Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12499

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
C/15/208416 / KG ZA 13-576
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Dagboek moeder Marianne Vaatstra. Eiseres, de moeder van Marianne Vaatstra, hield tussen diens moord in mei 1999 en de arrestatie in november 2012 van Jasper S. een dagboek bij. Gedaagden hadden dat dagboek in handen gekregen en waren van plan passages daaruit op te nemen in een door hen te schrijven boek. Vordering van eiseres tot publicatie van (passages uit) haar dagboek in dat boek wordt toegewezen.

Het dagboek is een auteursrechtelijk beschermd werk. Aan eiseres, als maker van dat werk, komt het uitsluitend recht toe om het dagboek openbaar te maken en te verveelvoudigen. Eiseres heeft geen toestemming verleend voor de door gedaagden gewenste publicatie van (passages uit) het dagboek. Dat eiseres niet heeft geprotesteerd tegen eerdere openbaarmakingen daarvan op de website van gedaagde en gebruik van de inhoud in toespraken, impliceert nog geen toestemming tot publicatie in een boek. De publicatie van dat boek als zodanig is weliswaar toegestaan, maar het weergeven van (citaten uit) het dagboek van eiseres is dat niet.

Volgt toewijzing van daarop gerichte vorderingen en afwijzing van het anderszins gevorderde (straat- en contactverbod, voorschot op schadevergoeding) wegens gebrek aan deugdelijke onderbouwing.

Wetsverwijzingen
Auteurswet, geldigheid: 2013-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/208416 / KG ZA 13-576

Vonnis in kort geding van 18 december 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats] ([plaats]), gemeente [gemeente],

eiseres,

advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagden,

beide verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna enerzijds [eiseres] en anderzijds respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], dan wel gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagden], voor zover ter zitting voorgedragen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van de op 1 mei 1999 vermoorde Marianne Vaatstra.

2.2.

[gedaagde sub 1] beheert de website www.rechtiskrom.wordpress.com (hierna: de website), op welke website onder meer melding wordt gemaakt van onopgeloste misdrijven, waaronder de moord op John F. Kennedy, de Deventer moordzaak en de zaak-Vaatstra.

2.3.

In de periode tussen mei 1999 en (het grootschalige DNA-onderzoek in november 2012 leidende tot) de veroordeling van de van de moord op Marianne Vaatstra verdachte Jasper S. in april 2013 heeft [eiseres] een handgeschreven dagboek bijgehouden (hierna: het dagboek).

2.4.

[eiseres] heeft het dagboek op enig moment ter beschikking gesteld aan een vriendin, [naam vriendin], die (scans van) het dagboek aan [gedaagden] heeft doen toekomen.

2.5.

Nadien is het dagboek op papier uitgetypt (hierna: de getypte versie), waarna de getypte versie is gedigitaliseerd door een kennis van [gedaagde sub 1], [naam kennis] (hierna: de digitale versie).

2.6.

[gedaagde sub 1] heeft (passages uit) het dagboek op de website geplaatst.

2.7.

In een mede door [gedaagde sub 1] en [naam kennis] geschreven kersttoespraak ten behoeve van een aantal Friese radio-omroepen heeft [eiseres] onder meer geciteerd uit het dagboek.

2.8.

Op een bijeenkomst in Den Haag heeft [naam vriendin] een mede door [gedaagde sub 1] en [naam kennis] geschreven speech gehouden, waarbij zij heeft geciteerd uit het dagboek van [eiseres].

2.9.

Op 22 oktober 2013 heeft [gedaagde sub 1] een artikel c.q. persbericht getiteld ‘Nieuwe rechtszaak moord [eiseres] 28 oktober 2013’ op de website gepubliceerd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

(…)

In december verschijnt van de hand van [gedaagde sub 1] een boek met de veelzeggende titel ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’, dat schokkende, nooit gepubliceerde informatie bevat over aan de ene kant de bewuste justitiële en gerechtelijke manipulaties en aan de andere kant hoe de ware toedracht van de moord op weerzinwekkende wijze in de doofpot is beland. [eiseres] is door zowel justitie als haar eigen gezin monddood gemaakt maar heeft [gedaagde sub 1] eerder verzocht zijn bevindingen voor een groot publiek te etaleren en daar bij te putten uit haar dagboek zoals zij dat jarenlang, nota bene onder aansporing van haar ex-man […], heeft bijgehouden. De inhoud van de geschriften van [eiseres] zal veel Nederlanders de schellen van de ogen doen vallen, zo weet [gedaagde sub 1] zich verzekerd. Meerdere partijen zijn inmiddels in rep en roer om de publicatie van het onthullende verslag van [eiseres] te voorkomen.

2.10.

