Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12770

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/3760, 13/5056
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:71, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen verplichting mee te werken aan onderzoek naar rijvaardigheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/3760 en AWB 13/5056

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linneman),

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster

(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerster eiseres verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid.

Bij besluit van 29 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het onderzoek wordt uitgesteld in afwachting van de uitspraak op het beroep.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [naam], als waarnemer van gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank aanvullende stukken van eiseres ontvangen, gedateerd 5 december 2013, ontvangen door het Openbaar Ministerie op 9 december 2013. Deze stukken bevonden zich reeds in het dossier, zodat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.

Op 4 februari 2013 is door de korpschef van de politie Amsterdam - Amstelland, aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) gedaan van het vermoeden dat eiseres, die houder is van een rijbewijs, niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën A, B, E en AM van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op omstandigheden zoals die bleken uit een mutatierapport van 31 januari 2013 en waarbij eiseres als bestuurster van een motorrijtuig was betrokken.

In het mutatierapport is vermeld dat eiseres de linkerzijspiegel van een onopvallend dienstvoertuig van de politie heeft afgereden. Toen de inzittenden van het dienstvoertuig eiseres daarop aanspraken vond eiseres dat zij niets had gedaan en is verder gereden. Collega’s van de twee agenten hebben eiseres gevolgd en getracht haar staande te houden. Eén van de agenten is op zijn motor naast eiseres gaan rijden, maar dit had zij niet in de gaten. Vervolgens reed eiseres het Vondelpark in en negeerde meerdere verkeersborden. Toen de agent, die nog steeds naast haar reed, claxonneerde is eiseres gestopt. Na de staandehouding hebben de agenten nog enige tijd achter eiseres aangereden. Zij zagen dat eiseres medeweggebruikers afsneed en dat eiseres over een trottoir en een fietspad reed. Voorts constateerden zij dat eiseres bijna geen richting aangaf, of dat zij dit wel deed maar dan de andere kant op reed.

3.

Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerster een onderzoek naar haar rijvaardigheid opgelegd op grond van artikel 131 Wvw, op grond van de volgende feiten en omstandigheden genoemd in artikel 23, derde lid juncto bijlage 1, onder A, Rijvaardigheid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling) .

  • -

    I.1 onder 4: een onjuist gebruik of nalaten van het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers, richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming; en

  • -

    II.2 onder a: Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit de plaats op de weg, waaronder spookrijden.

Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat aan het eerste punt het foutief dan wel niet gebruiken van de richtingaanwijzer ten grondslag ligt, en aan het tweede punt het rijden over het trottoir en fietspad.

4.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerster bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Verweerster heeft slechts op grond van de informatie van de politie een besluit genomen, terwijl de hele voorstelling van zaken omtrent de aanrijding en de staandehouding in het mutatierapport niet in overeenstemming is met wat zich in werkelijkheid heeft afgespeeld.

Kort samengevat - en voor zover hier van belang - stelt eiseres dat zij geen fietsers heeft gehinderd of over de stoep heeft gereden. Zij heeft slechts bij een onderbroken streep over het fietspad gereden, aangezien men anders niet op de weg kon komen. Eiseres wijst erop dat zij niet opnieuw is staande gehouden, haar geen rijverbod is opgelegd of dat een bekeuring is gegeven, er is zelfs geen proces-verbaal opgemaakt.

Er is onvoldoende rekening gehouden met het belang van eiseres om gebruik te blijven maken van haar rijbewijs zonder op hoge kosten te worden gejaagd.

5.

Verweerster heeft in het bestreden besluit overwogen dat hoewel eiseres feitelijk gezien niet is aangehouden en er geen proces-verbaal is opgemaakt, dit niet afdoet aan de bevoegdheid van het CBR om het onderzoek op te leggen. Op grond van 130 Wvw is mededeling gedaan van het vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de rijvaardigheid. Hierbij dienen slechts feiten en omstandigheden te worden vermeld in een schriftelijke mededeling die aan het vermoeden dat ten grondslag liggen. De politie heeft deze feiten en omstandigheden bij de mededeling gevoegd in de vorm van een mutatierapport. Verweerster heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2011:BR6338. Hierin is – samengevat voor zover van belang - geoordeeld dat ook een mutatierapport een aanvaarde vorm is waarmee politieambtenaren waargenomen feiten en omstandigheden kunnen vastleggen. Deze vorm is weliswaar met minder waarborgen omgeven, en kent minder bewijskracht dan een proces-verbaal. Een enkele ontkenning volstaat echter niet om de mutaties buiten beschouwing te laten.

Verweerster heeft op grond van de feiten en omstandigheden vermeld in het mutatierapport geconcludeerd dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van een niet langer beschikken over de vereiste rijvaardigheid tot het besturen van motorrijtuigen.

6.

Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) 1994, voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

7.

Op grond van artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

8.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het mutatierapport buiten beschouwing te laten. Hoewel het mutatierapport geen ambtsedig proces-verbaal is, vormt het een verslag met waarnemingen van twee rapporteurs over de omstandigheden tijdens en na de staandehouding van eiseres, en van het incident met het aantikken van het politievoertuig voor zover zij dit hebben begrepen van hun collega’s.

De enkele ontkenning van eiseres is onvoldoende om de juistheid hiervan te betwijfelen. Verweerder heeft de mededeling en het daaraan gevoegde mutatierapport ten grondslag kunnen leggen aan haar besluit om eiseres te verplichten mee werken aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit dan ook stand houden.

9.

Eiseres heeft tevens aangevoerd dat er geen medische gronden zijn om onvoldoende rijvaardigheid aan te nemen. Zij heeft verwezen naar de conclusie van het onderzoek verricht op 20 november 2013. Hierin is vermeld dat er geen redenen zijn haar een groep 1 rijbewijs te onthouden.

10.

Ter zitting heeft verweerder vermeld dat onderzoek is gedaan naar de medische situatie van eiseres, uitmondend in een verslag. Verweerder heeft hierover nog geen besluit genomen.

11.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat het medische onderzoek in deze procedure niet van belang is. Ter beoordeling ligt voor of eiseres terecht de verplichting is opgelegd deel te nemen aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid, met een theoretisch en praktisch gedeelte.

12.

Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.