Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:13029

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_2626
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding ex-partners

Wetsverwijzingen
Participatiewet, geldigheid: 2014-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: ALK 13/536, 13/1833, 13/1834

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaken tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser

[naam 2], te [woonplaats], eiseres,

tezamen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder

(gemachtigde: mr. A.D. Weber-Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft verweerder eiseres bericht dat haar uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 19 februari 2009 tot 6 januari 2012 wordt herzien en ingetrokken.

Eiseres heeft op 21 maart 2012 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 11 februari 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voor zover in het besluit van 8 maart 2012 is opgenomen dat eiser inkomsten heeft genoten boven de voor eiseres van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2013 (de bestreden besluiten II) heeft verweerder de ten onrechte door eiseres over de periode van 19 februari 2009 tot en met 2 januari 2012 genoten WWB-uitkering ten bedrage van € 1.529,88 teruggevorderd en eiser bericht dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling.

Tegen deze besluiten hebben eisers afzonderlijk bezwaar ingesteld. Zij hebben daarbij verweerder verzocht het bezwaar door te zenden aan de rechtbank als rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen verweerder heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaak met kenmerk 12/2626. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Eisers zijn gehuwd geweest en hebben in de periode van 22 juli 2002 tot 19 februari 2009 een WWB-uitkering ontvangen naar de norm van een echtpaar. Tijdens het huwelijk van eisers zijn twee kinderen geboren. Op 15 november 2007 is de echtscheiding tussen eisers uitgesproken. Deze is op 8 oktober 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vervolgens is de gezamenlijke uitkering beëindigd.

Eiseres is in de voormalig echtelijke woning blijven wonen. Zij heeft van verweerder een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder gekregen. Eiser staat sinds februari 2009 ingeschreven op een ander adres. Hij heeft van de gemeente Drechterland een uitkering naar de norm van een alleenstaande gekregen.

1.2 In februari 2011 is bij verweerder een anonieme melding binnengekomen dat eiser nog steeds bij eiseres woont, dat eiser zwart werkt bij een boer en dat eiseres zwart werkt bij een kapsalon. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar het vermoeden dat eisers een gezamenlijke huishouding voeren, zwarte inkomsten hebben en zich schuldig maken aan uitkeringsfraude. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 15 maart 2012.

2.1 De bevindingen van dit onderzoek zijn voor verweerder aanleiding om te besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van de aan eiseres verleende bijstand over 19 februari 2009 tot 6 januari 2012. Verweerder legt aan zijn besluitvorming ten grondslag dat eiseres niet heeft gemeld dat zij in deze periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiser en dat eiser in de deze periode inkomsten heeft genoten die moeten worden verrekend met de norm voor een echtpaar (de norm die eisers zouden hebben ontvangen indien zij de gezamenlijke huishouding bij verweerder zou hebben gemeld).

2.2 Eisers stellen dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding in de hier in geding zijnde periode. Eisers zijn van mening dat op grond van de getuigenverklaringen niet kan worden aangenomen dat daarvan sprake is. Volgens eisers zijn de getuigenverklaringen niet voldoende specifiek, eenduidig en onderling consistent. Ook uit de gegevens met betrekking tot het gebruik van de mobiele telefoons kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Eisers stellen dat hieruit enkel blijkt in welk gebied een telefoon is gebruikt, niet in welke woning. Voorts menen eisers dat de waarnemingen van de Sociale Recherche gedurende drie dagen niets kunnen bijdragen aan het standpunt van verweerder. Verder stellen zij dat veel onduidelijk is gebleven door het ontbreken van een huisbezoek en dat dit niet voor rekening en risico van eisers dient te komen. Eisers stellen dat uit het verbruik van gas, water en elektriciteit in de woningen aan [adres 1] te [plaats 1] en de [adres 2] te [plaats 2] evenmin kan worden opgemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf had bij eiseres.

3.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB - voor zover hier van belang - doet de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, kan - voor zover hier van belang - verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan verweerder kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Op grond van artikel 59, eerste lid, van de WWB kunnen onverminderd artikel 58 kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.

Op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Op grond van artikel 59, derde lid, van de WWB zijn de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

4.1

Nu eisers gehuwd zijn geweest en samen kinderen hebben, is gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB in dit geval voor de vaststelling of sprake is van een gezamenlijke huishouding slechts bepalend of eisers in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. In dat geval geldt immers het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van onder meer 14 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6355) en 13 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV8644). Of er tussen eisers tevens sprake is geweest van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB, kan daarom onbesproken blijven.

4.2

De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode in dit geval de periode van 19 februari 2009 tot 1 januari 2012 betreft. De rechtbank moet beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres.

4.3

Eisers stonden in de te beoordelen periode ieder op een afzonderlijk woonadres ingeschreven. Eiseres stond ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 2] en eiser stond ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1]. Op 3 januari 2012 heeft eiser zich weer ingeschreven op het adres van eiseres.

4.4

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet in de weg te staan aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken (zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 19 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1318), en 28 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV7102).