Bij brief en gelijkluidende e-mail van 27 oktober 2013 heeft de advocaat van [eiseres] namens haar onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] geschreven:

(…)

Onlangs is cliënte ter oren gekomen dat u voornemens bent haar dagboek danwel delen daarvan al dan niet in boekvorm te publiceren.

(…)

Cliënte is vanzelfsprekend rechthebbende op het auteursrecht van haar dagboek zo ook op de daarmee samenhangende persoonlijkheidsrechten. Het is derhalve de discretionaire bevoegdheid van cliënte om u danwel derden, wel of geen toestemming te verlenen haar dagboek openbaar te maken en/of te verveelvoudigen. Cliënte heeft u nimmer op wat voor wijze dan ook toestemming gegeven voor het kopiëren, reproduceren, herinterpreteren of wat verveelvoudiging van haar auteursrecht dan ook, noch zal zij hiervoor nu of in de toekomst toestemming geven.

Het hier vorenstaande indachtig verbied ik u namens cliënte haar dagboek danwel delen daarvan in wat voor vorm dan ook openbaar te maken of te verveelvoudigen. Tevens sommeer ik u onverwijld het afschrift van het dagboek van cliënte, dat u kennelijk in bezit heeft, aan haar te retourneren zonder daar zelf een kopie van te bewaren.

(…

Tot slot wil ik u namens cliënte en haar familie dringend verzoeken deze zaak te laten rusten. Er ligt een inmiddels onherroepelijk vonnis gebaseerd op onomstotelijk en objectief DNA bewijs, waarbij bovendien de dader NB een volledige bekentenis heeft afgelegd. Cliënte en haar familie willen na alle jaren van onzekerheid in rust deze treurige zaak kunnen afsluiten. Zij ervaren uw bemoeienissen als uiterst ongewenst en pijnlijk en verzoeken u met klem hiermee te staken.

(…)

2.11.

Bij e-mail van 28 oktober 2013 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende aan de advocaat van [eiseres] geschreven:

(…) Wij kunnen u reeds in dit stadium berichten dat wij over een onvoorwaardelijke toestemming beschikken tot publicatie – van wat u bedoelt met – het dagboek van [eiseres].

Wij delen u mede dat wij gezien de thematiek van het op handen zijnde boek überhaupt niet afhankelijk zijn van welke toestemming dan ook.

(…)

2.12.

Bij e-mail van 30 oktober 2013 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende aan de advocaat van [eiseres] geschreven:

(…)

Per e-mail van eveneens afgelopen zondagavond hebben wij reeds gereageerd waarbij wij aangaven over een onvoorwaardelijke toestemming te beschikken tot publicatie van het zogenaamde dagboek van uw cliënte [eiseres]. Ook deden wij reeds kond van het feit dat de thematiek van het op handen zijnde boek ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’ überhaupt niet afhankelijk is van welke toestemming dan ook, daar wij niet hebben besloten tot een integrale weergave van het dagboek. De wijze waarop een en ander vorm zal krijgen zult u eerst dan vernemen na verschijning van de uitgave.

Met klem brengen wij u onderstaande statements onder uw aandacht.

1. In het boek ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’ beperken wij ons middels aanhaling van strofen zoals deze in het dagboek voorkomen, echter welke door Mevrouw [eiseres] in eerdere stadia aan ons ook mondeling zijn medegedeeld. In die zin: wij quoteren uw cliënt en komen per strofe tot onze analyse in samenhang met hetgeen op meer dan 500 pagina’s wordt gedebiteerd. Voor uw informatie. Het oorspronkelijke dagboek van uw cliënt telt nauwelijks 40 A4-jes.

2. Uw cliënt heeft kopieën van haar ‘dagboek’ aan minstens 20 personen verspreidt.

3. Als gevolg van het onder 2 gestelde is reeds een groot deel van het dagboek in tal van verschijningsvormen op het internet gepubliceerd, zoals onder meer op KlokkenluiderOnLine.is en Boublog.nl. Wij hebben hiermee geen bemoeienis gehad.

(…)

9. Wij delen niet uw mening dat wij de (auteurs)rechten van uw cliënte met voeten treden. Zoals ongetwijfeld ook bij u bekend kent het wetboek naast artikel 31 van de auteurswet (waarmee wij niet in overtreding zijn en niet zullen zijn) ook het citaatrecht. Voor alle citaten geldt de wettelijke eis dat men mag citeren wat in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is. Wel dient aangetoond dat aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd. ‘Wettelijk toegestaan doel’ is aan de orde nu het gaat om bespreking, kritiek, beoordeling en polemiek.

(…)

2.13.

Per e-mail van diezelfde datum heeft [gedaagde sub 1] aan de advocaat van [eiseres] nog het volgende laten weten:

(…)

Overigens deel ik u mede dat ik het boek in co-auteurschap schrijf met [gedaagde sub 2]. Wellicht verdient het overweging om hem in te entameren procedures te betrekken.

(…)

2.14.

