Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12512

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_2604
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:5119, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Douanewaarde; CIF-invoerprijs. Vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/2604 en 13/2722

Uitspraakdatum: 20 december 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigden: K. Winters en drs. R.R. Ramautarsing,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de gedingen

Verweerder heeft aan eiseres voor de periode 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 127.361,36 aan aanvullend invoerrecht op landbouwproducten.

Verweerder heeft aan eiseres voor de periode 1 april 2009 tot en met 30 juni 2010 een utb uitgereikt voor € 2.036.432,19 aan aanvullend invoerrecht op landbouwproducten.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 17 mei 2013 de utb’s gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013.

Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigden, bijgestaan door hun kantoorgenoot
mr. R. Geerts en[A] en [B], beiden werkzaam bij eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. Wijnbelt, drs. N. Hermans-Hatoeina RA, I.S. Ramdjiawan LLM,
mr. G. Vrauwdeunt, L. van der Spoel, E. Lugthart, R. Streefkerk en P. Lodder.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Enig aandeelhouder van eiseres is [A BEDRIJF] B.V. Enig aandeelhouder van [A BEDRIJF] B.V. is [B BEDRIJF] B.V. Met ingang van 16 december 2009 is [C BEDRIJF] S.A., een Braziliaanse producent van onder meer producten van pluimveevlees, enig aandeelhouder van [B BEDRIJF] B.V. In de loop van 2009 heeft [C BEDRIJF] S.A. een aantal ondernemingen, waaronder de hiervoor genoemde, overgenomen van [D BEDRIJF] Inc.

In 2006 hebben partijen overleg gevoerd over de verrekenprijs tussen eiseres en de in Brazilië gevestigde verbonden onderneming [E BEDRIJF] S.A. De afspraken zijn vastgelegd in de brief van verweerder van 2 november 2006. Eiseres mag bij het bepalen van de douanewaarde de methode ‘cost-plus-15’ gebruiken. De zo verkregen prijs wordt vermeerderd met de kosten van vervoer en verzekering tot aan de plaats van binnenkomst in de Europese Unie. Deze verrekenprijs is ook de basis voor de berekening van de CIF-invoerprijs. De afspraken zijn in een brief van verweerder aan eiseres van 31 augustus 2007 bevestigd. In deze laatste brief staat onder meer:

“De Douane kan zich vinden in de door u samengevatte werkafspraken. Zoals ik u reeds telefonisch heb medegedeeld blijven, ook al is de verrekenprijs vastgesteld conform genoemde werkafspraken, de Verordeningen (EG) nr. 1484/1995 en nr. 493/1999 onverkort van toepassing. Dit houdt onder meer in dat de Douane zich het recht voorbehoudt de gehanteerde verrekenprijs (bijvoorbeeld op basis van de doorverkoop) te beoordelen.”

Eiseres heeft in de periode 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2010 705 aangiften ten invoer gedaan voor de regeling brengen in het vrije verkeer voor pluimveevlees van oorsprong uit Brazilië.

Eiseres heeft het grootste deel van het ingevoerde pluimveevlees met verlies op de Europese markt verkocht, in de meerderheid van de gevallen zelfs beneden de reactieprijs van € 333,50 per 100 kg netto. Vier van de ingevoerde partijen zijn met winst verkocht. Een aanzienlijk deel van de ingevoerde partijen is aan een gelieerde onderneming verkocht.

In een brief van 28 mei 2010 heeft verweerder aan de gemachtigden van eiseres het vermoeden geuit dat de transactiewaarde tussen [E BEDRIJF] S.A. en eiseres niet meer een zakelijke prijs vertegenwoordigt. Verweerder heeft hierin tevens aangekondigd dat een onderzoek zal worden uitgevoerd om vast te stellen of de prijs is beïnvloed door de verbondenheid tussen beide ondernemingen en dat, mocht dit zo blijken te zijn, de transactie niet meer zal kunnen dienen voor het bepalen van de CIF-invoerprijs.

3 Geschil

Primair is in geschil de juistheid van de door eiseres gebruikte CIF-invoerprijzen. Subsidiair is in geschil of verweerder van boeking achteraf had moeten afzien omdat de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, sub b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) zouden zijn vervuld. Meer subsidiair is in geschil of verweerder de utb’s in strijd met de toepasselijke regelgeving heeft uitgereikt, aangezien verweerder heeft nagelaten de in zijn ogen juiste CIF-invoerprijs per zending vast te stellen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de CIF-invoerprijzen juist zijn. Eiseres heeft de in 2006 met verweerder besproken methode toegepast. Deze prijzen zijn gebaseerd op de kostprijs in het land van oorsprong, verhoogd met de door de Braziliaanse wetgeving voorgeschreven winstopslag en de CIF-kosten naar de plaats van aankomst in de Europese Unie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangegeven CIF-invoerprijzen te hoog zijn, aangezien de ingevoerde partijen structureel met verlies zijn verkocht. Eiseres heeft volgens verweerder wel de juiste methode toegepast om deze prijzen te berekenen.

