Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12506

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
15/703355-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal. Geen oplegging ISD-maatregel zoals door officier van justitie is gevorderd. Alhoewel aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat – gezien de verwachting dat er in behandelingsopzicht weinig tot niets van de grond zal komen en het feit dat tussen het einde van de vorige ISD-maatregel en onderhavig feit slechts vier maanden zitten – het niet zinvol en bovendien buitenproportioneel is om aan verdachte voor een tweede keer een ISD-maatregel op te leggen. Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/703355-13 (P)

Uitspraakdatum: 17 december 2013

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 december 2013 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van Bree en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.H. de Granada, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2013 te Alkmaar met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een paar,

schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

winkelbedrijf C&A, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 23 augustus 2013, door [aangever], namens C&A (dossierpagina’s 13-14);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2013 (dossierpagina’s 16-17).

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 augustus 2013 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee paar schoenen, toebehorende aan winkelbedrijf C&A.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht geen ISD-maatregel op te leggen. Het opleggen van de ISD-maatregel zou in het geval van verdachte, nu blijkens de rapportage van Palier in eerste instantie geen behandeltraject gestart wordt, neerkomen op ‘kale ISD’. Dit staat niet in verhouding tot het door verdachte gepleegde feit en zou aldus buitenproportioneel zijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2013, het rapport van de GGZ Reclassering Palier van 7 oktober 2013 en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van twee paar schoenen, door zonder af te rekenen de winkel uit te lopen met de schoenen.

Diefstal is een ergerlijk feit dat voor het benadeelde bedrijf – in dit geval C&A - hinder en schade met zich meebrengt en de gevoelens van verloedering en onveiligheid van de samenleving versterkt.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte reeds vele malen eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld – onder meer tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel – hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit het reclasseringsrapport komt duidelijk naar voren dat verdachte niet begeleidbaar is. Door hulpverlenende instanties is jarenlang getracht om te komen tot gedragsverandering bij verdachte. De laatste jaren zijn echter alle trajecten voortijdig beëindigd als gevolg van het grensoverschrijdende gedrag en de houding van verdachte. Zowel in vrijwillig als in verplicht kader, als ook binnen de maatregel ISD blijkt het gedrag van betrokkene niet te beïnvloeden. GGZ reclassering Palier verwacht dan ook geen meerwaarde van nieuwe diagnostiek of een toeleiding naar een zorginstelling zoals Victorie Alkmaar. De houding van verdachte is bepalend voor het slagen van hulpverlening, maar vooralsnog staat verdachte alleen open voor hulp op zijn manier. Er is sprake van chronische problematiek en er kan niet ingezet worden op gedragsverandering. Interventies zullen gericht moeten zijn op ‘harm reduction’: het beperken van de schade voor de maatschappij (waar hij overlast veroorzaakt) en voor zichzelf (zijn huidige leefstijl kan fataal zijn als hij niet in een beschermde woonomgeving verblijft). De kans op recidive evenals de kans op het onttrekken aan voorwaarden worden op dit moment geschat als ‘hoog’ en de mate van begeleidbaarheid als ‘laag’. Hulpverlening in een vrijwillig kader heeft in de periode tussen de ISD-maatregel en de huidige detentie niet tot het gewenste resultaat geleid. Binnen de ISD-maatregel is de heer[verdachte] tweemaal toegeleid naar een zorginstelling (een FVK en een RIBW). Beide malen was dit in het kader van een penitentiair programma met reclasseringstoezicht. Beide malen bleek hij onbegeleidbaar. Hierdoor moet de reclassering concluderen dat zij van hulpverlening binnen een vrijwillig, maar ook binnen een juridisch kader (bijzondere voorwaarden bij een vonnis, een penitentiair programma, maar ook de ISD-maatregel, al dan niet voorwaardelijk) geen resultaat kan verwachten.

GGZ Reclassering Palier adviseert om verdachte een tweede ISD-maatregel op te leggen. Echter, in het rapport wordt nadrukkelijk aangegeven dat GGZ Reclassering Palier geen enkele mogelijkheid ziet om het gedrag van verdachte te beïnvloeden. Het opleggen van een eventuele nieuwe maatregel zal dan ook vooral bedoeld zijn om de maatschappij te beschermen tegen een zeer actieve veelpleger. Uiteraard zal vanaf de ISD-afdeling wel getracht worden de heer[verdachte] toe te leiden naar een zorginstelling. Dit zal geen instelling zijn gericht op gedragsverandering, maar een beschermde omgeving gericht op de hiervoor genoemde ‘harm reduction’.

Ter terechtzitting heeft de getuige N. Bakker werkzaam bij de Reclassering Noord-Holland voornoemd rapport op grote lijnen gehandhaafd, waarbij hij heeft verklaard dat sprake zou kunnen zijn van kleine misverstanden nu bespreking van het rapport met verdachte moeizaam is verlopen. De getuige heeft voorts verklaard dat hij geen mogelijkheden ziet tot behandeling in een ambulant kader. In de beleving van de reclassering heeft verdachte een ambulant traject gehad, te weten in de periode gelegen tussen de ISD-maatregel en zijn huidige detentie. In deze periode is er tot twee keer toe sprake geweest van een crisisopname. De heer Schipper, casemanager van verdachte bij de forensische polikliniek van Palier, heeft duidelijk aangegeven dat verdachte in voornoemd ambulant kader niet te begeleiden was, aldus getuige.

Schipper heeft wel een redelijke verstandhouding met verdachte en zal, onafhankelijk van de uitspraak, contact met hem blijven houden.

De rechtbank is van oordeel dat aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. De rechtbank ziet zich echter, gelet op de strekking van het opleggen van een ISD-maatregel, te weten de beveiliging van de maatschappij èn de beëindiging van de recidive van verdachte, voor de vraag gesteld of het in dit geval ook zinvol is om aan verdachte wederom een ISD-maatregel op te leggen. Gelet op hetgeen door de reclassering naar voren is gebracht, is de verwachting gerechtvaardigd dat er in behandelingsopzicht weinig tot niets van de grond zal komen. Voorts zitten tussen het einde van de vorige ISD-maatregel – te weten 22 april 2013 – en het moment van detentie voor onderhavig feit - te weten 23 augustus 2013 - slechts vier maanden. Verdachte is in die tussenliggende periode eenmaal veroordeeld ter zake diefstal. Oplegging van de ISD-maatregel zou in onderhavig geval neerkomen op een vrijheidsbeneming voor de duur van twee jaren voor twee (recente) diefstallen, waaronder onderhavige winkeldiefstal van twee paar schoenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een tweede ISD-maatregel buitenproportioneel zou zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2013.