Bij brief van 5 november 2013 heeft [gedaagde sub 2] onder meer het volgende aan de advocaat van [eiseres] geschreven:

(…)

Ondergetekende stelt met klem dat op dit moment in het geheel niet duidelijk is wie ter zake het uit te geven boek ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’ als auteur zal optreden zoals ook het co-auteurschap allerminst vaststaat. Niet bekend is of de heer [gedaagde sub 1] dan wel ondergetekende zal optreden als auteur en ook niet of er sprake zal zijn van een co-auteurschap tussen welke schrijvers dan ook.

Ter aanvulling op bovenstaande dient u er goede nota van te nemen dat er thans slechts sprake is van een werkgroep welke doende is met de oprichting van een stichting die tot doel heeft de publicatie van bovenbedoeld boek. Het stichtingsbestuur is thans nog niet samengesteld. Voor alle duidelijkheid: aan de statements van de heer [gedaagde sub 1] als gedaan op zijn website http://rechtiskrom.wordpress.com, waarnaar u verwijst in uw sommatie aan hem, kunnen geen rechten worden ontleend omdat in aanmerking bovenstaande deze door [gedaagde sub 1] gedane stelling geen basis vinden in het hierboven gestelde.

(…)

2.15.

Op 6 november 2013 heeft [gedaagde sub 1] een artikel getiteld ‘Open brief aan de Vara, DWDD, Peter R. en Matthijs van Nieuwkerk’ op de website gepubliceerd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

(…)

Beste Vara, Matthijs van Nieuwkerk, Redactie DWDD, ik eis dat jullie mij en mijn co-auteur [gedaagde sub 2] van het uit te geven boek “Het verboden dagboek van [eiseres]” binnen een week uitnodigen voor een uitzending om een weerwoord te geven op de smadelijke verzinsels van Peter R. de Vries.

(…)

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, na te noemen vorderingen 1 t/m 7, 9 en 10 op straffe van dwangsommen en/of met machtiging tot reële executie, als in de dagvaarding nader gespecificeerd:

1. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, het dagboek althans de documenten, waaronder maar niet uitsluitend het digitale en papieren manuscript van het ‘Verboden dagboek van [eiseres]’, welke de inhoud van het auteursrecht van eiseres bevatten, aan eiseres in persoon of diens raadsman in persoon, te overhandigen onder afgifte van een ontvangstbewijs, alsmede gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te verbieden documenten, kopieën of afdrukken bevattende het dagboek en/of de inhoud daarvan te behouden,

2. Gedaagden althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk bij aangetekende post aan eiseres of diens raadsman de namen en adressen te onthullen van de personen aan wie gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of 2, een afschrift van de inhoud van het dagboek van eiseres heeft doen toekomen, alsmede gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 te bevelen schriftelijk bij aangetekende post te doen toekomen aan eiseres of haar raadsman de namen en adressen van de personen waarvan het gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 bekend is, dat deze ook over een exemplaar van het litigieuze werk van eiseres beschikken,

3. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te verbieden om de inhoud van het dagboek van eiseres, danwel delen daarvan, op enigerlei wijze te openbaren, alsmede de reeds gepubliceerde kopieën van het werk van [eiseres] van zijn website www.rechtiskrom.wordpress.com te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, althans de publicatie ongedaan te maken,

4. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, ieder artikel, bericht of melding waaruit het voornemen blijkt om de inhoud van het dagboek, dan wel delen daarvan, te openbaren van de website www.rechtiskrom.wordpress.com te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,

5. Gedaagde sub 1 te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, de facebook pagina ‘The murder of Marianne Vaatstra’ te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,

6. Gedaagden althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, bovenaan op de ‘homepage’ van de website www.rechtiskrom.wordpress.com, met lettertype New Times Roman, grootte 12 althans duidelijk leesbaar, melding te maken van de inhoud van het te wijzen vonnis,

7. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 te verbieden om zich op een afstand van minder dan 100 meter van eiseres te bevinden,

8. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of sub 2, hoofdelijk des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan eiseres betalen een voorschot groot € 50.000,-- wegens de door eiseres reeds geleden en nog te lijden schade verschuldigd op de gronden in de dagvaarding uiteengezet, waaronder maar niet uitsluitend, immateriële schade en schade op grond van schending van auteursrecht en inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen,

9. Gedaagden althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 zal veroordelen zich te onthouden van het (doen) benaderen van eisers en haar familie- en gezinsleden waaronder maar niet uitsluitend haar kinderen en hun echtgenoten danwel levenspartners zo ook de ex-man van eiseres, […], waar en op welke wijze dan ook (thuis, op het werk, in persoon, per e-mail, per telefoon of elders of anderszins), en om zich ervan te onthouden (in persoon, via internet of op welke manier dan ook) anderen tot een dergelijke benadering aan te sporen,

10. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te verbieden ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’, althans het boek danwel manuscript waarin het litigieuze werk van eiseres geheel of gedeeltelijk is verwerkt, te publiceren, alsmede gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of sub 2, te veroordelen alle eventueel reeds gedrukte exemplaren van het litigieuze inbreukmakende ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’, althans het boek danwel manuscript waarin het litigieuze werk van eiseres geheel of gedeeltelijk is verwerkt, te (doen) vernietigen onder afgifte van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging is overgegaan, alsmede gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of sub 2, te veroordelen tot betaling van de kosten van deze vernietiging,

11. Gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2, te veroordelen in de kosten van dit geding ex art. 1019h Rv, te vermeerderen met de nakosten ten belope van €250,- ex BTW althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningsrechter uit goede justitie mag vermenen te behoren, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] – kort gezegd – ten grondslag dat [gedaagden] inbreuk maken op het auteursrecht van [eiseres] op het dagboek omdat zij hen geen toestemming heeft gegeven voor openbaarmaking of verveelvoudiging daarvan ten behoeve van publicatie in het uit te geven boek van [gedaagden] Die handelingen kunnen ook niet door een beroep op het citaatrecht worden gelegitimeerd, omdat het dagboek nimmer rechtmatig openbaar is gemaakt. Los daarvan worden de grenzen van het citaatrecht door de wijze van gebruik die [gedaagden] voor ogen staat overschreden. Daarnaast maken [gedaagden] met publicatie van (passages uit) het dagboek inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres], terwijl zij op grond van artikel 8 EVRM recht heeft op eerbiediging en bescherming daarvan. Door de voorgenomen publicatie leidt [eiseres] bovendien (immateriële) schade, welke door [gedaagden] vergoed dient te worden, aldus nog steeds [eiseres].

3.3.

[gedaagden] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

[gedaagden] hebben betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. Uit het persbericht van 22 oktober 2013 van [gedaagden] volgt dat in ieder geval tot voor kort het voornemen bestond om het boek ‘Het verboden dagboek van [eiseres]’ in december van dit jaar uit te doen geven. [gedaagden] hebben ter zitting laten weten dat de uitgifte van het boek – mede naar aanleiding van het onderhavige kort geding – is verschoven naar januari 2014. Die mededeling illustreert dat de dreiging van inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] niet is weggenomen. Uit de artikelen die [gedaagde sub 1] op zijn website heeft geplaatst valt daarnaast op te maken dat de (vermoedelijke) auteurs van voornoemd boek [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] zullen zijn. De hiervoor sub 2.14 vermelde uitlatingen van [gedaagde sub 2] zijn onvoldoende reden om daarvan niet langer uit te gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] dan ook voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen jegens [gedaagden]

4.2.

[eiseres] heeft haar vorderingen gegrond op (een inbreuk door [gedaagden] op) enerzijds haar auteursrecht op het dagboek en anderzijds eerbiediging en bescherming van haar persoonlijke levenssfeer.

De auteursrechtelijke vorderingen

4.3.

Artikel 1 van de Auteurswet (Aw) omschrijft het auteursrecht als het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld. Eén van die beperkingen is ‘het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel’ als bedoeld in artikel 15a Aw, maar daarbij wordt (onder meer) de aanvullende eis gesteld dat het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar is gemaakt. Achtereenvolgens komt hierna aan de orde dat:

  • -

    sprake is van een voor auteursrecht vatbaar werk;

  • -

    [eiseres] daarvan de maker is en (dus) auteursrechthebbende is;

  • -

    [eiseres] aan [gedaagden] geen toestemming heeft verleend om het werk openbaar te maken of te verveelvoudigen, en:

  • -

    ook het citaatrecht daarvoor niet kan worden ingeroepen.

een voor auteursrecht vatbaar werk

4.4.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake de ‘Endstra-tapes’ (Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153) heeft [gedaagden] betoogd dat [eiseres] geen auteursrecht toekomt op het dagboek. Dat verweer wordt verworpen. Naar inmiddels vaste rechtspraak – waaronder voornoemd arrest van de Hoge Raad – geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in artikel 1 jo. artikel 10 Aw, vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Een werk met een groter persoonlijk stempel van de maker dan een dagboek is nauwelijks denkbaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dagboek van [eiseres] dan ook zonder meer een werk in de zin van artikel 10 lid 1 sub 1° Aw, en als zodanig auteursrechtelijk beschermd. De zaak-Endstra heeft betrekking op transcripten van achterbankgesprekken met politieambtenaren, een volstrekt andersoortig werk. De omstandigheid dat het Hof Den Haag na verwijzing oordeelde dat die transcripten geen persoonlijk stempel van de maker dragen, heeft voor de beoordeling van de onderhavige zaak dan ook geen betekenis.

4.5.

