uit soortgelijke feiten ten aanzien waarvan het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen.

De rechtbank zal, gelet op het zeer lange tijdsverloop sinds de verkrijging van het voordeel, de gevorderde leeftijd van verdachte, haar broze (psychische) gezondheid, de reeds lopende terugbetalingsverplichting aan de gemeente over een maximaal te verhalen uitkeringsperiode en daar bovenop nog de fiscale consequenties waar veroordeelde zich mee geconfronteerd ziet, de verplichting tot betaling op nihil stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/96

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer

Parketnummer: 15/710201-13 (ontneming)

Uitspraakdatum : 18 december 2013

Promisbeslissing ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 29 oktober 2013 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Haarlem,

wonende te [adres].

1 De vordering

De officier heeft bij vordering van 29 oktober 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van de in de vordering genoemde periode van 1 maart 1993 tot en met 30 juni 1997, zal vaststellen op € 40.533,10 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie baseert de vordering op feiten soortgelijk aan het feit waarvoor zij bij voornoemd vonnis is veroordeeld waaromtrent voldoende aanwijzingen zouden bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.

2 Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 4 december 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 4 december 2013. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, haar raadsman mr. P.J.H. Vinke, advocaat te Hoofddorp en de officier van justitie.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 december 2013.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat het primair gaat om het herstellen van de situatie en de terugbetaling van ten onrechte ontvangen gelden aan de gemeente Haarlem. De berekening in de ontnemingsrapportage is een netto berekening en derhalve in het voordeel van veroordeelde. Op dit moment is er onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot de (toekomstige) draagkracht van veroordeelde , nu niet duidelijk is of de in beslag genomen woning daadwerkelijk uitgewonnen zal worden en in hoeverre dit de vordering dekt. Evenmin valt met zekerheid te zeggen hoeveel inkomsten veroordeelde zal genereren in de komende jaren. De officier van justitie is derhalve van mening dat thans niet tot matiging van de vordering op grond van het draagkrachtbeginsel dient te worden gekomen.

4 Het standpunt van veroordeelde en haar raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu deze betrekking heeft op een periode van langer dan twaalf jaar geleden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering vanwege het tijdsverloop op nihil dient te worden gesteld. Meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de vordering dient te worden gematigd nu het onjuist is om het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk te stellen aan de hoogte van de volledige uitkering die veroordeelde in de desbetreffende periode ontving. In de periode waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd had veroordeelde een veel lagere omzet en verkreeg zij haar bijstandsuitkering voor een belangrijk deel op goede gronden. Uiterst subsidiair stelt de raadsman zich ten slotte op het standpunt dat de vordering dient te worden gematigd nu de draagkracht van veroordeelde onvoldoende is en ook in de toekomst onvoldoende zal blijven om de ontnemingsvordering te kunnen voldoen. De raadsman heeft in dit verband op de gevorderde leeftijd van veroordeelde gewezen, alsmede op de bestuursrechtelijke terugvordering door de gemeente Haarlem en de navorderingsaanslagen van de Belastingdienst.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1

5.1

Veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van gelijke datum is veroordeelde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarbij is bewezenverklaard dat:

zij in de periode van 3 oktober 2001 tot en met 30 november 2012 te Haarlem, in elk geval in Nederland, meermalen, telkens

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten (volledig) te melden aan:

de (Publieksdienst, afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gemeente Haarlem dat zij, verdachte, in voornoemde periode:

- werkzaamheden verrichtte en heeft verricht (als (thuis)kapster) en

- Inkomsten genoot en heeft genoten uit werkzaamheden als (thuis)kapster,

zulks terwijl deze feiten konden strekken tot bevoordeling van zichzelf,

terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand en voor de hoogte en de duur van die verstrekking en tegemoetkoming.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van feiten soortgelijk aan de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.

5.2

De ontnemingsrapportage

Op 23 september 2013 heeft de verbalisant[verbalisant], sociaal rechercheur bij de afdeling SOZAWE van de gemeente Haarlem, een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit proces-verbaal zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.

Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.

5.3

De beoordeling

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op het teveel aan verstrekte uitkeringsgelden in de periode 1 maart 1993 tot en met 30 juni 1997. Ten aanzien van deze periode geldt dat er sprake is van de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke verjaring. Gelet echter op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) sluit noch de tekst van de verjaringsbepaling (artikel 70 Sr) noch de tekst van artikel 36e, tweede lid, Sr uit dat voordeel wordt ontnomen uit soortgelijke feiten ten aanzien waarvan het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan vorderen ter zake van verjaarde ‘soortelijke feiten’ als bedoeld in artikel 36e, tweede lid Sr en -voor zover van belang- zoals dit artikel telkens gold ten tijde van de ontnemingsperiode. Het standpunt van de verdediging dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering vanwege het enkele tijdsverloop in de onderhavige zaak, slaagt derhalve niet.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder vermeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten als het bij voornoemd vonnis van de rechtbank bewezenverklaarde feit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De rechtbank sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij voornoemde ontnemingsrapportage en de daarin genoemde bewijsmiddelen die daar als bijlagen zijn bijgevoegd en voor zover deze niet volgen uit het vonnis van de rechtbank en voor zover hieronder niet anders wordt geoordeeld.

6 Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

De raadsman heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de vordering op nihil dient te worden gesteld, vanwege het tijdsverloop.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de wetgever expliciet heeft overwogen dat er geen grens in de tijd is gesteld aan het voordeel dat op grond van die bepaling voor ontneming in aanmerking wordt gebracht. De wetgever ziet als belangrijke waarborg tegen “overdrijving” op dit punt dat de verplichting tot betaling van een geldbedrag, indien aannemelijk is dat veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, door de rechter wordt opgelegd. Indien de rechter meent rekening te moeten houden met het tijdsverloop tussen de verkrijging van het voordeel en de instelling van de vordering, stelt de rechter het te betalen bedrag lager dan het geschatte voordeel, des geraden op nul, aldus de wetgever.

De rechtbank zal, gelet op het zeer lange tijdsverloop sinds de verkrijging van het voordeel, de gevorderde leeftijd van verdachte, haar broze (psychische) gezondheid, de reeds lopende terugbetalingsverplichting aan de gemeente over een maximaal te verhalen uitkeringsperiode en daar bovenop nog de fiscale consequenties waar veroordeelde zich mee geconfronteerd ziet, de verplichting tot betaling op nihil stellen.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op nihil.

7 Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van de in de vordering genoemde periode van 1 maart 1993 tot en met 30 juni 1997.

8 Beslissing

De rechtbank:

Stelt de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de staat ter ontneming van door haar wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil.

4 Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gewezen door:

mr. M.W. Groenendijk, voorzitter,

mrs. W.J. van Andel en E.J. van Keken, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Valk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2013.

1 De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.