Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12987

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_1032
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorschriften. Onjuiste toepassing afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Aangezien verweerder het ontwerp van het besluit niet ter inzage heeft gelegd en voorafgaand aan de terinzagelegging geen kennis van dat ontwerp heeft gegeven, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:11, eerste lid en 3:12, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen. Het bestreden besluit is dus niet in overeenstemming met afdeling 3.4 van de Awb voorbereid.

De rechtbank ziet geen aanleiding de schending van deze vormvoorschriften te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, nu niet is uitgesloten dat andere belanghebbenden door deze schending zijn benadeeld. Vanwege het ontbreken van de terinzagelegging van het ontwerp- besluit kan het zijn dat andere belanghebbenden niet zijn bereikt en daardoor geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, van de Awb over het ontwerp hebben ingebracht. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het haar ambtshalve bekend is dat zich in een andere procedure waarbij verweerder ten aanzien van de onderhavige inrichting maatwerkvoorschriften heeft gesteld een andere belanghebbende heeft gemeld.

De omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb wel ter inzage heeft gelegd en van dat besluit wel kennis heeft gegeven, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 12/1032

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2013 in de zaak tussen

1.

de vereniging [naam 1], te[woonplaats],

2.

de stichting [naam 2], te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. K.E. Hendriksen),

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, verweerder

(gemachtigden: mr. M.J.J. Jager, M. Davelaar, M. van Vugt, mr. T.A. Nijman (Milieudienst regio Alkmaar (MRA)) en R. Moerkerken (MRA).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3], te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. T. de Beet).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2012 (het bestreden besluit), verzonden op 13 februari 2012, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van de door eiseres sub 1 gedreven inrichting gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de inrichting).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd.

Op 14 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 12/1031 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van maatwerkvoorschrift 4 toegewezen en dit voorschrift geschorst totdat een oordeel is gegeven in beroep. De voorzieningenrechter heeft het verzoek voor het overige afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde, bijgestaan door [naam 4], [naam 5] en [naam 6]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder de juiste voorbereidingsprocedure heeft gevoerd en of deze procedure op juiste wijze is gevolgd.

2.

Verweerder stelt in het bestreden besluit dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften en dat de voorbereiding van het bestreden besluit daarom overeenkomstig het bepaalde in die afdeling heeft plaatsgevonden.

3.

Op grond van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. De rechtbank overweegt dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet is voorgeschreven met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de zogeheten reguliere procedure als neergelegd in de Awb van toepassing is op de voorbereiding van het onderhavige besluit.Het behoort evenwel tot de keuzevrijheid van verweerder om afdeling 3.4 van de Awb niettemin toe te passen bij de voorbereiding van een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9669), hetgeen verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan.

4.

Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Op grond van artikel 3:12, derde lid, van de Awb, voor zover van belang, wordt in de kennisgeving vermeld:

a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;

b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

c. op welke wijze dit kan geschieden; (…).

Op grond van artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

Op grond van artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Op grond van artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

5.

De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Verweerder heeft bij brieven van 6 oktober 2011 aan eisers en derde-partij een ontwerpbesluit toegezonden dat ertoe strekt maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de inrichting. Verweerder heeft eisers en derde-partij daarbij in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van veertien dagen een zienswijze in te brengen over het ontwerp.

Verweerder heeft het ontwerp van het te nemen besluit niet ter inzage gelegd en daarvan evenmin kennis gegeven.

Verweerder heeft het bestreden besluit met ingang van 8 maart 2012 ter inzage gelegd en daarvan op 7 maart 2012 kennis gegeven op een wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. In de kennisgeving is aangegeven dat belanghebbenden binnen zes weken beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit.

6.

Aangezien verweerder het ontwerp van het besluit niet ter inzage heeft gelegd en voorafgaand aan de terinzagelegging geen kennis van dat ontwerp heeft gegeven, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:11, eerste lid en 3:12, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen. Het bestreden besluit is dus niet in overeenstemming met afdeling 3.4 van de Awb voorbereid.

De rechtbank ziet geen aanleiding de schending van deze vormvoorschriften te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, nu niet is uitgesloten dat andere belanghebbenden door deze schending zijn benadeeld. Vanwege het ontbreken van de terinzagelegging van het ontwerp- besluit kan het zijn dat andere belanghebbenden niet zijn bereikt en daardoor geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, van de Awb over het ontwerp hebben ingebracht. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het haar ambtshalve bekend is dat zich in een andere procedure waarbij verweerder ten aanzien van de onderhavige inrichting maatwerkvoorschriften heeft gesteld een andere belanghebbende heeft gemeld.

De omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb wel ter inzage heeft gelegd en van dat besluit wel kennis heeft gegeven, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

7.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat het bestreden besluit een ambtshalve genomen besluit betreft, hoeft verweerder geen nieuw besluit te nemen. Verweerder zal dienen te beoordelen of hij het noodzakelijk acht dat opnieuw maatwerkvoorschriften ten aanzien van de inrichting worden gesteld.

Aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 310,00 vergoedt.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 477,00 en een wegingsfactor 1).

Voorts begroot de rechtbank de kosten in geval van eiseres sub 1 op
€ 5,40 ([naam 4]) en in het geval van eiseres sub 2 op € 10,80 ([naam 5] en
[naam 6]) aan reiskosten (openbaar vervoer per trein (tweede klasse) van [woonplaats] naar Alkmaar en terug).

De totaal door verweerder te vergoeden kosten bedragen aldus € 960,20.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 960,20, waarvan
€ 944,00 te betalen aan eisers, € 5,40 aan eiseres sub 1 en € 10,80 aan eiseres sub 2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.