Dat het dagboek van [eiseres] “op geen enkele wijze van auteursrechtelijke copy-right gegevens is voorzien”, zoals [gedaagden] hebben gesteld, doet aan het voorgaande niet af, omdat dat in het in Nederland geldende wettelijke systeem geen constitutief vereiste is voor het ontstaan van auteursrecht.

[eiseres] is maker

4.6.

Dat [eiseres] de auteur van het dagboek is, staat buiten kijf. Tegenover betwisting hebben [gedaagden] niet aannemelijk gemaakt dat de latere, getypte en digitale, versies in zodanige mate van de handgeschreven versie verschillen dat ze (niet als ongeautoriseerde verveelvoudigingen maar) als zelfstandige werken moeten worden beschouwd, zodat [eiseres] voorshands als de maker van alles versies moet worden beschouwd. Het is dan ook [eiseres] die het auteursrecht op deze versies heeft.

Geen toestemming

4.7.

Zakelijk samengevat hebben [gedaagden] erop gewezen dat er in enig stadium vóór het grootschalige DNA-onderzoek dat heeft geleid tot de arrestatie en veroordeling van Jasper S. als dader van de moord op [eiseres] contact is geweest tussen [eiseres] en [gedaagden], al dan niet door tussenkomst van [naam vriendin], en dat [eiseres] op de hoogte was van het gebruik door [gedaagden] en anderen van (passages uit) het dagboek op de website en ten behoeve van een kersttoespraak en een speech in Den Haag, dat zij het ontstaan van die kersttoespraak en die speech heeft bevorderd en ondersteund en dat [eiseres] meer dan eens heeft uitgeroepen dat al haar schrijfsels in een boek zouden moeten worden vervat.

[gedaagden] hebben op grond van een en ander betoogd dat [eiseres] toestemming heeft verleend voor het gebruik van (de betrokken passages uit) haar dagboek door [gedaagden], zodat het [gedaagden] vrij staat om naar eigen inzicht te putten uit (die passages uit) het dagboek ten behoeve van het door hen uit te geven boek.

4.8.

[eiseres] heeft dit bestreden. Volgens haar impliceert het feit dat zij uit het dagboek heeft geciteerd of doen citeren in enkele toespraken en dat zij op de hoogte was van het gebruik van passages daaruit op de website van [gedaagde sub 1] nog niet dat zij toestemming heeft gegeven voor publicatie van het dagboek, of van passages daaruit, in een door [gedaagden] uit te geven boek. Van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toestemming voor gebruik van (passages uit) haar dagboek als voorgenomen, in een uit te geven boek, is geen sprake geweest. Integendeel: [gedaagde sub 1] heeft in de uitzending van het radio-programma ‘Talk to Myra’ zelf laten weten dat [eiseres] hem telefonisch gezegd heeft “Doe alsjeblieft niets met mijn dagboek want dat zou mijn doodsteek zijn”.

4.9.

Voor de beoordeling van de reikwijdte van een eventuele toestemming van [eiseres] om (passages uit) het dagboek te gebruiken, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter mede van belang de context waarbinnen die toestemming dan zou zijn verleend. Daarbij speelt een belangrijke rol dat – tot het grootschalige DNA-onderzoek van november 2012 – niets bekend was omtrent de dader van de moord op [eiseres], noch omtrent diens motieven. De gestelde medewerking van [eiseres] aan openbaarmaking van passages uit het dagboek, dient dan ook mede te worden bezien vanuit die onzekere situatie. Ter zitting heeft de advocaat van [eiseres] gesteld dat een eventueel door [eiseres] gegeven medewerking aan openbaarmaking van het dagboek door middel van het (laten) citeren daaruit in de beide toespraken slechts was ingegeven door de wens om zoveel mogelijk aandacht te vragen voor de moordzaak, zolang nog geen helderheid bestond over de dader. Met de arrestatie van Jasper S. is dat doel bereikt.

4.10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] geen toestemming verleend voor de door [gedaagden] gewenste publicatie van (passages uit) het dagboek. Indien en voor zover in de terbeschikkingstelling van het dagboek door [eiseres] aan [naam vriendin] al een toestemming tot openbaarmaking daarvan zou liggen besloten, omvat die niet ook de toestemming tot publicatie daarvan in een boek. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1] niet heeft bestreden dat hij in de uitzending van het radio-programma ‘Talk to Myra’ heeft laten weten dat [eiseres] hem telefonisch gezegd heeft “Doe alsjeblieft niets met mijn dagboek want dat zou mijn doodsteek zijn”. Ter zitting hebben partijen getwist over de beweegreden van [eiseres] voor die uitlating, maar die reden is voor de onderhavige beoordeling niet relevant. [eiseres] heeft zoals gezegd immers het auteursrecht op het dagboek, op grond waarvan zij het uitsluitend recht heeft om te bepalen of zij – om welke reden dan ook – het dagboek al dan niet openbaar wil maken of wil verveelvoudigen. De door [gedaagde sub 1] aangehaalde uitlating van [eiseres] kan moeilijk anders begrepen worden dan als een onthouding van die toestemming. De omstandigheid dat [eiseres] daarmee meer gevolg geeft aan een wens van haar familie dan aan haar eigen wens, zoals [gedaagden] bij herhaling en met nadruk hebben betoogd, brengt niet mee dat de onthouding van toestemming die in de hiervoor weergegeven uitlating ligt besloten, niet of minder serieus zou moeten worden genomen.

