Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12517

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
AWB-11_2902
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontving een WAO-uitkering. Verweerder heeft van het CJIB een overzicht ontvangen van personen die van verweerder een uitkering ontvangen en in het opsporingsregister zijn opgenomen omdat zij zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In dit overzicht is vermeld dat eiser sinds 5 januari 2011 in het opsporingsregister staat. Vervolgens heeft verweerder eisers WAO-uitkering op grond van artikel 43, zesde lid, van de WAO met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd.

Volgens de jurisprudentie wordt onder zich onttrekken als bedoeld in onder meer artikel 43, zesde lid, van de WAO verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen. Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat het woonadres van eiser in Duitsland wel bekend was bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het arrondissementsparket Assen heeft immers op 13 oktober 2010 een mededeling uitspraak naar dit adres van eiser verzonden en ditzelfde adres is op de akte van uitreiking van 14 december 2010 vermeld. Nu justitie, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, geen poging(en) heeft ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen, kan niet worden gezegd dat eiser zich aan de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke veroordeling van een vrijheidsstraf heeft onttrokken. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 43, zesde lid, van de WAO.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 11/2902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2013 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats] te Duitsland, eiser

(gemachtigde: mr. E.P. Groot),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Amsterdam), verweerder

(gemachtigde R. Hahn).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van
1 augustus 2011 beëindigd.

Bij besluit van 12 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2013. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld van de partner van eiser [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Bij brief van 13 mei 2013 heeft eiser aanvullende stukken aan de rechtbank gezonden. Naar aanleiding van deze stukken heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van
9 juli 2013 besloten het onderzoek te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt nader te motiveren.

Bij brieven van 1 augustus 2013 en 22 augustus 2013 heeft verweerder gereageerd. Eiser heeft bij brieven van 12 augustus 2013 en 2 september 2013 op het standpunt van verweerder gereageerd.

Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald, nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven, dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 8 november 2013.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontving een WAO-uitkering. Verweerder heeft van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) een overzicht ontvangen van personen die van verweerder een uitkering ontvangen en in het opsporingsregister zijn opgenomen omdat zij zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In dit overzicht is vermeld dat eiser sinds 5 januari 2011 in het opsporingsregister staat. Vervolgens heeft verweerder eisers WAO-uitkering met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd.

2.

Verweerder voert aan dat op grond van artikel 54 van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI) van het CJIB de mededeling is ontvangen dat eiser sinds 5 januari 2011 zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Verweerder geeft aan dat hij niet kan en mag treden in de juistheid van de verstrekte gegevens. Er wordt dus van de juistheid van de verstrekte gegevens uitgegaan. Het is aan eiser om, indien hij het met deze gegevens niet eens is, ervoor zorg te dragen dat deze gegevens bij de verstrekkende organisatie worden gewijzigd. Voorts voert verweerder aan dat hij eiser niet vooraf op de hoogte had behoeven of moeten stellen dat eisers uitkering op grond van artikel 43, zesde lid, van de WAO zou worden beëindigd.

3.

Bij wet van 16 december 2010 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011, Stb. 2010/838) zijn enkele wijzigingen aangebracht in de WAO.

Ingevolge artikel 43, zesde lid, van de WAO, zoals dat geldt sinds 1 januari 2011, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

4.1.

Verweerder is gehouden voor de toepassing van artikel 43, zesde lid, van de WAO te beoordelen of een uitkeringsgerechtigde zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Verweerder is immers het bestuursorgaan dat bevoegd is aan deze wettelijke bepaling toepassing te geven. Aan dit oordeel doet niet af dat verweerder in betekenende mate voor de benodigde gegevens afhankelijk is van het CJIB of andere justitiële organen.

4.2.

Verweerder is bij de beoordeling of de betrokkene zich aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt uitgegaan van de gegevens zoals die zijn vermeld in het opsporingsregister en door het CJIB zijn overgelegd. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6593) is die werkwijze in beginsel zorgvuldig. Zij laat echter onverlet dat wanneer de betrokkene in bezwaar de aldus vastgestelde tenuitvoerlegging gemotiveerd bestrijdt, het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat verweerder – in samenspraak met het CJIB – een nader onderzoek dient te verrichten naar mogelijke aanwijzingen dat de betrokkene zich niet of niet langer aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekt.

4.3.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij betwist dat er een tegen hem lopende strafzaak is, dat hij zelf geen stukken heeft ontvangen en hij ook niet is opgeroepen om detentie te ondergaan. Vervolgens heeft verweerder een brief van het CJIB van 18 november 2011 overgelegd waaruit blijkt dat eiser sinds 5 januari 2011 staat gesignaleerd in het opsporingsregister, omdat er geen geldig GBA-adres van eiser bekend is.

5.

Eiser betwist in de eerste plaats dat er sprake is van een door hem te ondergane detentie.

