Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12579

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
C/15/107728 / HA ZA 04-1684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omstreeks juni 2002 is gebleken dat de resultaten in de Nederlandse Zeugenhouderij verminderden. Uit onderzoek kwam naar voren dat door Nederlandse varkenshouders toegepast varkensvoer de hormonale substantie medroxyprogesteron acetaat (mpa) bevatte. Ingevolge richtlijn 96/22/EG is het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij verboden.

Nader onderzoek wees uit dat de bron van de vervuiling in Ierland lag. De daar gevestigde geneesmiddelenfabrikant Wyeth gebruikte een suikeroplossing voor het aanbrengen van een coating op anticonceptiepillen.

Met mpa vervuild suikeroplossing is door Wyeth via afvalmakelaar Cara ter verwerking verscheept naar Bioland Liquid Sugars in België. Bioland heeft de suikeroplossing ten tijde van haar faillissement - kennelijk op aandringen van de curator - van haar bedrijventerrein verwijderd door dit te leveren aan enkele Nederlandse schakels in de productieketen van varkensvoer.

Na ontdekking van de mpa in Nederlandse varkens zijn de desbetreffende varkenshouderijen onder toezicht gesteld en geblokkeerd. Vervolgens heeft het Productschap voor Vee en Vlees in overleg met het Ministerie van LNV besloten tot een opkoopregeling van de varkens, die vervolgens zijn vernietigd.

Eiseressen vorderden verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens hen en/of hun leden hebben gehandeld omdat bij het overdragen van de suikeroplossing aan Bioland geen melding zou zijn gedaan aan de Ierse en Belgische autoriteiten, terwijl dit op grond van verordening (EEG) 259/93 wel zou zijn vereist. Ook vorderen eiseressen sub 1 en 2 vergoeding van de schade die verband houdt met de opkoopregeling.

De rechtbank wijst de vorderingen af. Zowel naar Iers als naar Nederlands recht hebben eiseressen onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van het voor toewijzing van de vorderingen vereiste conditio sine qua non verband. Van eiseressen had mogen worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden zouden stellen waaruit zou blijken dat de Belgische autoriteiten bij het wel voldoen door gedaagden aan hun wettelijke verplichtingen onder de verordening hadden opgetreden tegen Bioland en wel zodanig dat daarmee de opname van het suikerwater (met mpa) in de Nederlandse varkensvoedselketen was voorkomen. Nu eiseressen dit hebben nagelaten hebben zij niet aan hun stelplicht voldaan.

Ook de cessie van vorderingen van varkenshouders kan geen grondslag bieden voor de gevorderde schadevergoeding, aangezien de varkenshouders ten tijde van de cessie ) geen vordering op Wyeth en Cara konden hebben in verband met de hier gevorderde schade, omdat hun varkens tegen marktprijzen waren opgekocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/107728 / HA ZA 04-1684

Vonnis van 18 december 2013 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PRODUCTSCHAP VEE EN VLEES (PVV),

gevestigd te Zoetermeer,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PRODUCTSCHAP DIERVOEDER (PDV),

gevestigd te Den Haag,

3. de vereniging

LAND- EN TUINBOUWORGANISATIE NEDERLAND (LTO-NEDERLAND),

statutair gevestigd te Den Haag,

4. de vereniging

NEDERLANDSE VAKBOND VARKENSHOUDERS (NVV),

statutair gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,

5. de vereniging

NEDERLANDSE VERENIGING DIERVOEDERINDUSTRIE (NEVEDI),

statutair gevestigd te Rotterdam,

6. de vereniging,

NEDERLANDSE BOND VAN HANDELAREN IN VEE (NBHV),

statutair gevestigd te Den Haag,

eiseressen,

procesadvocaat mr. R.A.M. Schram,

behandelend advocaat mr. G.M.F. Snijders,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AHP MANUFACTURING B.V.,

statutair gevestigd te, voorheen gemeente Haarlemmermeer, thans Capelle aan den IJssel,

mede kantoor houdende te Ierland en aldaar handelend onder de naam Wyeth Medica Ireland,

gedaagde,

advocaat mr. J. van den Brande,

2. de rechtspersoon naar Iers recht

CARA ENVIRONMENTAL TECHNOLOGY LTD.,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

procesadvocaat mr. R.A.M. Schram,

behandelend advocaat mr. K.A.J. Bisschop.