Dat [eiseres] niet zou hebben geprotesteerd tegen publicatie door [gedaagde sub 1] van (passages uit) het dagboek op de website kan onder de geschetste omstandigheden voor [gedaagden] evenmin (althans niet langer) grond vormen voor de aanname dat [eiseres] (impliciet) toestemming heeft gegeven tot publicatie van (passages uit) het dagboek voor een geheel ander doel, te weten publicatie daarvan in een boek.

4.11.

Voor zover in het betoog van [gedaagden] besloten ligt dat zij de in het boek op te nemen passages niet ontlenen aan het dagboek, maar aan andere werken, te weten de door [eiseres] zelf gehouden kersttoespraak én de namens haar door [naam vriendin] uitgesproken speech in Den Haag, faalt dat betoog eveneens. [gedaagden] hebben ter zitting aangegeven dat de toespraken in opdracht en met medewerking van [eiseres] en onder gebruikmaking van (passages uit) haar dagboek zijn vervaardigd. Naar uit de toelichting van [gedaagden] ter zitting volgt, waren die toespraken bedoeld om de gedachten van [eiseres] te verwoorden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rust het auteursrecht op beide toespraken onder die omstandigheden bij [eiseres]. Dat de toespra(a)k(en) zijn geschreven c.q. geredigeerd door [gedaagde sub 1] en/of [naam kennis] doet daaraan niet af. Op grond van artikel 6 Aw wordt degene naar wiens ontwerp en onder wiens leiding en toezicht een werk tot stand is gebracht als de maker van dat werk aangemerkt.

Geen citaatrecht

Voor zover het beroep op het citaatrecht ziet op ontlening van citaten aan het dagboek zelf, veronderstelt het ingevolge artikel 15a lid , aanhef en sub 1 Aw een voorafgaande rechtmatige openbaarmaking. Daarvan is hier hooguit sprake voor zover het de twee toespraken betreft. Gegeven de aard van die openbaarmaking – een toespraak, niet een gedrukte publicatie – en het tijdstip daarvan – toen een dader van de moord nog niet was gevonden – kan het publiceren van (naar aan te nemen valt) aanzienlijke delen van deze toespraken in de context van een boek, dat blijkens de titel gewijd is aan het dagboek van [eiseres], zonder daartoe verkregen toestemming niet met een beroep op het citaatrecht worden gerechtvaardigd.

4.12.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat [gedaagden] geen toestemming heeft voor openbaarmaking van (passages uit) het dagboek ten behoeve van publicatie daarvan in het uit te geven boek van [gedaagden], zodat de vorderingen – voor zover die gericht zijn op een verbod daarvan – als volgt toewijsbaar zijn.

4.13.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd of ten grondslag hebben gelegd aan hun vorderingen c.q. verweer kan het voorgaande niet anders maken, zodat dat geen inhoudelijke bespreking behoeft. Omwille van de leesbaarheid zal de voorzieningenrechter de volgorde van de vorderingen zoals hierboven in weergegeven in 3.1 zo veel mogelijk aanhouden.

Consequenties voor de auteursrechtelijke vorderingen

4.14.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan een mogelijk rechtmatig bezit van (versies of exemplaren van) het dagboek door de opvordering daarvan door [eiseres] een einde gekomen. De vordering als bedoeld in 3.1 onder 1 zal dan ook worden toegewezen voor zover die betrekking heeft op (de bij [gedaagden] in bezit zijnde versie(s) van) het dagboek.

4.15.

De vordering als bedoeld in 3.1 onder 2 is niet toewijsbaar. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagden] het dagboek aan meer of andere personen ter beschikking heeft gesteld dan de ter zitting bedoelde journalist van het Haarlems Dagblad, die zijn exemplaar naar eigen zeggen inmiddels heeft vernietigd. Voor zover personen in de kring van [gedaagden] over kopieën van het dagboek mochten beschikken, is onvoldoende aannemelijk geworden dat deze niet door [eiseres] zelf en/of [naam vriendin] aan hen ter beschikking zijn gesteld.

4.16.

De vorderingen als bedoeld in 3.1 onder 3 en 4 zijn toewijsbaar, zowel ten aanzien van het dagboek als met betrekking tot de website. Wat dit laatste betreft: aan het mogelijk gedogen van de inhoud van de website door [eiseres] kan [gedaagde sub 1], gegeven de huidige stellingname van [eiseres], niet langer rechten ontlenen.