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche in onderlinge samenhang bezien een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eisers in de in geding zijnde periode hun hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevend gewicht gehecht aan de getuigenverklaringen afgelegd door de diverse bewoners in de buurt van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2]. Alle getuigen herkennen eisers aan de hand van een foto. Verder geven de getuigen aan dat zij goed en regelmatig contact met eisers hebben en dat eisers in de periode hier in geding wonen in de woning aan de [adres 2] te [plaats 2].

4.6

Dat eiser gedurende de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres, vindt ook steun in de getuigenverklaringen van de diverse bewoners in de buurt van de woning aan [adres 1] te [plaats 1]. Alle getuigen verklaren dat deze woning in de periode van het najaar 2009 tot het voorjaar van 2011 is bewoond door een jong buitenlands stel, van wie de vrouw hoogzwanger was op het moment dat ze de woning gingen bewonen. Verder herkennen deze getuigen allen [naam 3] als bewoonster van de woning en geven zij aan dat eiser niet de bewoner was. Voorts geven de getuigen allen aan dat de woning gedurende ongeveer één jaar niet meer werd bewoond, nadat [naam 3] en haar gezin de woning verlieten. Ook verklaren de getuigen dat het kindje van [naam 3] kon lopen ten tijde van het verlaten van de woning in het voorjaar 2011. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ten tijde hier in geding niet de woning aan [adres 1] te [plaats 1] heeft bewoond. De stelling van eiser dat aan deze getuigenverklaringen geen waarde kan worden gehecht omdat de getuigen hem niet herkenden aan de hand van de foto volgt de rechtbank niet. Deze omstandigheid doet immers niet af aan de eenduidige en consistente verklaringen van de getuigen over de bewoning van [adres 1] te [plaats 1] door [naam 3] en haar gezin en de periode van de bewoning. Hetzelfde overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van eiser dat hij geen contact had met deze getuigen en dat op grond van deze verklaringen daarom niet kan worden aangenomen dat eiser niet op het adres woonde.

4.7

Gelet op de voldoende specifieke, eenduidige en onderling consistente getuigenverklaringen gaat de rechtbank voorbij aan de door eisers afgelegde verklaringen en de verklaring afgelegd door [naam 4], de echtgenoot van [naam 3]. De omstandigheid dat [naam 4] in de periode van 27 augustus 2009 tot 23 mei 2011 stond ingeschreven op een adres in Andijk brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu dit adres blijkens de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche een postadres betreft.

4.8

Voorts wijst de rechtbank op de getuigenverklaring van een collega van eiser. Deze collega, woonachtig in Hoorn (Zwaag), verklaart dat hij eiser sinds halverwege 2010 regelmatig heeft opgehaald bij een benzinestation in Medemblik of op een afgesproken plaats bij Twisk om naar het werk te gaan en dat hij hem aan het eind van de werkdag dan weer afzette op diezelfde plek. De collega van eiser verklaart dat eiser woont in het nieuwbouwwijkje in Twisk en dat eiser hem heeft verteld dat hij gehuwd is en bij zijn vrouw en kinderen woont. De verklaring die eiser geeft om deze getuigenverklaring te ontkrachten, te weten dat hij zijn collega niet heeft verteld dat hij is gescheiden en niet meer bij eiseres en de kinderen woont, overtuigt de rechtbank niet.

4.9

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de door de Sociale Recherche verrichte waarnemingen, de onderzoeksgegevens van de mobiele telefoon van eiser en op de strafvonnissen die de rechtbank ambtshalve bekend zijn.

4.10

De rechtbank merkt nog op dat, hoewel de bestuursrechter niet gebonden is aan hetgeen in de strafrechtelijke procedure is geoordeeld, aan de strafrechtelijke veroordeling van eisers – gelet op de strenge bewijsregels in het strafrecht en hetgeen bewezen is verklaard – aanzienlijke gewicht is toegekend bij de onderhavige beoordeling.

4.11

Uit het voorgaande volgt dat eiser in de periode hier in geding feitelijk zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres in de hier in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding met eiser heeft gevoerd, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WWB. Door hiervan geen melding te maken bij verweerder heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht uit artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Als gevolg daarvan heeft eiseres over de hier in geding zijnde periode ten onrechte bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangen.

5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder in beginsel gerechtigd is het recht op bijstand van eiseres te herzien en in te trekken en de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand volledig van eiseres terug te vorderen. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat aan haar, in geval zij haar inlichtingenplicht wel naar behoren zou zijn nagekomen, over die periode recht op bijstand naar de norm voor een gezin zou zijn verstrekt. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat eiser in de periode hier in geding inkomsten heeft genoten die hadden moeten worden betrokken bij de voor eisers geldende norm indien eiseres zich aan de inlichtingenplicht zou hebben gehouden. Evenmin is de hoogte van die inkomsten tussen partijen in geschil. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ten onrechte een bedrag van € 1.529,88 aan bijstand heeft ontvangen en dat dit bedrag van haar dient te worden teruggevorderd.

6.

De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen en/of bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen om van herziening, intrekking en terugvordering af te zien.

7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in samenhang met het bepaalde in artikel 59 van de WWB is eiser terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld door verweerder voor de terugbetaling van de terugvordering.

8.

De beroepen van eisers zijn ongegrond. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, mr. I.J. B. Corbey en
mr. W.B. Klaus, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.