4.2.1.

Ingevolge artikel 141 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (Pb. L 299/1 van 16 november 2007, hierna: GMO) wordt bij invoer van het onderhavige product onder voorwaarden een aanvullend invoerrecht toegepast. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Bij invoer van één of meer producten van de sectoren granen, rijst, suiker, rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren, vlees van pluimvee en bananen tegen het in de artikelen 135 tot en met 140 bedoelde recht wordt, om eventuele nadelige gevolgen van die invoer voor de communautaire markt te voorkomen of te neutraliseren, een aanvullend invoerrecht geheven indien:

a. a) de invoer plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan het niveau dat de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie heeft gemeld („de reactieprijs”), of

b) het invoervolume in een bepaald jaar een bepaald niveau overschrijdt („het reactievolume”).

Het reactievolume is gebaseerd op de markttoegang, waaronder wordt verstaan de invoer als percentage van het betrokken interne verbruik in de voorgaande drie jaren.

2. Er worden geen aanvullende invoerrechten geheven als de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

3. Voor de toepassing van lid 1, onder a), worden de invoerprijzen vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor dat product.”

4.2.2.

Ingevolge artikel 143, aanhef en sub b, van de GMO stelt de Commissie de uitvoeringsbepalingen vast, waarbij zij met name de producten waarop aanvullende invoerrechten zullen worden geheven en de overige criteria die voor de toepassing van artikel 141 nodig zijn, specificeert. Dit is geschied in Verordening (EG) nr. 1484/95, die is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 493/1999 van de Commissie.

4.2.3.

Artikel 2, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1484/95 luidt na de wijziging in 1999 als volgt:

“de cif-invoerprijzen; in de zin van deze verordening zijn de elementen van de cif-invoerprijs: a) de fob-prijs in het land van oorsprong en b) de reële kosten van vervoer en verzekeringen tot op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap;”

4.2.4.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1484/95 luidt na de wijziging in 1999 als volgt:

“1. Het aanvullende invoerrecht wordt op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken partij vastgesteld, overeenkomstig artikel 4.

2. Wanneer de cif-invoerprijs per 100 kg van een bepaalde partij hoger is dan de in artikel 2, lid 1, bedoelde representatieve prijs, dient de importeur de bevoegde instanties van de lidstaten van invoer ten minste de volgende bewijsstukken over te leggen:

- het koopcontract of een ander gelijkwaardig bewijsstuk,

- de verzekeringspolis,

- de factuur,

- het certificaat van oorsprong (in voorkomend geval),

- de vervoerovereenkomst,

- en, bij vervoer over zee, het cognossement.

3. In het in lid 2 bedoelde geval moet de importeur de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie bedoelde zekerheid stellen, die gelijk is aan het bedrag aan aanvullende invoerrechten dat hij zou hebben betaald indien deze berekend waren op basis van de toepasselijke representatieve prijs voor het betrokken product, zoals aangegeven in bijlage I.

4. De importeur moet binnen een maand, te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is aanvaard, bewijzen dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de opgegeven prijs als bedoeld in lid 2 juist is. Bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen wordt de zekerheid verbeurd. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kan de bevoegde autoriteit echter de termijn van zes maanden met ten hoogste drie maanden verlengen.

De zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetcondities ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd.

Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de aanvullende invoerrechten.

5. Indien de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van een verificatie constateren dat de in dit artikel vastgestelde afzetcondities voor de betrokken partij niet in acht zijn genomen, innen zij de verschuldigde rechten overeenkomstig het bepaalde in artikel 220 van Verordening (EEG) nr. 2913/92. Om te bepalen welk bedrag aan rechten moet worden geïnd, wordt rekening gehouden met een rente die loopt vanaf de datum waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, tot en met de datum van de inning. De toe te passen rentevoet is die welke volgens het nationale recht voor terugvordering geldt.”

4.2.5.

Met ingang van 11 september 2009 is de definitie van ‘de cif-invoerprijzen’ in artikel 2, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1484/95 geschrapt.