Partijen zullen hierna PVV c.s., Wyeth (gedaagde sub 1) en Cara (gedaagde sub 2) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 4 mei 2005

  • -

    de conclusies van antwoord van Wyeth en van Cara

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende vermindering, vermeerdering en/of wijziging van eis

  • -

    de conclusies van dupliek van Wyeth en van Cara

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van PVV c.s.

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van Wyeth

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van Cara

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 27 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Wyeth had in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Zij produceerde onder meer anticonceptiepillen. Daarbij gebruikte zij het synthetisch hormoon medroxy progesteron acetaat (hierna: mpa). Onderdeel van het productieproces was coating van de geneesmiddelen. Dit proces resulteerde mede in twee afvalstromen: de ene bestaande uit een wateroplossing met alleen suiker en kleurstof (suikerwater), de andere uit een suikeroplossing met kleurstof alsmede mpa.

2.2.

Wyeth beschikte als afvalproducent over een Integrated Pollution Prevention and Control licence (hierna: IPC-vergunning) van de Ierse overheid.

2.3.

Beide stromen suikerwaterafval liet Wyeth door tussenkomst van een zogenaamde afvalmakelaar verwijderen. Een afvalmakelaar brengt afvalproducenten in contact met afvalverwerkende bedrijven.

2.4.

Cara is afvalmakelaar en is vanaf 1997 door Wyeth als zodanig ingeschakeld.

2.5.

In 1999 heeft Cara Wyeth in contact gebracht met Bioland Liquid Sugars B.V. (hierna: Bioland) in België en een offerte uitgebracht aan Wyeth voor de verwerking van suikerwater door Bioland. Wyeth heeft Cara daarna suikerwater – aanvankelijk alleen zonder en vanaf medio 2000 ook met mpa – ter verwerking doen afvoeren naar Bioland. Bioland was op de hoogte van het feit dat het suikerwater mpa bevatte.

2.6.

Op het uitvoeren uit Ierland van het suikerwaterafval was van toepassing de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: Vo EEG 259/93). Op grond van deze verordening diende van de uitvoer van het suikerwater (zowel zonder als met mpa) vanuit Ierland naar België een kennisgeving plaats te vinden aan de Belgische bevoegde autoriteit. Een dergelijke kennisgeving is nimmer gedaan.

2.7.

Op grond van artikel 27 Vo EEG 259/93 werd voor de overbrenging van het suikerwater tevens een borgsom of gelijkwaardige verzekering geëist ter dekking van de kosten van het vervoer en van de verwijdering of de nuttige toepassing van het suikerwater. Ter uitvoering hiervan bepaalden de toepasselijke Ierse Waste Management Regulations 1998 – voor zover van belang – dat een zending afvalstoffen Ierland slechts mocht verlaten indien deze was voorzien van een door de bevoegde Ierse autoriteit af te geven certificaat, dat slechts werd afgegeven indien aan artikel 27 Vo EEG 259/93 was voldaan. Een dergelijk certificaat was voor het vervoer van het suikerwater naar Bioland niet afgegeven.

2.8.

In het voorjaar van 2002 raakte Bioland in financiële problemen, die tot haar faillissement hebben geleid. Bioland had tot dat moment 200 ton suikerwater met mpa van Wyeth ontvangen, maar nog niet verwerkt. De curator in het faillissement heeft Bioland dringend verzocht voor afvoer van het op het bedrijf van Bioland opgeslagen suikerwater zorg te dragen.

2.9.

Het is niet toegestaan het suikerwater, zijnde afval uit de farmaceutische industrie, (al dan niet met mpa) te verwerken in veevoer.

2.10.

In april 2002 heeft Bioland een Nederlandse varkenshouder annex veevoerbedrijf (de Van Genugtengroep) benaderd om het suikerwater af te nemen. De Van Genugtengroep heeft een andere Nederlandse varkenshouder annex veevoerbedrijf (de Van Sleuwengroep) op de hoogte gesteld van het aangeboden suikerwater. (Onderdelen van) die groepen beschikten voor hun veevoederproductie en -handel over een zogenaamde GMP-erkenning, een door de PDV afgegeven erkenning die voor afnemers een garantie vormt dat geleverd veevoer aan ter zake geldende voorschriften voldoet. Een eis in het GMP-systeem is dat het veevoerproductie of –handelsbedrijf ook zelf zijn grondstoffen betrekt van GMP-erkende leveranciers. Bioland beschikte niet over een GMP-erkenning. De Van Genugtengroep en de Van Sleuwengroep – en via hen veevoerbedrijf Rined - hebben het suikerwater (met mpa) van Bioland afgenomen buiten het GMP-erkenningssysteem om en zonder het verplichte onderzoek naar de herkomst ervan. Zij hebben het suikerwater (met mpa) in varkensvoer verwerkt en dat deels gevoerd aan varkens in hun eigen (Nederlandse) bedrijven en deels doorgeleverd aan andere (Nederlandse) varkenshouders als veevoer. Ook is het suikerwater (met mpa) aan andere (Nederlandse) veevoerproducerende bedrijven doorgeleverd.

