Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12598

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
AWB-12_2780
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorschriften. Uitleg overgangsrecht artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de aard en de werking van de inrichting sinds 2009 in belangrijke mate zijn gewijzigd. De enkele stelling van verweerder dat het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting voor 2009 minder dan 80 dB(A) bedroeg en thans meer dan 80 dB(A) bedraagt, acht de rechtbank, wat ook zij van de aannemelijkheid van die stelling, daarvoor onvoldoende.

De rechtbank acht van betekenis dat op de locatie sinds 1988 een horecabedrijf is gevestigd en dat op de locatie sindsdien ook altijd een horecabedrijf in werking is geweest. De tekst van en de toelichting op artikel 6.15 van het Activiteitenbesluiten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat onder die omstandigheden geen overgangsrechtelijke bescherming toekomt aan de inrichting.

Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit dan ook ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de waarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn op de gevel van de woning van de derde-partij. Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit genomen.

Wetsverwijzingen
Activiteitenbesluit milieubeheer, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 12/2780

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2013 in de zaak tussen

1.

[naam 1][naam 1], te [woonplaats],

2.

de besloten vennootschap [naam 2], te [woonplaats],

(gemachtigde: ir. J.F.C. Kupers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Verheijden, J.J. Veltkamp en R. Stoop).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. G. Creutzberg).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 2.20 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van café [naam 4] aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de inrichting).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres sub 2 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door mr. C. Teerenstra, kantoorgenote van
G. Creutzberg. Voorts is verschenen [naam 5].

Overwegingen

1.1 Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat ter zitting is gesteld dat de exploitatie van de inrichting door eisers is overgedragen aan [naam 5].

1.2 Niet in geschil is dat eiser sub 1 eigenaar is van de inrichting. De rechtbank is van oordeel dat eiser sub 1 als eigenaar belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

1.3 Hoewel eiser sub 1 ter zitting heeft gesteld dat de exploitatie van de inrichting inmiddels is overgedragen aan [naam 5] en dat de inrichting aan laatstgenoemde is verpacht, is ter zitting niet duidelijk geworden onder welke condities die overdracht en verpachting hebben plaatsgevonden en op welke wijze. De rechtbank houdt het er gelet hierop voor dat eiseres sub 2 als exploitant van de inrichting belang heeft behouden bij een beoordeling van het bestreden besluit.

1.4 De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep van eisers inhoudelijk beoordelen.

2.

De rechtbank neemt bij de beoordeling de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 11 oktober 1988 heeft verweerder aan [naam 6] een vergunning op grond van de Hinderwet verleend voor het oprichten of in werking hebben van een discotheek aan de [adres 2]te [woonplaats].

Op 17 april 1996 heeft vennootschap onder firma [naam 7] bij verweerder een melding op grond van het Besluit horecabedrijven Hinderwet ingediend voor het oprichten van het horecabedrijf “[naam 8]” aan de [adres 1] te [woonplaats]. Op het meldingsformulier is aangegeven dat het gaat om een café/bar met een jukebox.

Op 2 april 2001 heeft eiser sub 1 bij verweerder een melding op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) ingediend voor bar “[naam 4]” aan de [adres 1] te [woonplaats] in verband met het van toepassing worden van het Besluit.

Op 11 april 2001 heeft verweerder deze melding geaccepteerd en aan eiser sub 1 meegedeeld dat het café binnen de werkingssfeer van het Besluit valt.

Naar aanleiding van geluidsklachten van de derde-partij, bewoonster van de woning aan de [adres 3] te [woonplaats], zijn onder meer op 13 en 14 augustus 2011 geluidsmetingen bij de inrichting verricht. De resultaten van die metingen zijn neergelegd in een rapport van 16 augustus 2011. In dit rapport is geconcludeerd dat vanwege de inrichting ter hoogte van de woning aan de [adres 3] een overschrijding plaatsvindt van 14 dB(A) in de nachtperiode van de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.

Op 4 oktober 2011, aangevuld op 16 januari 2012, is een akoestisch onderzoek opgesteld door Kupers en Niggebrugge B.V.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

3.1

Op 1 januari 2008 is het Besluit ingetrokken en is het Activiteitenbesluit in werking getreden.

3.2

Niet in geschil is dat de inrichting is aan te merken als een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit, zodat het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 op de inrichting van toepassing is geworden.

3.3

Op grond van artikel 1.4, tweede lid, van het Activiteitenbesluit voldoet degene die een inrichting type B drijft aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

4.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit acht maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van de inrichting. Eén van de maatwerkvoorschriften strekt ertoe dat in de inrichting het muziekgeluid alleen ten gehore mag worden gebracht via een muziekinstallatie, waarvan het geluidsniveau begrensd wordt door een door het bevoegd gezag goedgekeurde geluidsbegrenzer. Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit tot uitgangspunt genomen dat het overgangsrecht zoals neergelegd in de artikelen 6.12, eerste lid, en 6.15 van het Activiteitenbesluit niet op de inrichting van toepassing is, zodat voor de inrichting en op de gevel van de woning van de derde-partij de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden. Volgens verweerder volgt uit het akoestisch onderzoek van 4 oktober 2011 dat, om aan die geluidsnormen te kunnen voldoen, het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode maximaal 102 dB(A), 97 dB(A) en 92 dB(A) mag bedragen. Voorts volgt volgens verweerder uit het rapport dat ten aanzien van de inrichting technische maatregelen en gedragsregels noodzakelijk zijn om aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen. Het voorschrijven van eisen aan installaties geeft rechtszekerheid aan de inrichtinghouder. Het equivalente geluidsniveau is in te regelen met een verzegelde geluidsbegrenzer.

5.