Uit de hiervoor genoemde brief van het CJIB volgt dat de kantonrechter te Assen eiser bij vonnis van 15 september 2010 heeft veroordeeld tot 28 dagen hechtenis. Voor zover eiser stelt dat sprake is van een persoonsverwisseling en mogelijk één van zijn broers zich voor hem heeft uitgegeven kunnen daaraan, wat daar overigens van zij, in deze bestuursrechtelijke procedure geen gevolgen worden verbonden. Op basis van de gegevens van het CJIB is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden te twijfelen aan het bestaan van een aan eiser opgelegde vrijheidsstraf. Uit de door eiser ter zitting overgelegde stukken blijkt dat het arrondissementsparket Assen bij brief van 13 oktober 2010 een mededeling uitspraak aan het woonadres van eiser in Duitsland heeft verzonden. Voorts stelt de rechtbank gelet op deze stukken vast, dat het vonnis op 14 december 2010 door de marechaussee, district Schiphol, brigade grensbewaking, aan eiser in persoon is betekend. De akte van uitreiking is ondertekend door “de betrokkene” en vermeld is dat de betrokkene zich met een nationaal paspoort met het nummer NY55HRF06 heeft gelegitimeerd. Voor zover eiser ter zitting heeft betwist dat hij op 14 december 2010 de akte van uitreiking heeft ondertekend, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Uit de nadere stukken van 13 mei 2013 blijkt namelijk dat eiser, terwijl hij op weg naar Turkije was, door de marechaussee is aangehouden voor verhoor waarbij aan eiser is meegedeeld dat hij 28 dagen hechtenis diende te ondergaan. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

6.1.

Eiser stelt verder dat hij niet is opgeroepen om detentie te ondergaan. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser stelt dat hij zich daarom niet onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

Volgens de jurisprudentie wordt onder zich onttrekken als bedoeld in onder meer artikel 43, zesde lid, van de WAO verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen (zie voornoemde uitspraak van de CRvB van 12 december 2012).

6.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van de brief van het CJIB van
18 november 2011 zich op het standpunt stelt dat eiser in het opsporingsregister is opgenomen omdat hij zich aan de vrijheidsstraf onttrekt. .

De rechtbank heeft, gelet op de in overweging 6.1 aangehaalde jurisprudentie, aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en verweerder in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt nader te onderbouwen dat eiser zich aan de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke veroordeling van een vrijheidsstraf heeft onttrokken.

6.3.

Verweerder heeft bij brief van 22 augustus 2013 aangegeven dat hij contact heeft opgenomen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid waarbij de volgende informatie is ontvangen:

“Wij hebben geen actie meer ondernomen om tot tenuitvoerlegging te komen omdat de heer [naam 1] in Duitsland verblijft. Wel is hij direct in het opsporingsregister opgenomen. Een Europees arrestatiebevel kan dan iets opleveren. Dit is echter alleen mogelijk bij een gevangenisstraf vanaf 120 dagen. In de zaak van de heer [naam 1] betreft het slechts 28 dagen. In het kort komt het erop neer dat de heer [naam 1] een keer bij een reis naar Nederland moet worden aangehouden of dat wij een adres krijgen waar we de post heen kunnen sturen. Als hier verder niet op gereageerd wordt, hebben wij alles gedaan wat binnen ons werkveld ligt”.

6.4.

Anders dan in deze reactie is vermeld moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het woonadres van eiser in Duitsland wel bekend was bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het arrondissementsparket Assen heeft immers op

13 oktober 2010 een mededeling uitspraak naar dit adres van eiser verzonden en ditzelfde adres is op de akte van uitreiking van 14 december 2010 vermeld. Nu justitie, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, geen poging(en) heeft ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen, kan niet worden gezegd dat eiser zich aan de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke veroordeling van een vrijheidsstraf heeft onttrokken. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 43, zesde lid, van de WAO.

7.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 43, zesde lid, van de WAO voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 27 juli 2011 te herroepen en te bepalen dat eiser met ingang van
1 augustus 2011 onverminderd recht heeft op de WAO-uitkering. Voorts bepaalt de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde bestreden besluit treedt.

8.

Gezien deze uitkomst komt de rechtbank niet meer toe aan de overige door eiser naar voren gebrachte gronden.

9.

Bij deze beslissing ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.180. Hierbij heeft de rechtbank één punt toegekend voor het opstellen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor de nadere reactie. Het gewicht van de zaak heeft de rechtbank aangemerkt als gemiddeld en de waarde van een punt bedraagt € 472.

Beslissing

De rechtbank verklaart;

  • -

    het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 27 juli 2011;

- bepaalt dat eiser met ingang van 1 augustus 2011 onverminderd recht heeft op de WAO-uitkering;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. C.M. van Wechem, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
20 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.