4.17.

De vordering als bedoeld in 3.1 onder 5 is op auteursrechtelijke gronden niet toewijsbaar, omdat onvoldoende is toegelicht wat er op de facebook-pagina ‘The Murder of Marianne Vaatstra’ staat.

4.18.

De vordering als bedoeld in 3.1 onder 6 zal worden toegewezen. Daarbij zal overeenkomstig de kennelijke bedoeling van [eiseres] worden verduidelijkt wat [gedaagden] te doen staat.

4.19.

De vordering als bedoeld in 3.1 onder 10 zal worden afgewezen. Het primair gevorderde verbod tot publicatie van het door [gedaagden] uit te geven boek gaat aanzienlijk verder dan slechts de desbetreffende passages van het dagboek van [eiseres] en komt in feite neer op censuur, hetgeen in strijd met de Grondwet zou zijn.

Wat betreft de subsidiaire variant wordt overwogen dat het auteursrechtelijk belang van [eiseres] al voldoende wordt beschermd door toewijzing van het verbod tot publicatie van het dagboek of passages daaruit, zodat onvoldoende belang bestaat bij een tegen het boek gerichte voorziening.

4.20.

De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt als volgt.

De overige vorderingen

4.21.

De vorderingen als bedoeld in 3.1 onder 7 en 9 komen neer op een straat- en contactverbod. Dergelijke verboden vormen een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen en vrijelijk contact te leggen met de buitenwereld. Voor het toewijzen van dusdanig ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.22.

[eiseres] heeft ter zake aangevoerd dat door de media gedurende meer dan een decennium intensief aandacht is besteed aan de zaak-Vaatstra, hetgeen van grote invloed is geweest op het privéleven van [eiseres]. Aan deze langslepende kwestie is op 19 april 2013 een einde gekomen met de veroordeling van Jasper S. Na de uitspraak is het de vurige wens van [eiseres] geweest deze lange en uitputtende periode eindelijk af te sluiten. [eiseres] heeft jaren in onzekerheid geleefd, waarbij de media haar geen dag met rust hebben gelaten. Door alle commotie rond de publicatie van het boek stond zij ineens weer in het middelpunt van de landelijke belangstelling. Ze stond zelfs levensgroot op de voorpagina van het AD toen het nieuws naar buiten kwam.

4.23.

De website van [gedaagde sub 1] kenmerkt zich volgens [eiseres] door het geven van, eufemistisch gezegd, een ‘alternatieve’ lezing van maatschappelijke gebeurtenissen. Deze ‘alternatieve’ lezingen dienen als complottheorieën te worden bestempeld. In deze complottheorieën is [gedaagde sub 1] zeer hardnekkig. Hij heeft reeds een geschiedenis van privacy-inbreuken en daarmee samenhangende strafrechtelijke vervolging. Hij heeft zich eerder op laakbare wijze bemoeid met een moordzaak. Ook bij de Deventer moordzaak had [gedaagde sub 1] de hardnekkige overtuiging dat sprake was van een complot. Om zijn stellingen te onderbouwen heeft hij een aantal betrokken recherchebeambten veelvuldig lastig gevallen en zelfs op hun thuisadres bezocht. Voornoemde personen hebben [gedaagde sub 1] eveneens in kort geding betrokken. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde sub 1] veroordeeld tot een contact- en publicatieverbod.

4.24.

[eiseres] stelt tegen deze achtergrond dat [gedaagde sub 1] ook haar telefonisch lastig valt met allerhande theorieën en vragen. [gedaagde sub 1] heeft in de uitzending van ‘Talk to Myra’ d.d. 12 november jl. ook erkend dat [eiseres] die dag nog telefonisch door hem is benaderd. Daarnaast verklaart [gedaagde sub 1] in dit gesprek dat hij in de laatste twee maanden vijf keer in [plaats] is geweest. Ook de dochter van [eiseres], Wilma, wordt nog regelmatig lastig gevallen. Zij is bijvoorbeeld op 9 november nog door [gedaagde sub 1] gebeld. [eiseres] en haar familie worden aldus door [gedaagde sub 1] gedwongen om keer op keer zijn theorieën aan te horen. Verder blijft [gedaagde sub 1] als beheerder van de Facebook pagina ‘The murder of [eiseres]’ zijn complotideeën ten toon spreiden. [eiseres] stelt dat zij lijdt onder deze handelwijze en acht dit handelen onrechtmatig.

4.25.

