Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11679

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
ALK-13_326
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wsf 2000, huisbezoek, stage.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/326

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2013 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. van der Veen),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Holtrop).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2012, Bericht Studiefinanciering 2012 nr. 2 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de studiefinanciering over de periode januari 2012 tot en met juli 2013 aangepast. Eiseres heeft in 2012 € 1.905,40 te veel studiefinanciering ontvangen.

Eiseres is met ingang van 1 januari 2012 als thuiswonend geregistreerd. Haar verzoek om een uitwonendebeurs is alsnog afgewezen omdat zij niet op het adres woont waar zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven.

Bij besluit van 7 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres werd vergezeld door haar twee zussen,[naam 3] en [naam 4]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiseres is bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 een beurs voor een uitwonende studerende toegekend.

Eiseres volgt een driejarige opleiding tot doktersassistent aan het ROC Nova College te [woonplaats].

Eiseres heeft op 24 september 2012 een stage-overeekomst gesloten voor de periode 4 september tot en met 9 november 2012, gedurende 4 dagen per week, bij [naam 2] te Rotterdam in het kader van haar opleiding tot doktersassistent.

Verweerder heeft op 17 oktober 2012 om 18:30 uur een huisbezoek afgelegd op het GBA-adres van eiseres te weten: [adres], te [woonplaats]. Van dit bezoek is op 24 oktober 2012 een rapportage opgesteld. Op dit adres woont de zus van eiseres met haar partner en 2 kinderen.

In de bijlagen bevindt zich:

- een ‘verklaring toestemming huisbezoek’ en een ‘verklaring student of betrokkene’ ondertekend door [naam 4] op 17 oktober 2012.

- een ‘verklaring student of betrokkene’ van het telefoongesprek dat op 17 oktober 2012 om 19:30 uur is gevoerd met eiseres.

- foto’s van het bezochte adres.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen zoals hiervoor is weergegeven.

2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanaf 2 juni 2008 in de GBA staat ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Evenmin is in geschil dat dit GBA-adres niet het GBA-adres van (een van) haar ouders is.

3.1.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet op het GBA-adres woonde toen een controle werd uitgevoerd op 17 oktober 2012 op dit adres. Verweerder verwijst naar het rapport van 24 oktober 2012 dat door de controleurs is opgesteld naar aanleiding van dit huisbezoek. Hieruit blijkt dat eiseres stage loopt in Rotterdam en doordeweeks bij haar zus in Rotterdam verblijft. Eiseres is op vrijdag tot en met maandag op het GBA-adres en in het weekend soms bij haar ouders.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet meer haar hoofdverblijf had op het adres waarop zij in de GBA stond ingeschreven met als gevolg dat zij geen recht meer heeft op een uitwonendenbeurs met ingang van 1 januari 2012. Daarbij verwijst verweerder naar de Memorie van Toelichting Tweede Kamer, vergaderjaar 20-10-2011, 32 770 nr. 3 waarin staat vermeld dat het de plicht is van elke burger om correct ingeschreven te staan in de GBA en het bij een administratief nalatige studerende onmogelijk is te achterhalen of deze studerende bewust of onbewust nalatig is geweest in het doorgeven van een nieuw woonadres. Verweerder is dan ook van mening dat het op de weg van eiseres lag om zich in te schrijven op het adres van haar zus in Rotterdam, ook bij een stage van twee maanden.

Als een student niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de

GBA dan vindt herziening van de uitwonendenbeurs plaats uiterlijk tot de datum van

inschrijving op het laatst bekende GBA-adres. In de situatie van eiseres is de

uitwonendenbeurs ingetrokken vanaf 1 januari 2012, de datum van het inwerkingtreden van het wetsartikel waarop de herziening berust.

3.2.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht geen vaste criteria te hanteren bij het begrip ‘hoofdverblijf’. Verweerder hanteert een lijst zoals opgenomen in het rapport van de controleurs. Hieruit blijkt dat in elk geval sprake moet zijn van een eigen kamer en persoonlijke spullen. Beoordeeld wordt waar het centrum van iemands sociale en maatschappelijke leven is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook bij een stage de studerende zich dient in te schrijven in de GBA van de plaats alwaar de studerende stage loopt. Zelfs als de studerende, bij gebreke van een logeeradres bij familie of vrienden, bijvoorbeeld in een jeugdherberg of hotel zou verblijven. Indien de gemeente weigert de studerende in te schrijven dan dient de studerende een formulier in te vullen die verweerder ter beschikking heeft gesteld op zijn site. Verweerder handelt overeenkomstig het bepaalde in de Wet GBA.

