Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12988

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
HAA 13/3133, 13/3134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WWB. Eiser heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en deze werkzaamheden niet gemeld aan verweerder, zodat hij zijn inlichtingenplicht geschonden heeft. Verweerder heeft op juiste gronden een schatting gemaakt van het aantal arbeidsuren en de perioden gedurende welke eiser werkzaamheden heeft verricht, nu eiser hier zelf geen administratie van heeft bijgehouden. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder is uitgegaan van een te hoog (fictief) inkomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13 3133 + 3134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: R. de Vos)

Procesverloop

Bij besluiten van 25 mei 2012 (het primaire besluit I) en brief van 18 juni 2012 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) opgeschort.

Bij besluit van 4 juni 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaak 13-3133).

Bij besluit van 30 augustus 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de Wwb-uitkering van eiser herzien over de perioden van 1 februari 2009 tot en met 30 april 2009 en van 1 november 2010 tot en met 30 april 2012. Tevens is een bedrag van € 15.276,04 vanwege ten onrechte verstrekte uitkering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 4 juni 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (zaak 13-3134).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser ontvangt sinds 2005 een Wwb-uitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een brief van 4 mei 2011 van de ex-echtgenote van eiser heeft een medewerker van het bureau fraudebestrijding van verweerder een onderzoek ingesteld. De uitkomsten van dit onderzoek waren aanleiding de zaak over te dragen aan de sociale recherche. In het kader van dit onderzoek is eiser gehoord op 24 mei 2012. Op 22 oktober 2012 is een proces-verbaal afgerond met bijlagen. Het proces-verbaal bevat verklaringen over de aanwezigheid van eiser in de bloemstallen van [naam 1] en [naam 2].

2.

Op grond van de verklaringen van eiser tijdens zijn verhoor op 24 mei 2012 heeft verweerder bij besluit van 25 mei 2012 de uitkering van eiser opgeschort, omdat hij niet aan de inlichtingenplicht heeft voldaan. Bij brief van 5 juni 2012 heeft verweerder eiser verzocht binnen 7 dagen een inkomensverklaring in te leveren. Omdat eiser aan dit verzoek niet heeft voldaan, heeft verweerder bij besluit van 18 juni 2012 meegedeeld dat de opschorting van de uitkering van kracht blijft. Verweerder heeft de gevraagde inkomensverklaring op 26 juni 2012 alsnog ontvangen. Op 28 juni 2012 is de Wwb-uitkering van eiser weer betaalbaar gesteld. Het vakantiegeld van eiser is op 31 augustus 2012 verrekend met de terugvordering op eiser. Het bezwaar van eiser tegen de opschorting heeft verweerder met bestreden besluit I deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk verklaard

Zaak 31-3133

3.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij de opschorting van zijn uitkering onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Eiser stelt dat hij in het verhoor op 24 mei 2012 heeft verklaard dat hij niet meer naar de bloemenstallen zou gaan. Bovendien bleek uit zijn verklaring dat hij weinig of niets verdiende met zijn werkzaamheden in de bloemenstallen. Er was dan ook geen aanleiding zijn uitkering volledig op te schorten.

4.

Voor wat betreft het opschorten van de uitkering per 24 mei 2012 geldt dat daarvoor voldoende grondslag bestond. Verweerder mocht op basis van de stand van het onderzoek op dat moment aannemen dat eiser de inlichtingplicht niet was nagekomen. Het was op dat moment nog niet duidelijk wat de gevolgen daarvan zouden zijn voor het recht op uitkering over mei 2012 en het recht op vakantietoeslag. Dat eiser zou hebben meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden bij de bloemenstallen zou beëindigen maakt dat niet anders. Ook voor de opschorting van de uitkering bij brief van 18 juni 2012 bestond voldoende grondslag. Verweerder had eiser immers bij brief van 5 juni 2012 gevraagd binnen 7 dagen een inkomensverklaring in te leveren. Eiser heeft deze inkomensverklaring niet tijdig, want pas op 26 juni 2012 bij verweerder ingediend. Het niet-tijdig inleveren van de inkomensverklaring was voldoende grondslag om de opschorting van de uitkering voort te zetten. De beroepsgrond faalt. Het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond.

