Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12616

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
C/14/150211 / HA RK 13/113
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Uit het enkele feit dat de rechter in een zaak tegen een medeverdachte – over hetzelfde feitencomplex als waarop de tenlastelegging tegen verzoeker is gebaseerd – betrokken was bij de veroordeling van die medeverdachte, kan niet worden afgeleid dat de rechter blijk heeft gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/14/150211 / HA RK 13/113

parketnummer 15/710763-11

Beslissing van 2 december 2013

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats],

hier te noemen: verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. A.S. van Leeuwen,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft op 13 november 2013 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie strafrecht, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als parketnummer 15/710763-11, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 2 december 2013. Verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem. Voorts is verschenen de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

De raadsman heeft namens verzoeker ter onderbouwing van het verzoek
– samengevat – het volgende aangevoerd.

Gezien het feit dat een veroordeling voor openlijke geweldpleging vereist dat de geweldpleging in vereniging met een ander is gepleegd en dat blijkens het dossier, het verhandelde ter terechtzitting in de zaak van de [medeverdachte 1] en de motivering van de uitspraak in de zaak van de [medeverdachte 1], duidelijk is gebleken dat deze tweede persoon verzoeker moet zijn geweest, meent verzoeker dat uit de veroordeling van de medeverdachte – nog voordat zijn eigen zaak behandeld werd – het standpunt van de politierechter over verzoekers betrokkenheid bij de openlijke geweldpleging duidelijk was. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2004, NJ 2004, 498 zou als uitgangspunt gesteld kunnen worden dat er in het algemeen geen wrakingsgrond aanwezig is wanneer een rechter al heeft geoordeeld in de zaak tegen een medeverdachte. In de zaak van verzoeker ligt de situatie echter anders nu er maar twee verdachten zijn. De veroordeling van de [medeverdachte 1] door de rechter leverde logischerwijs de situatie op dat de rechter feitelijk al een standpunt had ingenomen omtrent verzoekers betrokkenheid in de zaak. Immers, de [medeverdachte 1] kan niet alleen openlijk geweld hebben gepleegd en verzoekers verdediging had dus geen enkele kans van slagen meer. Verzoeker wilde gemotiveerd vrijspraak bepleiten, omdat hij slechts getracht heeft partijen uit elkaar te halen. De rechter zou – als zij verzoekers verzoek om vrijspraak zou volgen – een vonnis moeten wijzen wat geheel tegenstrijdig zou zijn aan het door haar gewezen vonnis in de zaak van de [medeverdachte 1].

De rechter had – om het uitgangspunt van vermoeden van onpartijdigheid in stand te houden – moeten wachten met het doen van een uitspraak in de zaak van de [medeverdachte 1] tot na de inhoudelijke behandeling van verzoekers zaak die dezelfde ochtend, direct na de behandeling van de zaak van de [medeverdachte 1], gepland stond. Verzoeker was verbaasd over de gang van zaken. Verzoeker zei vlak voor aanvang van de behandeling van zijn zaak daarover: “Mijn hoofd ligt nu al op de slachtbank”.

Naast bovenstaande omstandigheid was er ook sprake van een bijkomende objectieve aanwijzing die verzoekers vermoeden van vooringenomenheid van de rechter heeft versterkt. Nadat de raadsman de rechter had voorgelegd gebruik te maken van haar mogelijkheid om zich te verschonen en na een korte schorsing van de zitting, merkte de rechter blijkens het proces-verbaal van de zitting – zonder enig voorbehoud te maken – op dat verzoeker een bekennende verklaring zou hebben afgelegd. Dit duidt er op dat de rechter reeds een oordeel had gevormd over de waardering van de bewijsmiddelen en over de uiteindelijke uitkomst van de zaak. Het maken van voornoemde opmerking – voordat het feitenonderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden – door de rechter is een zelfstandige, zwaarwegende en objectieve aanwijzing van vooringenomenheid (Hoge Raad 2 juni 2009, LJN BH9920). Verzoeker heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij een duw heeft gegeven. Dat de rechter daarvan maakt dat verzoeker een bekennende verklaring heeft afgelegd ter zake openlijke geweldpleging dan wel mishandeling wijst er duidelijk op dat de rechter al voor de behandeling van de zaak een oordeel over de zaak had gevormd. Verzoeker wilde ter zitting uitgebreid toelichten wat voor duw hij gegeven had en waarom hij een duw had gegeven. Hij heeft slechts de ruziënde partijen getracht uit elkaar te halen.