Door de voorgenomen publicatie en de mededelingen hieromtrent die door [gedaagden] zijn gedaan, is er in de media veel aandacht aan deze mogelijke publicatie besteed. Verschillende media hebben hierdoor opnieuw veel interesse getoond voor [eiseres] waardoor zij, geheel tegen haar wil en wens, opnieuw is geconfronteerd met het misdrijf dat tegen haar dochter is gepleegd. Ook is zij hierdoor aangetast in haar persoonlijke levenssfeer. Hierdoor is bij [eiseres] schade ontstaan. [eiseres] vordert een voorschot.

4.26.

[gedaagde sub 1] heeft een en ander weersproken. Hij heeft met name betwist dat hij [eiseres] nog regelmatig benadert. Van lastig vallen is al helemaal geen sprake. Buiten het in de uitzending genoemde telefoontje heeft hij geen contact met [eiseres] gehad. De bezoeken aan [plaats] zijn ondernomen om onderzoek te doen. Bij die bezoeken is [eiseres] niet bezocht of benaderd. De facebook-pagina ziet op de moordzaak als zodanig. [gedaagde sub 1] meent tenslotte dat de vordering tot schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd.

4.27.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] tegenover betwisting door [gedaagde sub 1] onvoldoende heeft aangevoerd om op dit moment een straat- en contactverbod te rechtvaardigen. In het bijzonder is tegenover die betwisting niet aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 1] [eiseres] de afgelopen maanden buiten het ene telefoongesprek heeft lastig gevallen. Verder is niet duidelijk wat er op de facebook-pagina ‘The Murder of Marianne Vaatstra’ staat, en waarom dat onrechtmatig jegens [eiseres] zou zijn.

4.28.

De mogelijk van weinig respect voor privacy getuigende wijze waarop [gedaagde sub 1] in het algemeen opereert om zijn denkbeelden wortel in de werkelijkheid te doen schieten is, mede gelet op het effect dat van de reeds besproken toewijzingen zal uitgaan, onvoldoende om nu een straat- en contactverbod op te leggen. Die vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar.

4.29.

[gedaagde sub 1] dient er bij het uitzetten van zijn verdere koers in de zaak-Vaatstra overigens wel rekening mee te houden dat het belang dat [eiseres] (en de rest van de familie) erbij heeft dat de familie rust krijgt doordat ook de buitenwereld die zaak met de veroordeling van Jasper S. als afgedaan beschouwt, door een in de toekomst mogelijk tot oordeel geroepen rechter zwaar zal worden gewogen.

4.30.

De vordering als bedoeld in 3.1 onder 8 strekt tot verkrijging van een (voorschot op) schadevergoeding. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Deze vordering zal worden afgewezen.

4.31.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestaan van een dergelijke vordering van [eiseres] op [gedaagden], laat staan de hoogte daarvan, niet voldoende aannemelijk is geworden. Ook heeft [eiseres] geen (spoedeisend) belang gesteld op grond waarvan een eventueel oordeel van de bodemrechter daaromtrent niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij is mede redengevend dat de hierna sub 5.5 te geven veroordeling een zeker van herstel van schade plaatsvindt.

Kosten

4.32.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiseres] heeft op grond van artikel 1019h Rv vergoeding van de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv gevorderd. [gedaagden] heeft die vordering als zodanig niet betwist, zodat deze toewijsbaar is. Aangezien de advocaat van [eiseres] heeft verzuimd een deugdelijke specificatie van zijn kosten over te leggen, zullen de kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot conform de IE-indicatietarieven voor een eenvoudige zaak in kort geding ad € 6.000,--. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden dienovereenkomstig begroot op:

- dagvaarding €  185,64 (2x € 92,84)

- griffierecht 75,00

- salaris advocaat 6.000,00

Totaal €  6.260,64.

4.33.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagden] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle bij [gedaagden] in bezit zijnde (papieren en digitale versies van) het dagboek aan (de raadsman van) [eiseres] in persoon te overhandigen onder afgifte van een ontvangstbewijs,

5.2.

verbiedt [gedaagden] om de inhoud van het dagboek, danwel delen daarvan, op enigerlei wijze te openbaren, en beveelt om de reeds gepubliceerde kopieën van (passages uit) het dagboek van de website www.rechtiskrom.wordpress.com te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,

5.3.

beveelt [gedaagden] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ieder artikel, bericht of melding waaruit het voornemen blijkt om de inhoud van het dagboek, danwel delen daarvan, te openbaren van de website www.rechtiskrom.wordpress.com te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,

5.4.

beveelt [gedaagden] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, bovenaan op de ‘homepage’ van de website www.rechtiskrom.wordpress.com, met lettertype Times New Roman, grootte 11, althans duidelijk leesbaar, melding te maken van de inhoud van dit vonnis door deze zonder opiniërend bijschrift integraal te vermelden,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- (zegge: éénduizend euro) voor iedere dag dat zij niet aan (één van) de in 5.1 tot en met 5.4 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoen, tot een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro) is bereikt,

5.6.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 6.260,64,

5.7.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 18 december 2013.1

1 Conc.: 936