Zaak 31-3134


5. Verweerder stelt zich op basis van het fraude-onderzoek op het standpunt dat is waargenomen dat eiser werkzaamheden heeft verricht in de bloemenstallen van [naam 1] en [naam 2]. Eiser heeft deze werkzaamheden niet bij verweerder gemeld. Eiser heeft van zijn werkzaamheden ook geen administratie bijgehouden. Verweerder heeft daarom een schatting gemaakt van de inkomsten van eiser. Op basis hiervan is de uitkering van eiser herzien en is het teveel betaalde teruggevorderd.

6.

Eiser voert in de eerste plaats aan dat hij bij [naam 1] en [naam 2] geen op loon waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hij was daartoe om medische redenen niet in staat. Ter ondersteuning heeft eiser verschillende medische stukken in het geding gebracht. Omdat verweerder wist dat eiser arbeidsbeperkingen heeft, had verweerder daarnaar een onderzoek moeten instellen. Eiser was in de bloemenstallen voor de gezelligheid aanwezig. En omdat hij wat om handen wilde hebben om te kunnen herstellen van zijn hersenbloeding en hartaanvallen. Eiser bestrijdt dat hij voor zijn werkzaamheden een beloning heeft ontvangen. Uit het ingestelde onderzoek blijkt dit ook niet volgens hem.


7. Eiser stelt ten onrechte dat uit het onderzoek niet blijkt dat hij voor zijn werkzaamheden voor [naam 1] en [naam 2] een vergoeding ontving. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij eiser 70 tot 100 euro per week betaalde en hem in 2011 voor de vakantie 250 euro extra had gegeven, dat hij hem wel eens een biertje gaf, eten voor hem betaalde en dat hij wel eens een fooi of bloemen kreeg. [naam 2] heeft verklaard dat hij eiser geen financiële vergoeding gaf, maar dat hij met eiser uit eten is geweest en dat hij een biertje met hem heeft gedronken. Eiser zelf heeft verklaard dat hij wel wat bloemen, eten, drinken en fooi heeft ontvangen. Dat eiser voor zijn werkzaamheden geen enkele vergoeding heeft gekregen, is niet te rijmen met deze verklaringen. Daarnaast is het zo dat de aanwezigheid van eiser tijdens openingstijden in een bloemenstal de veronderstelling rechtvaardigt dat daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid wordt verricht. Dat geldt te meer in dit geval waar vast staat dat eiser zich bezig hield met daar gebruikelijke werkzaamheden zoals het verkopen en afrekenen van bossen bloemen en het ophalen van bloemen op de bloemenveiling (vgl. ECLI:CRVB:2008:BD4612). Mede in aanmerking genomen dat eiser gemiddeld meer dan twintig uur per week aanwezig was in de bloemenstal is het niet aannemelijk dat eiser voor zijn werkzaamheden geen noemenswaardige vergoeding ontving. Aangezien uit het onderzoek geen duidelijk beeld naar voren komt van de inkomsten van eiser en eiser zelf daarover ook geen verifieerbare gegevens heeft verstrekt, mocht verweerder een fictief inkomen bepalen.

8.

De rechtbank verwerpt het standpunt dat eiser om medische redenen in het geheel niet in staat was tot het verrichten van loonvormende werkzaamheden. De overgelegde medische stukken bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Bovendien blijkt uit het ingestelde onderzoek in voldoende mate dat eiser gedurende een lange periode tenminste gemiddeld twintig uur per week in een bloemenstal aanwezig was en daar daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Ook al zou eiser tot schade van zijn gezondheid hebben gewerkt, dan kan dat er niet aan afdoen dat eiser deze werkzaamheden werkelijk heeft verricht. Onder deze omstandigheden was er geen aanleiding voor verweerder te onderzoeken of eiser vanwege zijn gezondheidstoestand wel in staat was tot het verrichten van op loon waardeerbare werkzaamheden.

9.

