Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:12095

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/2476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontegenzeggelijk zal eiser na realisatie van de aanbouw enig nadeel ondervinden als gevolg van toegenomen schaduwwerking en verlies van uitzicht vanuit de achterzijde van zijn woning op de straat. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid aan dit verlies van zonlicht dan wel de toename van schaduwwerking die uit de bezonningsstudie naar voren komt op het perceel van eiser en verlies van uitzicht geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven hechten. Van een evidente privaatrechtelijke beperking in de vorm van onrechtmatige hinder als gevolg van het bouwplan is geen sprake. Daarvoor is met name van belang dat de tuin van eiser is gelegen op het noordoosten, waardoor de negatieve effecten van de aanbouw in de vorm van schaduwwerking zeer beperkt zullen zijn, zoals dat uit de overgelegde bezonningsstudie kan worden afgeleid. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat er -zo heeft de rechtbank begrepen- thans op de plek waar de zijmuur van de aanbouw zal worden geplaatst een erfafscheiding van 2 m hoog staat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/2476

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2011 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Ouggaali, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Zaandam,

gemachtigde: P.J. Frederiks, architect.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2012 heeft verweerder aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een dakkapel aan de voorzijde van de woning aan de
[adres] en het vergroten van deze woning aan de achterzijde.

Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 19 april 2013.

Tegen dit besluit heeft eiser op 26 mei 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Eiser is ter zitting verschenen, vergezeld door zijn vrouw en dochter. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd. Zij werd vergezeld door haar collega mevrouw [naam 1]. Voorts zijn [derde belanghebbende] en zijn gemachtigde verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Het bouwplan waarop de in rechte betwiste omgevingsvergunning betrekking heeft, betreft het bouwen van een dakkapel aan de voorzijde van de woning aan de [adres] en het bouwen van een aanbouw aan de achterzijde van de woning. De aanbouw van één bouwlaag wordt gerealiseerd over de gehele achterzijde van de achtergevel. De diepte van de aanbouw is 2,5 m, de hoogte is 3 m en de breedte is 6,5 m. Eiser woont aan de [adres].

formeel

Artikel 8:42, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: ‘Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en dient het een verweerschrift in.’

Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb luidt: ‘Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.’

Ten aanzien van de aldus begrepen stelling dat het verweerschrift buiten beschouwing gelaten dient te worden, omdat het niet binnen de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb genoemde termijn is ingediend, wordt overwogen dat ingevolge bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:”de Afdeling) de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gestelde termijn een termijn van orde betreft, hetgeen betekent dat aan het niet naleven van deze termijn geen gevolgen worden verbonden. Verweerder heeft het verweerschrift weliswaar buiten de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb genoemde termijn ingezonden maar het op 10 oktober 2013 per fax door de rechtbank ontvangen verweerschrift is in ieder geval ingediend binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb neergelegde termijn. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan de overschrijding van de termijn van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb voorbijgaan.

De dakkapel

De dakkapel aan de voorzijde van de woning past in de opvatting van eiser niet in het straatbeeld en is door verweerder ten onrechte als trendsetter aangemerkt. Er zijn alternatieven die voor eiser niet of minder bezwarend zijn. Op 6 november 2012 heeft de welstandscommissie van de gemeente Zaanstad (de Stichting Welstandszorg Noord-Holland, Commissie Zaanstad; een college van deskundigen op het gebied van de redelijke eisen van welstand) zich op het standpunt gesteld dat de dakkapel voldoet aan de sneltoetscriteria van de welstandsnota. Eiser heeft niet gesteld dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Daaruit volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor de dakkapel niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat het begrip trendsetter -de vergunde dakkapel van eiser is als zodanig aangemerkt- niet betekent dat elke in de toekomst te realiseren dakkapel in de omgeving identiek dient te zijn aan de in deze zaak vergunde dakkapel. Namens verweerder is in dat kader aangegeven dat zolang de vastgelegde maatvoering in acht wordt genomen (waaronder de minimale afstanden van de dakkapel tot de daknok en dakvoet) de bouwer vrij is zijn dakkapel kleiner te bouwen dan de dakkapel van eiser en dat het zijdens verweerder weliswaar op prijs wordt gesteld als gelijk aan de trendsetter wordt gebouwd, maar dat dit niet kan worden afgedwongen.

De aanbouw

Eiser heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de aanbouw op de erfgrens komt te staan. Op de tekeningen wordt niet vermeld dat het perceel [adres] reeds een aanbouw heeft van dezelfde hoogte en een breedte van 3,05 meter. Zijn woning en tuin worden door de bouw van de aanbouw aan de achterzijde ingesloten door twee op de erfgrens staande, blinde muren met nadelige gevolgen voor de toetreding van licht en zonlicht in zijn woning en tuin en het wegvallen van het uitzicht vanuit de achterzijde van zijn woning op de openbare weg. De aanbouw geeft hem een ‘gevoel van opgesloten zijn’ in zijn eigen huis en achtertuin en zal leiden tot aantasting van zijn woongenot met als gevolg onrechtmatige hinder.

