Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_1455
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte stakingswinst juist vastgesteld en correcties voor de overige kosten en de rentekosten zijn terecht aangebracht en niet onredelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2718
V-N 2014/3.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/1455

Uitspraakdatum: 10 oktober 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Alkmaar, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 november 2012 voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een positief inkomen uit werk en woning van € 30.506. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 1.600, zijnde het saldo van het inkomen uit werk en woning van
€ 30.506 en een verliesverrekening van € 28.908.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 februari 2013 het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 29.276. Na verliesverrekening (€ 28.908) resulteerde dit in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 368. De aanslag (en de daarin besloten liggende beslissing om bij beschikking het verlies van het onderhavige jaar op nihil vast te stellen) is daarbij gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is verstrekt aan verweerder.

Verweerder heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend. Een afschrift daarvan is verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen H.A.M. Rijnboutt en O.C.W. Pos.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser was in de jaren 2005 tot en met 2008 als vennoot werkzaam in de vennootschappen onder firma V.O.F. [A BEDRIJF] en [B BEDRIJF] V.O.F. De overeengekomen winstverdeling bedroeg 50%-50%. Beide vennootschappen zijn op 31 december 2008 ontbonden. Voorts verrichtte eiser voor eigen rekening kleinschalige activiteiten onder de naam [A]. Eiser was voorts betrokken bij drie samenwerkingsverbanden met derden, [C BEDRIJF] U.A., [D BEDRIJF] B.V. en [E BEDRIJF] B.V. i.o. Tevens was eiser aandeelhouder van [F BEDRIJF] B.V. Laatstgenoemde vennootschap is begin 2009 failliet verklaard. Het faillissement is inmiddels opgeheven.

2.2.

Eiser heeft op 25 maart 2009 aangifte ib/pvv 2008 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 11.485 (negatief). Daarna heeft eiser drie aanvullingen op deze aangifte ingediend (op 31 augustus 2010 naar een verzamelinkomen van € 19.148 (positief), op 21 december 2010 naar een verzamelinkomen van € 4.245 (negatief) en op 23 december 2010 naar een verzamelinkomen van € 16.344 (negatief)). In de vier aangiften is het resultaat van de activiteiten V.O.F. [A BEDRIJF], [B BEDRIJF] V.O.F. en [A] verwerkt. In de laatste aangifte heeft eiser zijn verzamelinkomen als volgt berekend:

Resultaat [B BEDRIJF] V.O.F. € 11.612 -

Resultaat [A BEDRIJF] V.O.F. € 665 +

Resultaat [A] nihil

Totaal resultaat ondernemingen € 10.947 -

Zelfstandigenaftrek € 9.096 -

MKB-vrijstelling € 2.004 +

Belastbare winst € 18.039 -

Ontvangen alimentatie € 1.695 +

Inkomen uit werk en woning € 16.344 -

2.3.

Verweerder heeft bij eiser met ingang van 3 februari 2009 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften ib/pvv 2005 en 2006. Tijdens het onderzoek is het onderzoek uitgebreid naar het jaar 2004. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 januari 2010. De behandeling van de aangifte ib/pvv 2008 is aangehouden in afwachting van de afronding van het boekenonderzoek.

2.4.

Bij brief van 11 augustus 2011 heeft verweerder de afhandeling van de aangifte ib/pvv 2008 aan de orde gesteld en het inkomen uit werk en woning (en het verzamelinkomen) vastgesteld op € 50.567.

2.5.

Bij brief van 7 september 2011 heeft eiser gereageerd op de onder 2.4 bedoelde brief en een extra aftrekpost opgevoerd. Eiser heeft het verzamelinkomen in deze brief berekend op
€ 20.234 negatief.

2.6.

Partijen hebben, gezien de aanzienlijke verschillen tussen hun standpunten en een fors bedrag aan nog te verrekenen verliezen over de jaren tot en met 2005, geprobeerd om tot overeenstemming te komen over de afhandeling van de aangiften ib/pvv voor de jaren 2006 tot en met 2011. Dit is niet gelukt.

2.7.

Verweerder heeft bij brief van 31 oktober 2012 de afhandeling van de aangifte ib/pvv 2008 aangekondigd. Hij is daarbij uitgegaan van een eerder in 2012 gedaan voorstel aan eiser en heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 30.506. De aanslag ib/pvv 2008 is conform deze aankondiging opgelegd. In totaal is een verlies van € 28.908 verrekend.

2.8.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2008, uitgaande van een verzamelinkomen van € 16.344 negatief.

2.9.

Op 31 januari 2013 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het is partijen niet gelukt om overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de jaren 2006 tot en met 2008.

2.10.

In de uitspraak op bezwaar is het verzamelinkomen vastgesteld op € 29.276. Na verrekening van een verlies van € 28.908 resteert een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 368.

2.11.

