Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11877

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/2962
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering, omdat eiser jonger is dan 27 jaar en onderwijs kan volgen. Eiser heeft zich niet tijdig ingeschreven voor een opleiding, dat komt voor zijn rekening en risico. Aan eiser is tijdig bekend gemaakt dat hij geen recht had op bijstand indien hij kon gaan studeren en hij recht op studiefinanciering kon krijgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2013-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/2962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr J. Kluivers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: T.A. van den Hoff)

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 2 november 2012. Ook heeft verweerder in dit besluit de uitkering beëindigd met ingang van 14 februari 2013.

Bij besluit van 4 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Eiser heeft in oktober 2012 een opleiding ICT-beheer afgerond aan het Nova College te Hoofddorp, en heeft op 2 november 2012 een aanvraag ingediend hem een uitkering te verstrekken op grond van de WWB. Eiser was op dat moment 20 jaar oud. Verweerder heeft eiser op 2 november 2012 een brief gestuurd waarin onder meer staat dat in de WWB is bepaald dat er geen recht bestaat op algemene bijstand voor iemand die jonger is dan 27 jaar en regulier onderwijs kan volgen en dat eiser moet uitzoeken of hij weer naar school kan en wanneer de opleiding start. De brief meldt voorts: “Mocht u op 30 november 2013 niet gestart zijn met een opleiding of is het u niet gelukt om betaald werk te vinden, dan komt u mogelijk alsnog in aanmerking voor een bijstandsuitkering.” Op 6 november 2012 heeft eiser een gesprek gehad bij de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) om te bespreken welke scholingsmogelijkheden er voor hem bestaan. Hierbij is gebleken dat eiser een HBO-opleiding kan volgen die in februari 2013 start. Eiser is per 1 september 2013 begonnen aan de opleiding IT Business bij InHolland en ontvangt vanaf die datum studiefinanciering.


2. Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden de aanvraag om WWB heeft beëindigd met ingang van 1 februari 2013.

3.

Verweerder stelt dat eiser met ingang van 1 februari 2013 geen recht meer heeft op WWB. Hij kan immers per die datum gaan studeren en heeft daarbij aanspraak op studiefinanciering.

4.

Eiser verzet zich tegen de beëindiging van zijn uitkering per 13 februari 2013. Hij stelt dat van hem niet kan worden gevergd dat hij een nieuwe studie gaat volgen. Hij acht de kans reëel dat hij de (HBO-)opleiding niet met succes zal afronden en wil niet met een forse studieschuld achterblijven zonder dat zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn verbeterd. Eiser wijst er voorts op dat de uiterste inschrijvingsdatum voor de opleiding IT Business bij InHolland 31 januari 2013 was. Hij betoogt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel door eerst een uitkering toe te kennen en deze vervolgens ná het sluiten van die inschrijvingsdatum weer in te trekken.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef, onder c en onder 1°, van de WWB, bestaat geen recht op bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000.

6.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, en door eiser niet bestreden, dat eiser met ingang van 1 februari 2013 een HBO-opleiding kon gaan volgen. Ook staat vast dat eiser aanspraak heeft op studiefinanciering in verband met deze opleiding en dat hij jonger is dan 27 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het volgen van een (al dan niet HBO-)opleiding van eiser niet kon worden gevergd. Het opbouwen van (meer) studieschuld is daarvoor in elk geval niet voldoende reden. Uit het advies van RMC blijkt evenmin van belemmeringen om een vervolgstudie te doen.

6.1

Nu aldus vaststaat dat aan de voorwaarden in genoemd artikelonderdeel is voldaan, volgt hieruit voor verweerder in beginsel de plicht om de aanvraag af te wijzen.

6.2

De omstandigheid dat verweerder pas op 13 februari 2013, en dus bijna twee weken na de start van deze opleiding het primaire besluit heeft gegeven, betekent niet dat voor verweerder niet langer de plicht bestond om de bijstandsaanvraag af te wijzen. Hierbij is van belang dat eiser er al ruim vóór die datum mee bekend dat voor hem geen recht op bijstand bestond indien hij kon gaan studeren en daarvoor studiefinanciering kon krijgen. Dit blijkt uit de brief die hij op 2 november 2013 van verweerder heeft ontvangen en moet hem ook duidelijk zijn geworden uit het gesprek met RMC. Eiser heeft dat niet betwist, maar hij wilde aanvankelijk niet verder studeren. Het komt voor rekening en risico van eiser dat hij zich niet tijdig voor de op 1 februari 2013 startende opleiding heeft ingeschreven.

6.3

Met zijn beroep het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel miskent eiser dat de beslissing de uitkering toe te kennen en deze te beëindigen in één beschikking zijn vervat. Dit beroep slaagt daarom niet. Ook overigens blijkt niet dat het vertrouwen is gewekt bij eiser dat hij, langer dan tot 1 februari 2013, recht zou hebben op WWB. Dit blijkt met name niet uit, zoals eiser wel heeft gesteld, de brief van 2 november 2013. Hierin is immers slechts vermeld dat eiser mogelijk voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt.

7.

De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, in aanwezigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.

griffier rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.