Ter plekke geldt het bestemmingsplan “[naam 2]”, partiële herziening 1967. Op het perceel liggen de bestemmingen “bebouwing B” en “open erf”. Blijkens artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming “bebouwing B” aangewezen voor blokken woningen bestaande uit een begane grond en een verdieping. Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften mag op gronden met de bestemming “open erf” niet worden gebouwd. Tussen partijen is geen onderwerp van debat dat de uitbouw op gronden met de bestemming “open erf” wordt gebouwd, waardoor het bouwplan -in zoverre- in strijd is met het bestemmingsplan.

Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan heeft verweerder ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de aanvraag aangemerkt als een aanvraag voor het bouwen van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder heeft besloten hoewel de aanbouw in strijd is met het bestemmingsplan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat de aanbouw naar zijn mening geen evidente privaatrechtelijke beperking zal veroorzaken.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, ten derde, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) -voor zover van belang- luidt: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […] in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Dit artikel is uitgewerkt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1 van bijlage II van het Bor kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Ingevolge artikel 2.1.3 aanhef en onder 1 van de ‘Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010’ geldt voor bebouwing zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1 van bijlage II van het Bor de ‘Nota erfbebouwing Zaanstad 2007’ als toetsingskader. Deze nota is inmiddels ingetrokken en vervangen door de ‘Nota Woonbebouwing Zaanstad 2012’. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat het bouwplan past in de ‘Nota Woonbebouwing Zaanstad 2012’.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de aanbouw gelet op artikel 3, aanhef en eerste lid van bijlage II Bor geen omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef, en onder a, van de Wabo (het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning), nu de aanbouw een bijbehorend bouwwerk is in achtererfgebied en niet hoger is dan 5 meter. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat vooraf het bouwplan niet hoeft te worden getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Achteraf zal door de buiteninspecteur van de gemeente worden gecontroleerd of het bouwplan aan de technische eisen van dit besluit voldoet. De architect heeft ter zitting verklaard dat de constructietekeningen en -berekeningen nog moeten worden gemaakt en ingediend bij de gemeente en dat voordat met de sloop zal worden begonnen de relevante dragende delen degelijk zullen worden gestut.

Omdat de aanbouw echter in strijd is met het bestemmingsplan is daarvoor wel een omgevingsvergunning nodig ex artikel 2.1, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan).

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of omgevingsvergunning kan worden verleend ondanks het feit dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen. De rechtbank kan slechts ingrijpen indien de uitkomst kennelijk onredelijk is.

Gelet op het vorenstaande staat vast dat de aanbouw niet alleen past in artikel 4 van bijlage II van het Bor (de planologische kruimellijst) maar ook past in de ‘Nota Woonbebouwing Zaanstad 2012’. Daaruit volgt dat de nadelige gevolgen van een aanbouw al in wetgeving en beleid in abstracto zijn afgewogen. In dit verband is ook van belang dat een erfafscheiding van 2 meter hoogte vergunningvrij mag worden opgericht.

Ontegenzeggelijk zal eiser na realisatie van de aanbouw enig nadeel ondervinden als gevolg van toegenomen schaduwwerking en verlies van uitzicht vanuit de achterzijde van zijn woning op de straat. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid aan dit verlies van zonlicht dan wel de toename van schaduwwerking die uit de bezonningsstudie naar voren komt op het perceel van eiser en verlies van uitzicht geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven hechten. Van een evidente privaatrechtelijke beperking in de vorm van onrechtmatige hinder als gevolg van het bouwplan is geen sprake. Daarvoor is met name van belang dat de tuin van eiser is gelegen op het noordoosten, waardoor de negatieve effecten van de aanbouw in de vorm van schaduwwerking zeer beperkt zullen zijn, zoals dat uit de overgelegde bezonningsstudie kan worden afgeleid. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat er -zo heeft de rechtbank begrepen- thans op de plek waar de zijmuur van de aanbouw zal worden geplaatst een erfafscheiding van 2 m hoog staat.

Ingevolge bestendige jurisprudentie van de Afdeling heeft verweerder eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dit bij hem is ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van een alternatief (eiser heeft er voor gepleit om de zijgevel van de aanbouw op ongeveer 2 m afstand van de erfgrens op te trekken) een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat een dergelijk geval zich hier voordoet. Daaruit volgt dat het betoog van eiser dat er alternatieven zijn die voor hem niet of minder bezwarend zijn, niet kan leiden tot het daarmee beoogde doel.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak door de griffier.