Van belang is verder dat al bij de behandeling van de zaak van de [medeverdachte 1] bleek dat door de rechter verzoekers getuigenverklaring niet serieus leek te worden genomen. Ook in de zaak tegen de [medeverdachte 2], die later op dezelfde ochtend werd behandeld, werd verzoekers getuigenverklaring als onbetrouwbaar weggezet door de rechter. De rechter meende dat er wel genoeg bewijs was om de [medeverdachte 2] te veroordelen, maar zij gaf aan dat bij haar de overtuiging ontbrak.

Op grond van al het voorgaande meent verzoeker dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechter vooringenomen was jegens verzoeker op het moment dat zijn zaak behandeld zou worden ter zitting en dat de rechter niet onpartijdig is opgetreden jegens verzoeker, hetgeen strijdig is met artikel 6 EVRM.

De raadsman verzoekt de wrakingskamer het wrakingsverzoek toe te wijzen en te bepalen dat een andere rechter verzoekers zaak zal behandelen.

2.2.

Verzoeker heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij het vreemd vond dat de onderliggende zaak, de aanrijding van [medeverdachte 1], niet ter sprake mocht komen, terwijl dit de voorgeschiedenis van de zaak weergeeft.

2.3.

Ter zitting heeft de rechter in haar reactie op het wrakingsverzoek naar voren gebracht dat zij de verklaring van verzoeker inderdaad bekennend heeft genoemd, maar dat zij hiermee doelde op de feitelijke handeling van het geven van de duw. Dit betrof overigens haar voorlopige oordeel op basis van het strafdossier. Direct daarna heeft zij, zoals ook blijkt het proces-verbaal, aangegeven de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting de gelegenheid te geven om zijn verweren te voeren.

Uit efficiency overwegingen heeft de rechter ervoor gekozen de vijf zaken afzonderlijk te behandelen en af te ronden. Verdachten hadden anders de gehele ochtend moeten wachten. Daarnaast speelde de gedifferentieerdheid van de dagvaardingen een rol. De openlijke geweldpleging was het enige feit dat op twee dagvaardingen stond. Indien van tevoren was verzocht om gelijktijdig uitspraak te doen, dan had de rechter daar open voor gestaan.

Met betrekking tot het gebruik van verzoekers getuigenverklaring in de zaak van de [medeverdachte 2] merkt de rechter op dat deze zaak later op de ochtend behandeld is, derhalve nadat de zaak van verzoeker gepland stond.

Ten aanzien van het niet bespreken van het onderliggende conflict merkt de rechter op dat zij aan het begin van de zitting melding heeft gemaakt van de aanrijding. Vervolgens wilde zij inzoomen op de dagvaarding van verzoeker, hetgeen in een strafzaak als uitgangpunt dient te gelden.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2.

Uit het enkele feit dat de rechter in een zaak tegen een medeverdachte – over hetzelfde feitencomplex als waarop de tenlastelegging tegen verzoeker is gebaseerd – betrokken was bij de veroordeling van die medeverdachte, kan niet worden afgeleid dat de rechter blijk heeft gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan verzoeker is ten laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen zij heeft beslist in een andere zaak tegen een medeverdachte buiten beschouwing te laten. De omstandigheid dat een openlijke geweldpleging is ten laste gelegd en slechts twee verdachten gedagvaard zijn, maakt dat niet anders.

3.3.

Gelet op de context waarin de uitlating van de rechter omtrent de bekennende verklaring van verzoeker werd gemaakt en de blijkens het proces-verbaal van de zitting daarop volgende opmerking dat de rechter de raadsman de gelegenheid zal geven om zijn verweren te voeren, komt de wrakingskamer tot het oordeel dat deze uitlating van de rechter niet gezien kan worden als een blijk van het bestaan van de overtuiging bij de rechter omtrent de schuld van verzoeker. Juist deze samenhang maakt immers duidelijk dat de rechter doelde op de door verdachte tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring omtrent een feitelijke handeling en dat geen sprake was van een – zelfs niet voorlopig – oordeel omtrent het ten laste gelegde feit.

3.4.

De beoordeling van de rechter in de zaak van [medeverdachte 2] vond plaats nadat de behandeling van de zaak van verzoeker na het wrakingsverzoek reeds was geschorst. Dit oordeel kan derhalve niet bijdragen aan de beoordeling door de wrakingskamer van de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden.

3.5.

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

4.3.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.4.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team strafrecht, locatie Alkmaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. W.C. Oosterbroek en mr. P.G. Vroom, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.