4.

Eiseres voert aan dat zij stage liep in Rotterdam gedurende 10 weken, bij gebreke van stageplaatsen dichter bij huis. Zij logeerde daar bij haar zus gedurende vier dagen in de week en de overige dagen verbleef zij in [woonplaats]. Het GBA-adres in [woonplaats] is al jaren haar woonadres. Tijdens de bezwaar- en beroepsfase heeft eiseres contact gehad met een medewerker van verweerder en bij die gelegenheid is het haar afgeraden om in geval van een stage haar GBA-adres te wijzigen.

5.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet op haar GBA-adres woonde met als gevolg dat zij met ingang van 1 januari 2012 geen recht had op een uitwonendenbeurs.

6.

Voor de beoordeling van die vraag is de volgende regelgeving van belang.

In artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is het volgende bepaald:

Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, (…)

In artikel 1 van de Wet GBA is bepaald dat onder deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…);

– woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, (…), of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

(…)

7.

De rechtbank overweegt dat het geschil zich toespitst op de vraag waar eiseres woonde, danwel haar hoofdverblijf had, gedurende haar stage.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het adres waar eiseres gedurende haar stage in Rotterdam verbleef niet het adres is zoals bedoeld in vorenaangehaald artikel 1, onder a, laatste volzin, van de Wet GBA. Het is niet het adres waar eiseres naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten. Eiseres verbleef immers over een periode van 10 weken slechts 4 dagen van de week in Rotterdam. Daarnaast bestond geen redelijke verwachting dat eiseres langer zou blijven dan de periode van 10 weken die werd vastgesteld in haar stageovereenkomst. Overigens heeft de rechtbank in de Wet GBA geen aanknopingspunten gevonden voor hetgeen moet worden verstaan onder “woonadres”.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, te worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het geval, met name waar iemand werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt, kortom de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel om, als het doel is bereikt, naar toe terug te keren.

Eiseres heeft ter zitting - onweersproken - toegelicht dat het centrum van haar maatschappelijk leven zich in [woonplaats] bevindt en zich– ook tijdens haar stageperiode – in [woonplaats] bevond. Zij heeft altijd in [woonplaats] gewoond en heeft daar haar middelbare school doorlopen. Zij volgt thans een driejarige opleiding tot doktersassistent aan het ROC Nova College te [woonplaats]. Zij heeft een bijbaan in [woonplaats] en daarvoor keerde zij ook terug naar [woonplaats] gedurende haar stage in Rotterdam. Verder wonen al haar vrienden in [woonplaats]. Haar huisarts en tandarts heeft zij in [woonplaats]. Zij sport bij Delphis sportschool in [woonplaats]. Eiseres heeft in Rotterdam alleen een stageplek. Met Rotterdam heeft zij verder geen binding, ze kende ook slechts de weg tussen het adres van haar zus in Rotterdam en het stageadres. Na afloop van haar stage keerde zij ook terug naar [woonplaats].

Gelet op deze omstandigheden in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat eiseres door haar tijdelijk verblijf in Rotterdam wegens een stage niet haar hoofdverblijf op het GBA-adres in [woonplaats] heeft prijsgegeven. Eiseres heeft daartoe niet de intentie gehad, en ook vorenaangehaalde onweersproken omstandigheden leiden niet tot die conclusie. Verweerder kan dus niet worden gevolgd in zijn stelling dat eiseres nalatig is geweest ter zake van haar inschrijving in de GBA.

8.

Gelet op het voorgaande dient voorts beoordeeld te worden of eiseres op het GBA-adres [adres] te [woonplaats] woonde.

9.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het GBA-adres waarop zij staat ingeschreven rust alsdan in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres niet woont op het adres [adres] te [woonplaats]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

11.

Uit de rapportage van hoofdbewoonster [naam 4] blijkt dat eiseres ten tijde van het huisbezoek aan het GBA-adres niet aanwezig was. Zij heeft de handhavers toegang tot de woning verschaft en deze rondgeleid. Zij heeft verklaard dat eiseres in Rotterdam verblijft op stage. Van vrijdag tot en met maandag is ze op het GBA-adres. Doordeweeks verblijft ze in Rotterdam bij haar zus.