Met ingang van 1 mei 2010 luidt artikel 3, derde en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1484/95 als volgt:

“3. In het in lid 2 bedoelde geval moet de importeur de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen ten belope van het verschil tussen het bedrag van het aanvullend invoerrecht, berekend op basis van de representatieve prijs van het betrokken product, en het bedrag van het aanvullend invoerrecht, berekend op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken zending.

4. De importeur moet binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen negen maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, bewijzen dat de zending is afgezet tegen voorwaarden waaruit blijkt dat de in lid 2 bedoelde prijzen juist zijn. Bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen wordt de zekerheid verbeurd. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kunnen de bevoegde instanties echter de termijn van negen maanden met ten hoogste drie maanden verlengen.

De zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd. Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de aanvullende invoerrechten.”

4.3.1.

Het standpunt van eiseres komt erop neer dat navordering niet mogelijk is, omdat zij zich aan de in 2006 en 2007 besproken methode voor de berekening van de CIF-invoerprijs heeft gehouden en de doorverkooprijzen overeenstemmen met wat zij van haar kopers heeft ontvangen. De bij aankoop en de bij verkoop gehanteerde prijzen zijn dus juist. Het standpunt van verweerder komt erop neer dat, gelet op doel en strekking van de GMO en Verordening (EG) nr. 1484/95, de CIF-invoerprijs en de doorverkoopprijs van een zending pluimveevlees in een juiste verhouding tot elkaar dienen te staan. De door eiseres gehanteerde CIF-invoerprijzen hadden lager moeten zijn, gelet op het niveau van de doorverkoopprijzen.

4.3.2.

Vaststaat dat de som van de CIF-invoerprijs en de bij invoer betaalde invoerrechten hoger is dan de doorverkoopprijs die eiseres voor de desbetreffende zending pluimveevlees in rekening heeft gebracht aan de koper. In alle gevallen is de doorverkoopprijs zelfs lager dan de reactieprijs, de minimumprijs voor pluimveevlees in de Europese Unie.

4.3.3.

Gelet op doel en strekking van de invoering van het aanvullend invoerrecht (preventie van marktbederf en de bescherming van de landbouwbevolking van de Europese Unie, zie met name punt 29 van de considerans van de GMO) is het standpunt van verweerder juist. Indien de uitleg van eiseres wordt aanvaard, is het immers mogelijk dat importeurs, met name in situaties waarin nauwe banden bestaan met de producent of exporteur in het land van oorsprong, in strijd met de in de GMO voor pluimveevlees uiteengezette voorwaarden op de gemeenschappelijke markt opereren en zo het marktbederf veroorzaken dat de GMO wil voorkomen en bestrijden. De visie van eiseres op de toepasselijke regelgeving miskent doel en strekking van deze regelgeving.

4.3.4.

De rechtbank ontleent steun voor haar oordeel aan de conclusie van de advocaat-generaal in het arrest Kloosterboer van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zaak
C-317/99):

“21. De bepaling is dus zeer eenvoudig: de relevante prijs op basis waarvan wordt vastgesteld of een aanvullend recht kan worden geheven, is de prijs die volgens aangifte daadwerkelijk voor de ingevoerde goederen is betaald, en niet een theoretische of statistische prijs, zoals bijvoorbeeld de

gemiddelde prijs van het product op een bepaalde markt in een bepaalde periode.

Ongetwijfeld ter voorkoming van fraude, heeft de Raad evenwel toegestaan dat de aangegeven prijzen worden vergeleken met de marktprijzen.

Kortom, de basisverordening stelt als algemene regel, dat de heffing van aanvullende rechten moet worden vastgesteld aan de hand van de cif-prijs van de ingevoerde goederen, hoewel zij niet, als bijzondere regel, uitsluit dat door vergelijking met de marktprijzen de juistheid van de cif-prijs

wordt geverifieerd.

(…)

34. Volgens artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst inzake de landbouw is de cif-prijs bij invoer van elke afzonderlijke partij het enige criterium op basis waarvan eventuele aanvullende rechten worden vastgesteld.”

4.3.5.

De CIF-invoerprijzen die eiseres heeft aangegeven zijn, hoewel er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiseres andere prijzen heeft betaald aan de leverancier, door de verbondenheid met deze leverancier eveneens te beschouwen als kunstmatig berekende prijzen. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat de aangegeven CIF-invoerprijzen zijn beïnvloed door marktomstandigheden, andere dan die intern bij de verbonden leverancier in Brazilië zijn opgekomen. Vergelijking met de marktprijzen en de doorverkoopprijzen leidt tot de conclusie dat de CIF-invoerprijzen van eiseres niet juist kunnen zijn. Het getuigt bovendien niet van een normale prijsstelling dat eiseres de desbetreffende pluimveevleesproducten (de aanvullendrechtproducten) structureel met verlies verkoopt. Dat eiseres dit verlies goedmaakt met de ad-valoremproducten doet hieraan niet af. Het is de bedoeling van de GMO dat voor alle pluimveevleesproducten een gezonde markt tot stand komt die voldoet aan de door de Uniewetgever gestelde voorwaarden. Eiseres heeft deze doelstelling doorkruist. Of zij dit bewust heeft gedaan, is niet van belang.