In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat de correcties van de post “overige kosten” en de rentekosten tegen te hoge bedragen zijn aangebracht. De correcties hadden
€ 1.730 respectievelijk € 2.690 moeten bedragen. Verweerder stelt voor het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt vast te stellen:

Resultaat [B BEDRIJF] V.O.F. € 11.612 -

Resultaat [A BEDRIJF] V.O.F. € 665 +

Resultaat [A] nihil

Totaal resultaat ondernemingen € 10.947 -

Stakingswinst [B BEDRIJF] V.O.F. € 35.796 +

Correctie [B BEDRIJF] V.O.F. € 4.420 +

Gecorrigeerde winst € 29.269

Stakingsaftrek [B BEDRIJF] V.O.F. € 3.630 -

€ 25.639 +

Zelfstandigenaftrek € 6.968 -

€ 18.671 +

MKB-vrijstelling € 1.867 -

Belastbare winst € 16.804 +

Ontvangen alimentatie € 1.695 +

Inkomen uit werk en woning € 18.499 +

Verliesverrekening € 18.499 -

Belastbaar inkomen nihil

Voorts merkt verweerder op dat ruimte is voor een aanvullende uitbetaling van heffingskortingen van € 1.513.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of verweerder het door eiser aangegeven verlies uit werk en woning terecht heeft gecorrigeerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de stakingswinst van € 35.796, de correctie van de post “overige kosten” van € 5.598 (in het verweerschrift verminderd tot
€ 1.730) en de correctie van de rentekosten van € 10.759 (in het verweerschrift verminderd tot € 2.690) ten onrechte in aanmerking zijn genomen. Verweerder neemt het tegenovergestelde standpunt in. Niet is in geschil dat eiser, indien het standpunt van verweerder wordt gevolgd, recht heeft op een aanvullende heffingskorting van € 1.513.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In geschil zijn de volgende afwijkingen van de laatste aangifte van eiser:

- de stakingswinst [B BEDRIJF] V.O.F.;

- correctie van de post “overige kosten”;

- correctie van de rentekosten.

Tussen partijen is niet in geschil dat de correcties voor overige kosten en voor rentekosten tot te hoge bedragen zijn aangebracht. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Dit heeft tot gevolg dat het inkomen uit werk en woning en daarmee ook het verzamelinkomen in ieder geval tot € 18.499 dient te worden verminderd.

4.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de stakingswinst [B BEDRIJF] V.O.F. aan het kapitaal kan worden toegevoegd en niet als winst genomen hoeft te worden. Hoewel de medefirmant meer kapitaal heeft geïnvesteerd dan eiser, hebben de firmanten afgesproken dat ieder gerechtigd is tot de helft van het resultaat. Eiser heeft meer arbeid ingebracht en de medefirmant meer kapitaal. De verdeling van het kapitaal heeft geen invloed op het resultaat, aldus eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat stakingswinst niet aan het kapitaal kan worden toegevoegd, maar als winst tot het inkomen gerekend dient te worden. Verweerder wijst erop dat eiser geen stakingsbalans en -resultatenrekening heeft opgemaakt en dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt wat precies is afgesproken met de medefirmant. Indien eiser de schuld aan de medefirmant niet betaalt of niet kan betalen, leidt dit tot winstneming bij eiser.

4.3.

Niet in geschil is dat eiser als gevolg van de staking van [B BEDRIJF] V.O.F. een bedrag van € 35.796 heeft ontvangen, omdat het verschil tussen de kapitaalrekeningen van beide firmanten niet heeft geleid tot een hogere toedeling aan de medefirmant, die meer kapitaal had geïnvesteerd. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij en zijn medefirmant hebben besloten om het resultaat door twee te delen omdat eiser meer arbeid had ingebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Het voorgaande betekent dat het bedrag van € 35.796 een beloning is voor de (extra) arbeid die eiser voor [B BEDRIJF] V.O.F. heeft verricht. Ook een dergelijke beloning dient tot het inkomen uit werk en woning te worden gerekend. Het gelijk op dit punt is aan verweerder.

4.4.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de correcties voor “overige kosten” en voor rentekosten berusten op zijn vermeende verklaring dat deze kosten mede zouden zijn gemaakt voor [F BEDRIJF] B.V. Eiser bestrijdt dat hij tijdens de controle akkoord is gegaan met de correctie van 50% van deze kosten omdat de helft aan [F BEDRIJF] B.V. zou moeten worden toegerekend. [F BEDRIJF] B.V. is een eigen bedrijf met een eigen administratie en aangiften waarin alle kosten zijn verwerkt. Over de rentekosten merkt eiser op dat [F BEDRIJF] B.V. kapitaal had aangetrokken van een investeerder. [F BEDRIJF] B.V. heeft dan ook lage rentekosten, terwijl [B BEDRIJF] V.O.F. een lening van een bank had gekregen en hierdoor hoge rentekosten had. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens het boekenonderzoek is vastgesteld dat kosten die betrekking hebben op [F BEDRIJF] B.V. zijn geboekt ten laste van [B BEDRIJF] V.O.F. Eiser heeft dit ook toegegeven. De door verweerder toegepaste toerekening aan beide ondernemingen berust op een redelijke schatting. Eiser is met deze afspraak akkoord gegaan en is hieraan gebonden.