Er zijn twee kinderkamers. Eiseres slaapt in de eerste kamer naast de deur. In deze kamer slaapt de oudste dochter. In de kamer staat een eenpersoonsbed met daaronder een lade. Verder staat er een bureau en een kledingkast. Verder heeft zij verklaard dat eiseres op de kinderen paste maar sinds dit jaar niet meer. Ze ging heel vaak oppassen en bleef toen ook slapen. Toen heeft ze zich ingeschreven bij de GBA. In november is ze klaar met haar stage en dan komt ze terug. Eiseres betaalt geen huur, ze past op de kinderen. Eiseres heeft veel van haar spullen meegenomen. Haar boeken liggen in de woonkamer, in de boekenkast. In de kast liggen ongeveer 7 mapjes met studiemateriaal. Het materiaal komt overeen met de opleiding. In de kast ligt ook haar iPad. De zus verklaarde niet te weten waar haar administratie is. Eiseres heeft een map, waarschijnlijk heeft ze het meegenomen. Op de tafel ligt recente post van zorgbalans, de post is nog gesloten.

In de kast liggen 2 broeken, 5 jasjes, 2 jurkjes. In de kast liggen 2 manden met kleding van eiseres, in de manden liggen trouw/feestkleding. Eiseres heeft haar ondergoed en kleding mee naar Rotterdam. Het grootste gedeelte verblijft ze in Rotterdam. In het weekend is ze ook niet het hele weekend op het GBA-adres. Ze slaapt dan ook wel eens bij haar ouders.

Verder zijn er geen spullen van haar. Er zijn nog wel schoenen van haar aanwezig, eiseres heeft dezelfde maat als haar zus.

12.

Eiseres heeft telefonisch aan de controleurs verklaard dat zij sinds het begin van dit schooljaar stage loopt in Rotterdam. Sindsdien verblijft zij ook in Rotterdam, behalve op vrijdag, zaterdag en zondag. Op vrijdag en zaterdag en zondag verblijft zij meestal in [woonplaats] op het adres [adres] te [woonplaats]. Soms is ze in het weekend ook in

Rotterdam. Daarvoor verbleef zij gewoon op de [adres] te [woonplaats] en als ze klaar is met haar stage dan gaat ze weer terug. Het is een tijdelijke situatie.

Ten aanzien van haar persoonlijke spullen heeft ze verklaard dat zij al haar spullen heeft meegenomen. Zij heeft alleen nog wat schoolboeken/readers in de kast in de woonkamer bij [naam 4] staan. Verder heeft zij geen kleding of zo meer daar. Zij heeft nog wel spullen bij haar ouders zoals oude kleding. Zij heeft bij haar ouders geen slaapkamer meer.

13.

In de rapportage van 24 oktober 2012 wordt ondanks de verklaringen van de hoofdbewoonster en eiseres de conclusie getrokken dat eiseres niet woont op het GBA-adres. Aan deze conclusie ligt ten grondslag dat op dit adres vrijwel niets van eiseres is aangetroffen, enkel de 7 studiemapjes en het feit dat deze zus en eiseres zelf hebben verklaard dat eiseres vanwege haar studie grotendeels in Rotterdam verblijft.

14.

De rechtbank stelt vast dat in de rapportage onder meer is vermeld dat in de vermeende kamer van eiseres op het GBA-adres dameskleding is aangetroffen. Verder is in een boekenkast 7 mapjes met studiemateriaal en een i-pad aangetroffen. Op de tafel lag recente ongeopende post van zorgbalans. Eiseres heeft zelf verklaard dat zij in verband met haar stage bijna al haar spullen heeft meegenomen. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat eiseres niet langer haar hoofdverblijf had op haar GBA-adres zoals in de rapportage van de controleurs staat vermeld. Eiseres diende immers te beschikken over persoonlijke spullen op de 4 dagen dat zij in Rotterdam verbleef. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

15.

Het besluit van 7 februari 2013 is gelet op het vorenstaande in strijd met het bepaalde in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 alsook in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig voorbereid alsmede ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Het besluit van 7 februari 2013 zal worden vernietigd. Omdat de rechtbank het onwaarschijnlijk acht dat verweerder de gebreken die aan de rapportage van 24 oktober 2012 kleven alsnog kan vervolmaken, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit van 16 december 2012 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder aan eiseres met ingang van 1 januari 2012 een beurs naar de norm van een uitwonende studerende zal toekennen.

16.

Voor zover het beroep is gericht tegen een besluit waarbij een boete is opgelegd dan wel een uitwonendenbeurs is geweigerd stelt de rechtbank vast dat deze besluiten buiten de omvang van dit geding vallen met als gevolg dat de rechtbank deze besluiten niet inhoudelijk kan beoordelen.

17.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres verzochte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

18.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 44,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 7 februari 2013;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit gegrond, herroept dat besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiseres;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.