2.11.

In juni 2002 bleken zeugen in een drietal in Nederland (Noord-Brabant) gevestigde varkenshouderijen te kampen met vruchtbaarheidsproblemen. Na onderzoek bleek het vlees van de varkens op die bedrijven mpa te bevatten. Vastgesteld is dat de varkens mede waren gevoerd met brijvoer dat was bereid met glucosesiroop die was afgenomen van een onderneming van de Van Genugtengroep (Porker Foods B.V.). Vervolgens kwam aan het licht dat er bij (veel) meer varkenshouderijen varkens waren gevoerd met (van Bioland, c.q. van de Van Genugtengroep of van de Van Sleuwengroep afkomstig) suikerwater met mpa.

2.12.

Het toedienen van mpa aan vee, waaronder varkens, is in de Europese Unie verboden.

2.13.

Van overheidswege (het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), c.q. haar Algemene Inspectie Dienst - AID) is vanaf juni 2002 onderzoek gedaan naar de verspreiding van mpa onder varkenshouderijen en naar de herkomst daarvan. Vele varkenshouderijen zijn toen voor enige tijd “onder toezicht geplaatst” van de AID, hetgeen betekende dat geen varkens van die bedrijven mochten worden verhandeld of geslacht voor consumptie, tenzij bij individuele tests was gebleken dat de dieren geen mpa bevatten.

2.14.

Het toenmalige PVV heeft – in twee tranches – van dertien plus drie bedrijven respectievelijk 18.000 en 56.000 varkens tegen vergoeding opgekocht, c.q. overgenomen, en doen vernietigen. De tweede tranche betrof varkens op bedrijven in de Van Genugtengroep en de Van Sleuwengroep. De aan de varkenshouderijen uitgekeerde vergoedingen zijn voorgefinancierd door de minister van LNV. Het toenmalige PDV heeft zich jegens PVV verbonden om mede voor restitutie van een deel van de voorfinanciering van de eerste tranche garant te staan.

3 Het geschil

3.1.

PVV c.s. vorderen  samengevat en na wijziging van eis bij repliek - te verklaren voor recht dat Wyeth en Cara onrechtmatig hebben gehandeld jegens PVV en PDV, jegens de leden van LTO-NEDERLAND, NVV, NEVEDI en NBHV. Bij LTO, waarvan de leden - uitsluitend - organisaties van agrarische ondernemingen en agrarische ondernemers zijn, gaat het daarbij om de leden van die leden. Daarnaast vorderen PVV en PDV veroordeling van Wyeth en Cara hoofdelijk tot vergoeding van door hen geleden schade als gevolg van dat onrechtmatig handelen. De geleden schade bedraagt (primair) € 5.665.986,35 aan de zijde van PVV en € 2.803.688,56 aan de zijde van PDV, althans (subsidiair) € 8.161.882,28 voor PVV en € 307.792,63 voor PDV als gevolg van - kort gezegd - overname- en uitvoeringskosten van de opkoopregeling, te vermeerderen met rente.

3.2.

Wyeth en Cara voeren uitgebreid verweer tegen de gestelde feiten alsmede tegen de juridische onderbouwing van de vorderingen. Bovendien is, zo stelt Wyeth, Iers recht van toepassing in onderhavige procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de conclusie van repliek (onder 5.2 en 5.3) hebben PVV c.s. ter onderbouwing van de stelling dat Wyeth en Cara - althans een van hen - onrechtmatig hebben gehandeld, gesteld dat (a) zij in Ierland de bepalingen van de ter uitvoering van Vo EEG 259/93 vastgestelde Ierse Waste Management Act en daarbij horende uitvoeringsbesluiten hebben geschonden, welke bepalingen mede zien op een certificaatverplichting in verband met de verscheping van afval, dat (b) Wyeth en Cara de regels uit Vo EEG 259/93, met name de regels met betrekking tot de verplichting tot kennisgeving van de uitvoer aan de Belgische afvalstoffenautoriteiten, hebben geschonden en dat (c) Wyeth de voorwaarden verbonden aan de aan haar verleende IPC-vergunning niet heeft nageleefd, zodat zij zich heeft/hebben schuldig gemaakt aan een doen of nalaten in strijd met een wettelijke verplichting. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat Wyeth en Cara zich met het dumpen van afvalstoffen afkomstig uit de farmaceutische industrie schuldig hebben gemaakt aan een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamd (hierna: schending van een zorvuldigheidsverplichting).