4.3.6.

Het gelijk is wat betreft het primaire standpunt aan verweerder.

4.4.

Aangezien het standpunt van eiseres dat op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW van boeking achteraf had moeten worden afgezien, logischerwijs pas aan de orde komt zodra is vastgesteld dat een douaneschuld is ontstaan, zal de rechtbank eerst het standpunt over de afwijking van de aangiften behandelen.

4.5.

Eiseres stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat verweerder niet voldoende bewijs heeft geleverd om van de aangiften te mogen afwijken. Verweerder heeft de representatieve prijs als grondslag voor de berekening van de aanvullende rechten genomen, terwijl dit op grond van de toepasselijke wetgeving niet is toegestaan. Verweerder heeft nagelaten de volgens hem juiste CIF-invoerprijzen te berekenen, zodat de navordering een deugdelijke grondslag ontbeert, zelfs contra legem is. Verweerder verwerpt dit standpunt. De nagevorderde bedragen zijn gelijk aan de zekerheid die eiseres per aangifte zou moeten hebben stellen en die zou zijn verbeurd. Dit is in overeenstemming met de geldende wetgeving.

4.6.1.

De rechtbank wijst er om te beginnen op dat uit vergelijking van een aantal taalversies van artikel 3, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 1484/95 is gebleken dat de Nederlandse taalversie afwijkt van de overige geraadpleegde taalversies. Voor de beoordeling van de beroepen zal de rechtbank uitgaan van de overige taalversies. Dit betekent dat navordering op de voet van artikel 220 van het CDW niet alleen mogelijk is indien de bevoegde autoriteiten constateren dat de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1484/95 vastgestelde afzetcondities van de betrokken partij niet in acht zijn genomen, maar ook indien de bevoegde autoriteiten constateren dat de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1484/95 vervatte voorwaarden niet in acht zijn genomen. De toetsing bij een verificatie achteraf is dus breder dan in de Nederlandse taalversie is verwoord.

4.6.2.

Uit artikel 3, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 1484/95 (volgens de onder 4.6.1 toegelichte uitleg) volgt dat de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van een verificatie de in hun ogen verschuldigde rechten innen overeenkomstig artikel 220 van het CDW indien zij constateren dat de voorwaarden van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1484/95 niet zijn vervuld. Aangezien artikel 220 van het CDW slechts een navorderingsbevoegdheid creëert en niet de grondslagen voor de berekening van de verschuldigde rechten bevat, zal de hoogte van de na te vorderen rechten op de voet van de toepasselijke bepalingen in het douanerecht moeten worden vastgesteld. Voor de berekening van de verschuldigde aanvullende invoerrechten bevat Verordening (EG) nr. 1484/95 de toepasselijke bepalingen. Artikel 3, eerste lid, van laatstbedoelde verordening verwijst voor de berekening van de aanvullende invoerrechten naar artikel 4 van dezelfde verordening.

4.6.3.

Hoewel moet worden toegegeven dat artikel 3, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 1484/95 niet regelt hoe het bedrag aan verschuldigde rechten moet worden berekend, volgt uit een systematische interpretatie van de onder 4.2 weergegeven regelgeving (zie de laatste zin van overweging 4.6.2 van deze uitspraak) en uit doel en strekking van het landbouwbeleid van de Europese Unie (zie met name punten 29 en 65 van de considerans van de GMO), dat de door verweerder gehanteerde methode voor berekening van de verschuldigde aanvullende invoerrechten juist is. Het is dus niet nodig dat, zoals eiseres verdedigt, verweerder zelf de CIF-invoerprijzen berekent en op laatstgenoemde grondslag het na te vorderen bedrag vaststelt. Het is in overeenstemming met doel en strekking van de toepasselijke regelgeving dat, indien uit een verificatie blijkt dat de voorwaarden van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1484/95 niet zijn vervuld, de desbetreffende importeur alsnog een bedrag aan aanvullende rechten dient te betalen dat overeenkomt met de zekerheid die bij een constatering binnen de in artikel 3, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1484/95 termijnen zou zijn verbeurd. Dat de berekening verschillend zou moeten zijn afhankelijk van het tijdstip van constatering, vindt geen steun in het toepasselijke recht.