Wel is de rechtbank van oordeel dat, de gezondheidstoestand van eiser in aanmerking genomen, het niet realistisch is te veronderstellen dat eiser voor zijn werkzaamheden een beloning had kunnen bedingen op het niveau van het minimumloon. Eiser is hartpatiënt en heeft twee keer een hartaanval gehad. Als gevolg van een hersenbloeding is eiser slecht ter been en loopt hij met een stok. Aangezien in een bloemenstal het werk vooral staande wordt gedaan, moet worden aangenomen dat het arbeidstempo van eiser ruim beneden het gebruikelijke niveau ligt. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie moet worden uitgegaan van een fictief inkomen dat niet hoger ligt dan de helft van het minimumloon. In zoverre slaagt de beroepsgrond.

10.

Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht hoeveel uren hij in de bloemenstallen heeft gestaan.

11.

Eiser heeft de inlichtingplicht geschonden door bij verweerder geen melding te maken van zijn aanwezigheid in de bloemenstallen van [naam 1] en [naam 2].

Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja in hoeverre betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken of recht op bijstand bestond over de betreffende periode indien wel aan de inlichtingenplicht zou zijn voldaan (ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852).

Aangezien eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden ligt het op zijn weg informatie te verstrekken over het aantal uren dat hij heeft gewerkt. Het is niet aan verweerder daarnaar onderzoek te doen. Eiser heeft van zijn werkzaamheden geen administratie bijgehouden. Evenmin heeft hij verifieerbare gegevens verstrekt waaruit het aantal arbeidsuren kan worden afgeleid. Het stond verweerder dan ook vrij op basis van de afgelegde verklaringen een schatting te maken van het aantal arbeidsuren en de perioden gedurende welke eiser werkzaamheden heeft verricht. De beroepsgrond slaagt niet.

12.

Eiser betoogt dat verweerder bij het maken van een schatting onvoldoende rekening heeft gehouden met de perioden waarin hij niet aanwezig was in de bloemenstallen en waarin de bloemenstallen waren gesloten.

13.

Ook deze beroepsgrond faalt. In het proces-verbaal wordt op pagina 19 tot en met 21 aangegeven op welke wijze het aantal uren dat eiser heeft gewerkt in de bloemenstallen van [naam 1] en [naam 2] is vastgesteld. Verweerder is van deze berekening uitgegaan. Uit deze schatting van het aantal arbeidsuren per week en het aantal weken per jaar blijkt dat rekening is gehouden met perioden waarin eiser niet aanwezig was in de bloemenstallen en met perioden waarin de bloemenstallen waren gesloten. Uit de schatting blijkt bovendien dat op verschillende punten een voor eiser gunstig uitgangspunt is gekozen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat eiser met deze schatting tekort is gedaan.

14.

Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat verweerder na ontvangst van de brief van de ex-echtgenote van eiser te lang heeft gewacht met het instellen van een onderzoek. Eiser heeft zich niet gerealiseerd dat hij zijn aanwezigheid in de bloemenstallen bij verweerder had moeten melden. Als verweerder hem daar eerder op had gewezen, zou de terugvordering minder hoog zijn uitgevallen.

15.

Deze beroepsgrond kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het was een wettelijke verplichting van eiser om verweerder te informeren over zijn werkzaamheden in de bloemenstallen. Dat eiser zich dit niet heeft gerealiseerd, komt voor zijn risico. Het was niet aan verweerder om eiser ervan te weerhouden in strijd met de op hem rustende inlichtingenplicht werkzaamheden te verrichten.

16.

Aangezien verweerder de inkomsten van eiser te hoog heeft ingeschat, zal verweerder een nieuwe berekening van de terugvordering moeten maken. Omdat eiser tegen de wijze van berekening van de terugvordering geen beroepsgronden heeft aangevoerd, valt niet te verwachten dat tussen partijen over een nieuwe berekening van het terugvorderingsbedrag een geschil zal ontstaan. De rechtbank ziet daarin aanleiding verweerder op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17.

Het beroep tegen het bestreden besluit II is gegrond en de rechtbank vernietigt dit besluit voor zover daarbij € 15.276,04 van eiser is teruggevorderd.

18.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.888,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Aangezien verweerder het primaire besluit II ten dele zal moeten herroepen, is er aanleiding verweerder eveneens te veroordelen in de kosten van het bezwaar tegen dit besluit.

Beslissing

De rechtbank:

In zaak 13-3133:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;

In zaak 13-3134:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij € 15.276,04 van eiser is teruggevorderd;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit II;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2013.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.