4.2.

Nu het gestelde onrechtmatig handelen niet in Nederland maar in Ierland heeft plaatsgevonden, de gestelde schadelijke gevolgen zich in Nederland hebben voorgedaan en de partijen bovendien in meerdere landen zijn gevestigd, komt allereerst de vraag op welk nationaal recht met betrekking tot onrechtmatige daad moet worden toegepast. Op grond van de wederzijdse stellingen en het op de casus toepasselijke artikel 3 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad komt in aanmerking ofwel het Ierse recht op grond van het eerste lid als recht van de Staat op welks grondgebied de daad heeft plaatsgevonden, ofwel het Nederlandse recht op grond van het tweede lid als Staat op welks gebied de onrechtmatige daad – naar gesteld – schadelijk inwerkt op een goed (de varkens), tenzij de (gestelde) dader die inwerking aldaar redelijkerwijs niet kon voorzien. De rechtbank kan nader onderzoek naar het toepasselijk recht echter achterwege laten, omdat zij – zoals hierna zal blijken – zowel op basis van het Nederlandse recht als op basis van het Ierse recht tot dezelfde conclusie komt.

4.3.

Ingevolge artikel 6:162 van het (Nederlandse) Burgerlijk Wetboek is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht de schade te vergoeden die de ander ten gevolge van die onrechtmatige daad lijdt. Die regel brengt mee dat er alleen een verplichting tot vergoeding van (gesteld geleden) schade op grond van onrechtmatige daad kan bestaan als er een causaal verband is tussen de onrechtmatige daad en de schade. Er kan slechts sprake zijn van een causaal verband als sprake is van een zogenaamd conditio sine qua non verband. Dat betekent dat als de gelaedeerde, de (gestelde) onrechtmatige daad weggedacht, de schade (ook) zou hebben geleden, het vereiste causaal verband ontbreekt.

Ook naar Iers recht is voor een schadevergoedingsverplichting op grond van onrechtmatig handelen (tort) vereist dat sprake is van een zelfde conditio sine qua non verband.

4.4.

De (gestelde) schade in verband waarmee PVV c.s. de vorderingen hebben ingesteld, hangt (uitsluitend) samen met (nadelige) gevolgen van het voeren van varkens (in Nederland) met het van, althans via, Bioland betrokken suikerwater met mpa.

4.5.

De stellingen van PVV c.s. over onrechtmatig handelen van Wyeth en/of Cara door een doen of nalaten in strijd met wettelijke plichten zien alle op wettelijke voorschriften rond de export van het suikerwater (met mpa) vanuit Ierland en de overbrenging van dat suikerwater naar het bedrijfsterrein van Bioland in België. PVV c.s. hebben gesteld dat als Wyeth en/of Cara wel aan die wettelijke bepalingen hadden voldaan en dus aan de Belgische autoriteiten een kennisgeving was gezonden over de overbrenging van het suikerwater (met mpa) naar Bioland en door de Ierse autoriteiten voor de overbrenging van het suikerwater (met mpa) een certificaat was afgegeven, het suikerwater niet was opgenomen in de Nederlandse varkensvoedselketen. Wyeth en Cara hebben die stellingen gemotiveerd bestreden, onder meer door er op te wijzen dat de Belgische afvalstoffenautoriteiten Bioland al eerder in het vizier hadden vanwege onregelmatigheden met onder andere de verwerking van suikersiropen, maar desondanks niet optraden. Wyeth en Cara hebben voorts aangevoerd dat PVV c.s. niet onderbouwd hebben gesteld dat de Belgische autoriteiten zouden hebben opgetreden als zij wel conform de geldende regels op grond van Vo EEG 259/93 op de hoogte waren gebracht van het overbrengen van het van Wyeth afkomstige suikerwater (met mpa) naar Bioland. Evenmin hebben PVV c.s. gemotiveerd gesteld dat de Ierse autoriteiten zouden hebben opgetreden als de zending suikerwater (met mpa) was voorzien van een door hen te verstrekken certificaat, dat slechts werd afgegeven indien aan de garantieverplichting ex artikel 27 Vo EEG 259/93 was voldaan.