4.6.4.

Dat eiseres op basis van de gemaakte afspraken geen zekerheid heeft hoeven stellen, doet aan het voorgaande niet af. Deze begunstigende behandeling heeft niet tot gevolg dat eiseres wat betreft de hoogte van de verschuldigde rechten anders dient te worden behandeld dan een importeur die wel zekerheid heeft gesteld.

4.6.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder de nagevorderde bedragen op de juiste grondslag heeft berekend. Het meer subsidiaire standpunt van eiseres faalt.

4.7.

Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat aan alle voorwaarden van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW is voldaan, zodat boeking achteraf achterwege had moeten blijven. Eiseres heeft te goeder trouw gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan. Aan eiseres zijn zelfs terugbetalingen verleend op basis van artikel 236 van het CDW. Verweerder weerspreekt dit standpunt. Verweerder is slechts akkoord gegaan met de cost-plus-15%-methode, maar heeft zich het recht voorbehouden om de CIF-invoerprijzen te beoordelen in het kader van Verordening (EG) nr. 1484/95. Er is dus geen sprake van een vergissing. Indien al sprake zou zijn van een vergissing, dan kon eiseres weten dat de gehanteerde CIF-invoerprijzen toch niet juist waren, omdat de door haar gehanteerde verkoopprijzen binnen de Europese Unie lager waren dan de CIF-invoerprijzen plus de betaalde invoerrechten. In alle gevallen is zelfs onder de reactieprijs verkocht. De gehonoreerde terugbetalingsverzoeken op grond van artikel 236 van het CDW zijn beoordeeld aan de hand van de door eiseres overgelegde overzichten. Destijds is niet gebleken dat eiseres structureel met verlies verkocht.

4.8.1.

De rechtbank stelt voorop dat naast het bepaalde in artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW geen plaats is voor het achterwege laten van een navordering van douanerechten wegens schending van door de douane jegens de douaneschuldenaar gewekt vertrouwen (vgl. HvJ 5 oktober 1988, Padovani, 210/87 en Hoge Raad 8 juni 2012, nr. 11/00573). De rechtbank zal het beroep van eiseres uitsluitend op de voet van voornoemd artikel beoordelen.

4.8.2.

De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten. In de correspondentie over de methode voor de berekening van de verrekenprijzen heeft verweerder het voorbehoud van verificatie achteraf gemaakt. Verweerder is wel akkoord gegaan met de methode, maar uit niets blijkt dat hij ook de hoogte van de op basis van de methode berekende CIF-invoerprijzen heeft geaccepteerd, laat staan dat hij ermee akkoord is gegaan dat de som van de CIF-invoerprijs en de betaalde invoerrechten structureel hoger zou zijn dan de doorverkoopprijs. Een dergelijke afspraak zou bovendien zozeer in strijd zijn met het landbouwbeleid van de Europese Unie, dat eiseres daarop niet had mogen vertrouwen. Deze afspraak zou eiseres namelijk de gelegenheid hebben geboden om pluimveevlees structureel onder de reactieprijs te verkopen. Dit zou leiden tot marktbederf, wat de GMO met diverse middelen juist probeert te voorkomen (zie ook punt 100 van de considerans van de GMO).

4.8.3.

Eiseres had, als ervaren marktdeelnemer die volgens haar eigen verklaring met de materie worstelde toen de resale-minus-methode niet toepasbaar bleek, kunnen en moeten beseffen dat het berekenen van een CIF-invoerprijs niet genoeg was om aan alle uit het landbouwbeleid voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Eiseres had moeten en kunnen begrijpen dat de CIF-invoerprijzen in een zodanige relatie tot de doorverkoopprijzen dienen te staan, dat marktbederf wordt voorkomen. Het is duidelijk dat dergelijk marktbederf zich heeft voorgedaan. Of verweerder onder gelijke omstandigheden twee eerdere verzoeken om terugbetaling heeft gehonoreerd, zoals eiseres heeft gesteld en verweerder heeft weersproken, kan in het midden blijven. Indien verweerder hier al een vergissing heeft begaan, kan eiseres zich hierop niet beroepen, gelet op haar eigen verplichtingen en verantwoordelijkheid. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat eiseres zelf heeft aangevoerd dat de marktomstandigheden voor pluimveevlees van oorsprong uit Brazilië tijdens de onderhavige periode zijn gewijzigd.

4.8.4.

Aangezien cumulatief aan alle in artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW gestelde voorwaarden moet zijn voldaan, kunnen de overige voorwaarden onbesproken blijven. Het subsidiaire standpunt van eiseres faalt.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en
mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.