Ter zitting is komen vast te staan dat niet in geschil is dat het overgangsrecht als neergelegd in artikel 6:12, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet op de inrichting van toepassing is, zodat de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voor de inrichting gelden.

6.1

Partijen houdt met name verdeeld het antwoord op de vraag of de waarden als bedoeld in tabel 2.17a behorende bij artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit onverkort van toepassing zijn op de gevel van de meest nabij gelegen woning van derde-partij aan de [adres 3] te [woonplaats].

6.2

Voor de beoordeling van die vraag is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, voor zover van belang, geldt dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

De in tabel 2.17a aangegeven waarden bedragen voor het LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) van 23.00 tot 07.00 uur.

Ingevolge artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit, voor zover van belang, zijn voor inrichtingen waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen 2.17 en 2.18, het Besluit van toepassing was, de waarden uit de artikelen 2.17, 2.18 dan wel 2.19 niet van toepassing op de gevel van respectievelijk in een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.

6.3

Verweerder betoogt dat het overgangsrecht als neergelegd in artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is indien de aard en de werking van de inrichting sinds de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 zijn gewijzigd. Volgens verweerder zijn de aard en de werking van de inrichting in 2009 gewijzigd. Sindsdien wordt de inrichting als feestcafé geëxploiteerd en, zo blijkt uit het akoestische onderzoek van 4 oktober 2011, bedraagt het equivalente geluidniveau binnen de inrichting als gevolg van muziek meer dan 80 dB(A). Ten opzichte van de melding die op 2 april 2001 is gedaan en waarbij is aangegeven dat het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting als gevolg van muziek minder dan 80 dB(A) bedraagt, is de inrichting aldus gewijzigd naar een inrichting waarbij het ten gehore brengen van muziek structureel deel uitmaakt van de inrichting en uit de aard van het bedrijf onmisbaar is. De woning van de derde-partij geniet volgens verweerder dan ook bescherming.

6.4

Eisers betogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit, geen geluidsnormen gelden ter hoogte van de bedrijfswoning aan de [adres 3]. Volgens eisers is de inrichting, die voor de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit als een discotheek werd geëxploiteerd en thans als feestcafé wordt geëxploiteerd, naar aard en werking niet wezenlijk veranderd. Verweerder is er volgens eisers dan ook ten onrechte van uitgegaan dat sprake is van een nieuwe inrichting.

6.5

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de aard en de werking van de inrichting sinds 2009 in belangrijke mate zijn gewijzigd. De enkele stelling van verweerder dat het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting voor 2009 minder dan 80 dB(A) bedroeg en thans meer dan 80 dB(A) bedraagt, acht de rechtbank, wat ook zij van de aannemelijkheid van die stelling, daarvoor onvoldoende.

De rechtbank acht van betekenis dat op de locatie sinds 1988 een horecabedrijf is gevestigd en dat op de locatie sindsdien ook altijd een horecabedrijf in werking is geweest. De tekst van en de toelichting op artikel 6.15 van het Activiteitenbesluiten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat onder die omstandigheden geen overgangsrechtelijke bescherming toekomt aan de inrichting.

6.6

De rechtbank stelt vast dat het Besluit onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing was. De rechtbank stelt voorts, mede op basis van het verhandelde ter zitting, vast dat derde-partij de woning aan de [adres 3] feitelijk bewoont en dat deze woning boven haar eigen bedrijf, een winkel waarin zij onder meer huiden en lederwaren verkoopt, is gesitueerd. De woning is, naar ter zitting van de zijde van verweerder is verklaard, planologisch bestemd als bedrijfswoning en ook als zodanig opgericht in 2007. Onder deze omstandigheden is sprake van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit.

6.7

Uit het voorgaande volgt dat aan het bepaalde in artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit is voldaan. Dit betekent dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de waarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn op de gevel van de woning van de derde-partij. Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit genomen.

7.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Zij neemt daarbij allereerst in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat, indien ervan wordt uitgegaan dat artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit van toepassing is, hij nader dient te onderzoeken of het voorschrijven van een geluidsbegrenzer nog noodzakelijk is.

Daarnaast heeft verweerder ter zitting zelf de vraag opgeworpen of de meest nabij gelegen woningen van overige derden, waarnaar in het akoestische onderzoek van 4 oktober 2011 eveneens is verwezen, wel op een afstand van circa 25 meter van de inrichting zijn gelegen.

Het voorgaande betekent dat de maatwerkvoorschriften die verweerder ten aanzien van de inrichting heeft gesteld niet meer gelden. Omdat het bestreden besluit een ambtshalve genomen besluit betreft zal verweerder dienen te beoordelen of hij het noodzakelijk acht wederom maatwerkvoorschriften ten aanzien van de inrichting te stellen.

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 310,00 vergoedt.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 477,00 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank wijst af het verzoek om vergoeding van reiskosten gemaakt door de gemachtigde van eisers. Datzelfde geldt voor het verzoek om vergoeding van overige kosten die de gemachtigde van eisers in verband met onder meer het beoordelen van stukken en het opstellen van een zienswijze heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hiertoe dat de reiskosten en de overige kosten van een gemachtigde rechtsbijstandsverlener reeds zijn begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand en dus niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen.

Eisers hebben tevens vergoeding gevraagd van de kosten van hun gemachtigde voor een door deze gemachtigde opgesteld deskundigenrapport. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat ingevolge artikel 8:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover van belang, een deskundige verplicht is zijn opdracht onpartijdig te vervullen. Hiermee verdraagt zich niet dat een gemachtigde daarnaast in dezelfde zaak als deskundige optreedt.


Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzitter, mr. M. de Rooij en mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

de griffier is verhinderd deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.