Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11675

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
ALK-13_337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wsf 2000, huisbezoek, niet woonachtig op GBA-adres.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2013 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B. Wernik),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Holtrop).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2012, Bericht Studiefinanciering 2012 nr. 3 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de studiefinanciering vanaf januari 2012 aangepast. Eiseres heeft in 2012 € 1.905,40 te veel studiefinanciering ontvangen.

Eiseres is met ingang van januari 2012 als thuiswonend geregistreerd. Haar verzoek om een uitwonendenbeurs is alsnog afgewezen omdat zij niet op het adres woont waar zij in de gba staat ingeschreven.

Bij besluit van 29 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft via internet een wijziging doorgegeven dat zij met ingang van 1 mei 2010 aan de [adres] te [woonplaats] woont met als gevolg dat verweerder bij besluit van 23 april 2010 eiseres met ingang van 1 mei 2010 een beurs voor een uitwonende studerende heeft toegekend.

Bij besluit van 22 oktober 2011 heeft verweerder met ingang van 1 januari 2012 het recht voor studiefinanciering vastgesteld. Hieruit blijkt dat aan eiseres een beurs voor een uitwonende studerende is toegekend.

Verweerder heeft op 1 oktober 2012 om 18:00 uur een huisbezoek afgelegd op het gba-adres van eiseres te weten: [adres], te [woonplaats]. Van dit bezoek is op 10 oktober 2012 een rapportage opgesteld.

In de bijlagen bevindt zich:

- een ‘verklaring toestemming huisbezoek’ ondertekend door [naam 2] 1 oktober 2012.

- een ‘verklaring student of betrokkene’ ondertekend door [naam 2] 1 oktober 2012.

- foto’s van het bezochte adres.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen zoals hiervoor is weergegeven.

2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanaf 10 april 2010 in de gemeentelijke basisadministratie (gba) staat ingeschreven op het adres [adres], te [woonplaats]. Evenmin is in geschil dat dit gba-adres niet het gba-adres van (een van) haar ouders is.

3.

Tussen partijen is in geschil of uit de bevindingen van de op 1 oktober 2012 afgelegde huisbezoek kan worden geconcludeerd dat eiseres vanaf 1 januari 2012 niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven.

4.

De vraag of eiseres woont op het adres waarin zij in de gba staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

5.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het gba-adres waarop zij staat ingeschreven rust alsdan in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

6.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij ten tijde van het huisbezoek niet aanwezig was en dat de controleurs contact met haar hadden moeten opnemen zodat zij vragen van de controleurs had kunnen beantwoorden en aanwijzingen had kunnen geven.

6.2.

De rechtbank begrijpt uit dit betoog dat naar de mening van eiseres voor het huisbezoek het zogenoemde “informed consent” ontbrak. Uit de ‘verklaring toestemming huisbezoek’ ondertekend door [naam 2] op 1 oktober 2012 blijkt dat voor het huisbezoek toestemming is gegeven door de hoofdbewoner van de woning, waar eiseres een kamer zou bewonen. Uit de rapportage van 10 oktober 2012 blijkt dat de controleurs zich hebben gelegitimeerd en het doel van het huisbezoek hebben uitgelegd. De rechtbank overweegt dat daarmee, ten opzichte van de hoofdbewoner, is voldaan aan de vereisten voor het binnentreden van een woning. Eiseres was op dat moment niet in de woning aanwezig. Ten opzichte van de hoofdbewoner, ten aanzien van wie een recht op studiefinanciering niet in het geding is, geldt het “informed consent” niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2013 (LJN: BZ4108).

7.

[naam 2] heeft – zo blijkt uit het door haar op 1 oktober 2012 ondertekende verklaring – verklaard dat [naam 1] (eiseres) een kamer heeft aan de voorkant van de woning. Ze moet deze kamer soms delen met iemand die daar eerst sliep. Dat is [naam 3], haar dochter. Als [naam 3] in de woning slaapt dan slaapt ze ook in de kamer van eiseres.