4.5.1.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet heeft bewezen dat met eiser een specifieke afspraak is gemaakt over de toedeling van de overige kosten en de rentekosten aan beide ondernemingen. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat partijen tijdens de controle over de verdeling van deze kosten hebben gesproken en dat eiser min of meer heeft erkend dat bepaalde kosten niet correct zijn verdeeld, maar er is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat eiser met de door verweerder toegepaste verdeling (50/50) heeft ingestemd. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat eiser tijdens de controle - al dan niet stilzwijgend - heeft erkend dat bepaalde kosten ten onrechte aan [B BEDRIJF] V.O.F. zijn toegerekend. De rechtbank verwijst in dit verband naar paragraaf 2.2.2 van het controlerapport, waarin staat dat de controleur voor het jaar 2006 om praktische redenen heeft goedgekeurd dat de kosten en de omzet van [F BEDRIJF] B.V. in de jaarstukken van [B BEDRIJF] V.O.F. zijn verwerkt. Met ingang van het jaar 2007 dienen in de jaarstukken van [B BEDRIJF] V.O.F. enkel gegevens te worden opgenomen die betrekking hebben op de zelfontworpen en geproduceerde bordspellen, zo staat in dezelfde paragraaf vermeld. De rechtbank verwerpt om deze reden ook het argument van eiser dat de voor het onderhavige jaar gevolgde handelwijze akkoord was bevonden. De toezegging heeft alleen betrekking op het jaar 2006. De rechtbank komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de correcties.

4.5.2.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast bij eiser ligt. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat in 2008 de firmanten van [B BEDRIJF] V.O.F. binnen andere samenwerkingsverbanden hebben geopereerd, namelijk [F BEDRIJF] B.V. en [E BEDRIJF] B.V. i.o. De rechtbank begrijpt dat [F BEDRIJF] B.V. een afgescheiden deel van de bedrijfsactiviteiten van [B BEDRIJF] V.O.F. wilde overnemen (te weten de distributie van de door [B BEDRIJF] V.O.F. ontwikkelde en te ontwikkelen spellen) en gebruik maakte van het kantoor van [B BEDRIJF] V.O.F. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat uit de controle is gebleken dat [B BEDRIJF] V.O.F. geen kosten heeft doorbelast aan de samenwerkingsverbanden. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat inderdaad kosten aan [B BEDRIJF] V.O.F. zijn toegerekend die eigenlijk bij de samenwerkingsverbanden thuishoren. In ieder geval had een deel van de kantoorkosten en de overige algemene, indirecte kosten moeten worden doorbelast. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de verdeling van 50/50 onredelijk is. In dit verband heeft de rechtbank meegewogen dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat [B BEDRIJF] V.O.F. met name één soort spel (in verschillende varianten) heeft ontwikkeld, namelijk het YinYang-spel, en dat uit het controlerapport kan worden afgeleid dat de ontwikkeling van dit spel in eerdere jaren plaatsvond en dat eiser en zijn medefirmant met ingang van 2006 zijn begonnen met de activiteiten van [F BEDRIJF] B.V. (i.o.).

4.5.3.

Gelet op het oordeel over de kostenverdeling en de daarvoor gegeven onderbouwing, stelt de rechtbank vast dat de banklening aan [B BEDRIJF] V.O.F. mede diende ter financiering van [F BEDRIJF] B.V. In dit verband heeft de rechtbank meegewogen dat uit het controlerapport en het verhandelde ter zitting de indruk is ontstaan dat de ondernemingen waaraan eiser deelnam onderling in financieel, organisatorisch en bedrijfseconomisch opzicht sterk waren verweven. Het is dan ook lastig om de rentekosten precies toe te delen aan de onderneming waar deze thuishoren. De door verweerder toegepaste verdeling is in dit licht niet onredelijk. Aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schatting van verweerder onredelijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de correctie te matigen.

4.5.4.

De conclusie luidt dat verweerder de correcties voor de overige kosten en de rentekosten terecht heeft aangebracht en dat deze niet onredelijk zijn. Het gelijk op dit punt is aan verweerder.

4.6.

Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal het inkomen uit werk en woning tot € 18.499 verminderen, welk inkomen tot een bedrag van € 18.499 zal worden verrekend met reeds vaststaande verliezen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in ieder geval tot dit bedrag verrekenbare verliezen uit voorgaande jaren heeft.

5 Proceskosten

De rechtbank acht geen aanleiding aanwezig voor een proceskostenveroordeling nu eiser niet heeft gesteld dat hij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 18.499 onder verrekening van een verlies uit werk en woning van € 18.499, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en
mr. G.H. de Soeten, rechters, in tegenwoordigheid van drs. A. Jones, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.