Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12958

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
HAA 12/2665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de plaatsing van 12 lichtmasten.

Verweerder kan slechts en moet de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk weigeren, wanneer een van de in artikel 2.10, eerste lid, onder a tot en met e, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Verweerder heeft de toetsing van het bouwplan terecht beperkt tot de gronden voor weigering die zijn opgenomen in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreffen geen (zelfstandige) grond voor het weigeren van de vergunning en behoren derhalve niet tot het toetsingskader. Het toetsingskader laat evenmin ruimte voor een belangafweging met het oog op de door eisers gestelde extra licht- en geluidhinder en de vermeende strijdigheid met de Flora- en faunawet. Deze belangen moeten worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van (artikel 9 van de voorschriften van) het bestemmingsplan “Naaldenveld 1993” en kunnen niet bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning worden betrokken. Voor zover eisers aanvoeren dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend vanwege vermeende strijdigheid met de Flora- en faunawet, is de rechtbank van oordeel dat eisers niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist. De enkele verwijzing naar bestaande rapporten is daartoe onvoldoende.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 12/2665

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. C.B. de Jong),

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal, verweerder

(gemachtigde: mr. J.T.M. de Haan-Bergisch).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Aerdenhoutse Mixed Hockeyclub Rood-Wit, te Aerdenhout

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van 12 lichtmasten bij hockeyclub Rood-Wit, op het perceel Zwaluwenweg 11 in Aerdenhout.

Bij besluit van 26 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013, gezamenlijk met het beroep met zaaknummer HAA 12/3171.

[naam] is verschenen, bijgestaan door mr. U. Aloni, kantoorgenoot van mr. C.B. de Jong. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door F.D.S. Bettink, beiden werkzaam bij de gemeente Bloemendaal. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [namen].

Overwegingen

1.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent een limitatieve opsomming van gronden om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo te weigeren. Dit houdt in dat een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts mag en moet worden geweigerd in de in het artikel opgesomde gevallen. Vanwege het imperatieve karakter, moet een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de bouwverordening of met redelijke eisen van welstand.

2.

Op grond van het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan “Naaldenveld 1993” rustte op de gronden waarop de lichtmasten zijn voorzien de bestemming ‘Recreatieve doeleinden Rv(z)’. Ingevolge artikel 9, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, onder d, van de planvoorschriften mogen op deze bestemming lichtmasten van ten hoogste 18 meter geplaatst worden.

3.

Niet in geschil is dat eerdergenoemd bestemmingsplan niet in de weg staat aan het plaatsen van de lichtmasten. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend om de volgende reden. Volgens eisers heeft verweerder niet zonder nadere toelichting het advies van de welstandscommissie ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit, nu eisers in bezwaar gemotiveerd hebben aangegeven dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

4.1

De welstandscommissie heeft op 18 augustus 2011 positief geoordeeld over het bouwplan. Op 2 februari 2012 heeft de welstandscommissie opnieuw, in het kader van de behandeling van het bezwaar van eisers, het bouwplan beoordeeld en dit positief bevonden. De welstandscommissie heeft daarbij aangegeven dat de landschappelijke structuur niet wordt aangetast door de lichtmasten en dat er geen sprake is van verstoring van de zichtlijnen. Het bouwplan voldoet aan de gebiedsgerichte criteria als opgenomen in de Welstandsnota gemeente Bloemendaal 2010, aldus de commissie.

4.2

Verweerder mag, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Nu eisers in beroep tegenover het (nadere) advies van de welstandscommissie uitsluitend hun eigen opvattingen hebben geplaatst en geen tegenadvies van een deskundige hebben overgelegd ter bestrijding van het advies van de welstandscommissie en vooralsnog niet is gebleken dat dit advies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven, mocht verweerder daarop afgaan. De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Eisers betogen voorts dat verweerder, door te overwegen dat de toetsing van het bouwplan zich beperkt tot het limitatief-imperatieve stelsel als opgenomen in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, ten onrechte is voorbijgegaan aan toetsing van het bestreden besluit aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.1

Verweerder kan slechts en moet de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk weigeren, wanneer een van de in artikel 2.10, eerste lid, onder a tot en met e, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Verweerder heeft de toetsing van het bouwplan terecht beperkt tot de gronden voor weigering die zijn opgenomen in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreffen geen (zelfstandige) grond voor het weigeren van de vergunning en behoren derhalve niet tot het toetsingskader. Het toetsingskader laat evenmin ruimte voor een belangafweging met het oog op de door eisers gestelde extra licht- en geluidhinder en de vermeende strijdigheid met de Flora- en faunawet. Deze belangen moeten worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van (artikel 9 van de voorschriften van) het bestemmingsplan “Naaldenveld 1993” en kunnen niet bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning worden betrokken. Voor zover eisers aanvoeren dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend vanwege vermeende strijdigheid met de Flora- en faunawet, is de rechtbank van oordeel dat eisers niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist. De enkele verwijzing naar bestaande rapporten is daartoe onvoldoende.

6.

Eisers voeren voorts aan dat verweerder door de omgevingsvergunning te verlenen, heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. In de brief van verweerder van 23 januari 2003, gericht aan omwonenden van het hockeycomplex, heeft verweerder namelijk toegezegd dat de gemeente geen toestemming zal verlenen voor het oprichten van lichtmasten bij de drie kunstgrasvelden waarvoor bij besluit van 6 februari 2003 aanlegvergunning is verleend. Dit heeft de gemeente vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met Rood-Wit. Alleen in geval van niet voorzienbare- en zwaarwegende omstandigheden had verweerder hierop terug kunnen komen, aldus eisers. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het feit dat sprake is van lange wachtlijsten bij Rood-Wit kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt, aldus eisers.

6.1

Verweerder geeft aan dat hij in 2008 hierop is teruggekomen en de gemeenteraad heeft geadviseerd om, ten aanzien van alle in de gemeente gevestigde hockeyverenigingen, privaatrechtelijk toestemming te verlenen voor het aanleggen van lichtinstallaties bij de kunstgrasvelden. De raad heeft overeenkomstig het voorstel van verweerder besloten.

6.2

De rechtbank stelt vast dat genoemde toezegging ziet op de privaatrechtelijke positie van de gemeente als eigenaar van de gronden van het hockeycomplex. Nu het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en er ook overigens geen weigeringsgronden zijn, komt aan deze toezegging, los van de vraag of verweerder hierop in redelijkheid heeft kunnen terugkomen, geen betekenis toe bij de onderhavige beoordeling. Het al dan niet verlenen van privaatrechtelijke toestemming aan Rood-Wit voor het plaatsen van lichtmasten kan gevolgen hebben voor de feitelijke uitvoering van het bouwplan, doch raakt niet de vergunningverlening als zodanig. Het betoog faalt.

7.

De klacht van eisers dat een salamitactiek wordt gehanteerd waardoor Rood-Wit door de verlening van diverse afzonderlijke vergunningen steeds verder uitbreidt, tast de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning niet aan. De Wabo staat voorts niet in de weg aan het in behandeling nemen van de aanvraag hier in geding.

8.

Het beroep is ongegrond.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. I.M. Ludwig en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.