[naam 3], ook aanwezig ten tijde van de controle, heeft de kamer aan de rapporteurs getoond. Uit deze verklaring blijkt verder: in de kamer staat een éénpersoonsbed, een driedeurskast, een tweedeurskast en een kastje met daarop foto’s van [naam 3]. In het kastje lag een dagboek en twee fotoalbums van [naam 3]. In de kast een mand met een fotomapje van [naam 3]. In de andere kast sieraden, e-dentifier en nog wat algemene spullen van [naam 1]. De driedeurskast hangt vol met dameskleding en tassen. In de la zit ondergoed van [naam 1]. In de tweedeurskast zitten spullen van de moeder van [naam 3] in de lade van het kastje zit ondergoed, sokken en make up van [naam 1]. Ze heeft geen studieboeken alles gaat via de laptop en die heeft ze mee. Ze heeft hier geen post liggen. Ze verwerkt het en ruimt het op. [naam 3] heeft verklaard dat zij de hele dag thuis zit. Zij is al twee jaar klaar met haar studie. De rapporteurs hebben [naam 3] voorgehouden niks te vinden op naam van [naam 1] maar wel van [naam 3]. [naam 3] heeft daarop verklaard dat het de kamer van eiseres is en ze zijn hele goeie vriendinnen.

8.

Uit het rapport van de controleurs van 10 oktober 2012, waarin deze verklaring is opgenomen, blijkt verder dat eiseres vanaf 10 april 2010 ingeschreven is op het adres van de familie [naam 2]. De dochter van de familie, [naam 3], is ingeschreven op het adres van de familie [naam 1], de ouders van eiseres. De rapporteurs hebben in dit rapport geconcludeerd dat sprake is van een ruil van het adres van de dochters. De rapporteurs hebben [naam 3] voorgehouden dat zij in de kamer niets persoonlijks vinden van eiseres maar wel van haar waarop [naam 3] heeft verklaard dat het de kamer van eiseres is en dat zij goede vriendinnen zijn. Uit dit rapport blijkt dat de rapporteurs hebben geconcludeerd dat het overduidelijk is dat eiseres niet woont in de woning. In de kast waren kledingstukken voor een vrouw (maar het was niet duidelijk van wie), er was geen administratie, schoolspullen en oplader. Er waren geen persoonlijke spullen van eiseres aanwezig in de kamer. Er waren wel persoonlijke spullen van [naam 3] in de kamer aanwezig. In de huiskamer zagen zij ook niets dat op de aanwezigheid van eiseres duidde. Er was geen post op naam van eiseres in de woning. Gelet op alle feiten en omstandigheden concludeerden de rapporteurs dat eiseres niet haar hoofdverblijf heeft op het gba-adres.

9.

De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door verweerder ingenomen standpunt dat eiseres in de in geding zijnde periode niet woonachtig was op haar gba-adres [adres] te [woonplaats]. Hierbij acht de rechtbank van belang dat op dit adres nagenoeg geen tot eiseres herleidbare persoonlijke spullen zijn aangetroffen. De stelling van verweerder dat er geen persoonlijke spullen van eiseres aanwezig waren in de kamer heeft eiseres onvoldoende weersproken. De verwijzing naar foto’s met kleding en het betoog dat zij op school een kluisje heeft met daarin haar studieboeken en zij verder alles opslaat in haar laptop die zij meeneemt is daarvoor onvoldoende. De afschriften van poststukken die eiseres in beroep heeft ingebracht geven naar het oordeel van de rechtbank geen uitsluitsel over de feitelijke woonsituatie van eiseres. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij haar eigen postvak heeft in de woning. Uit de verklaring van [naam 3] blijkt echter dat haar is gevraagd naar de post van eiseres en dat zij op dat moment niet het postvak van eiseres heeft aangewezen. Het betoog van eiseres ter zitting dat indien [naam 3] in haar oude kamer overnacht zij daar samen met eiseres in het éénpersoonsbed slaapt, overtuigt de rechtbank ook niet.

10.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000. Verweerder heeft zich derhalve, gelet op de in artikel 1.1 van de Wsf 2000 opgenomen definitie, terecht op het standpunt gesteld dat eiseres diende te worden beschouwd als een thuiswonende studerende. Verweerder was derhalve bevoegd om de aan eiseres toegekende studiefinanciering te herzien naar een norm voor een thuiswonende studerende. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de hem toekomende bevoegdheid.

11.

Het beroep is ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.