4.6.

Aangezien de kennisgevings- en garantieverplichting uit de verordening er niet toe strekken te voorkomen dat met mpa besmet suikerwater wordt verwerkt in diervoeder, maar tot doel hebben de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te bieden alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu respectievelijk om de financiële dekking voor een juiste verwerking te waarborgen, rust op PVV c.s. de stelplicht en bewijslast van het conditio sine qua non verband. Van PVV c.s. had daarom mogen worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden zou stellen waaruit zou blijken dat de Belgische autoriteiten bij het wel voldoen door Wyeth en/of Cara aan hun wettelijke verplichtingen onder de verordening hadden opgetreden tegen Bioland en wel zodanig dat daarmee de opname van het suikerwater (met mpa) in de Nederlandse varkensvoedselketen was voorkomen. Dit geldt te meer nu Wyeth onweersproken heeft aangevoerd dat de Belgische autoriteiten Bioland al in het vizier hadden. Nu PVV c.s. dit hebben nagelaten hebben zij niet aan hun stelplicht voldaan. Dit heeft evenzeer te gelden voor het vereiste conditio sine qua non verband tussen enerzijds de aan Wyeth en/of Cara verweten gedraging dat de zendingen suikerwater (met mpa) ten onrechte niet waren voorzien van een door de bevoegde Ierse autoriteit af te geven certificaat en anderzijds de (gestelde) schade. PVV c.s. hebben nagelaten toe te lichten op welke wijze deze (gestelde) normschending heeft geleid of zou hebben kunnen leiden tot de (gestelde) schade. Ook op dit punt hebben PVV c.s. niet voldaan aan hun stelplicht.

4.7.

De stelling dat Wyeth en Cara overigens – buiten overtreding van wettelijke voorschriften – enige zorgvuldigheidsnorm zouden hebben overtreden, hebben PVV c.s. niet toereikend nader toegelicht of onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

4.8.

PVV heeft aanvullend nog betoogd dat zij de overnamekosten van de eerste tranche tevens kan verhalen op basis van cessies van vorderingen door de dertien betrokken varkenshouders. Ook dit kan naar het oordeel van de rechtbank zowel naar Iers als naar Nederlands recht niet leiden tot toewijzing van de gevorderde schadevergoeding, reeds omdat de betrokken varkenshouders ten tijde van het opmaken van de cessieaktes (naar PVV onweersproken heeft gesteld: in 2004 en 2005) geen vordering op Wyeth en Cara konden hebben in verband met de hier gevorderde schade, omdat hun varkens tegen marktprijzen door PVV waren opgekocht.

4.9.

Aangezien PVV c.s. onvoldoende hebben gesteld met betrekking tot het conditio sine qua non verband tussen de als gevolg van het voeren van varkens met suikerwater met mpa geleden (of nog te lijden) schade en het gestelde onrechtmatig handelen van Wyeth en Cara, hebben PVV c.s. ook onvoldoende gesteld voor de gevorderde verklaring voor recht dat Wyeth en Cara onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld.

4.10.

Ter zitting hebben PVV c.s. de grond voor hun vorderingen aangevuld door zich mede te beroepen op ongerechtvaardigde verrijking. Die vermeerdering van de gronden voor hun eis hebben zij niet gedaan bij conclusie of akte ter rolle, zodat de rechtbank gelet op artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering reeds daarom aan die vermeerdering zal voorbijgaan.

4.11.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen worden afgewezen en kan hetgeen partijen over en weer overigens nog hebben aangevoerd, onbesproken blijven.

4.12.

PVV c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Wyeth en Caraworden voor ieder begroot op:

- griffierecht € 4.535,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 17.379,00

PVV c.s. zullen voorts worden veroordeeld in de gevorderde nakosten en wettelijke rente aan de zijde van Wyeth en Cara als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt PVV c.s. in de proceskosten aan de zijde van Wyeth tot op heden begroot op € 17.379,00 en in de nakosten aan de zijde van de Wyethe bepaald op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris advocaat en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten en deze nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.3.

veroordeelt PVV c.s. in de proceskosten aan de zijde van Cara tot op heden begroot op € 17.379,00 en in de nakosten aan de zijde van de cara bepaald op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris advocaat en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, mr. R.H.M. Bruin en mr. E.C.M. van Mierlo en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 Conc.: 1257