Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11549

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/4569, 13/4654
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor gebruik van een deel van het pand in strijd met de bestemming “Kantoor”.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II, van het Bor terecht zo uitgelegd dat enkel de oppervlakte waarop de gebruikswijziging ziet niet meer dan 1500 m2 mag bedragen. Ook uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat het genoemde maximale oppervlak ziet op de oppervlakten waarvan het gebruik wordt gewijzigd.

Uit de aanvraag en de daarbij gevoegde tekeningen blijkt dat ten aanzien van op eerdergenoemde tekeningen gearceerde ruimtes sprake is van gewijzigd gebruik. De oppervlakte waarop de gebruikswijziging van kantoor naar culturele doeleinden ziet overschrijdt de

1500 m² niet. Het betoog faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2013-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/4569 en 13/4654

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1 [verzoeker],te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. B. Parmentier),

2 [verzoekers],te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. R. Vos),

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: R. de Vries).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting HART, te Haarlem

(gemachtigde: mr . J.H.A. van der Grinten).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan de Stichting HART voor de activiteit handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van kantoor in culturele doeleinden, van een deel van het voorhuis op het perceel [adres].

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2013.[verzoekers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam], en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en beslecht het geschil niet ten gronde.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, omdat tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt aan de orde of het primaire besluit in bezwaar in stand kan blijven.

2. Het project ziet op de vestiging van een Centrum voor Cultuureducatie en Vrije Tijd, genaamd HART, in het voorgebouw van het voormalig Noord Hollands Archief aan de Kleine Houtweg 18 in Haarlem. HART is nu gevestigd in De Egelantier aan de Gasthuisvest. Omdat (de bouwkundige staat van) dit pand niet meer voldoet aan de eisen, wenst HART haar intrek te nemen in het, als Rijksmonument aangewezen gebouw aan de Kleine Houtweg 18, alsmede in (een deel van) het gebouw aan de Kleine Houtweg 24. Stichting HART voorziet in onderwijs op het gebied van onder andere muziek, dans en beeldende kunst.

3. Stichting HART heeft het gebouw aan de Kleine Houtweg 18 per 1 november 2013 in gebruik genomen en heeft een aanvang gemaakt met de inpandige verbouwing teneinde het gebouw zo spoedig mogelijk gereed te hebben voor lessen. Voorts is aangegeven dat mogelijk in december al een aanvang wordt genomen met de lessen in het gebouw.

De voorzieningenrechter acht hiermee het spoedeisend belang gegeven.

4. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Frederikspark” hebben de gronden waarop het gebouw is gesitueerd de bestemming “Kantoor”.
Niet in geschil is dat het gebruik van het gebouw ten behoeve van lesactiviteiten van de Stichting HART in strijd is met deze bestemming.

5. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omgevingsvergunning verleend voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

6. Verzoekers betrekken in hun gronden ook de ingebruikname van het pand Kleine Houtweg 24 door de Stichting HART. De aanvraag die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ziet uitsluitend op Kleine Houtweg 18. De ingebruikname van Kleine Houtweg 24 speelt in de onderhavige procedure dan ook geen rol. De voorzieningenrechter zal dan ook niet ingaan op gronden voor zover die zien op Kleine Houtweg 24.

7. Verzoekers voeren aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid door verweerder, nu de oppervlakte van het gebouw meer dan 1500 m² bedraagt. De omgevingsvergunning kan om deze reden geen stand houden. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun standpunt een berekening overgelegd van ir. [naam], architect, waarin wordt uitgegaan van en bruto vloeroppervlak van 1.792 m². In deze berekening is de gehele begane grond, eerste verdieping en zolder van het gebouw betrokken. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat alhoewel de zolderetage door Stichting HART niet zal worden gebruikt voor het geven van lessen, deze wel dient te worden meegenomen in de berekening nu ook deze in gebruik zal worden genomen ten behoeve van de activiteiten van Stichting HART. Zij stellen zich subsidiair op het standpunt dat voorzienbaar is dat Stichting HART de overige ruimtes (op termijn) ook zal gebruik voor lesactiviteiten.
Nu sprake is van een oppervlakte van meer dan 1500 m² had verweerder de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten volgen in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure, aldus verzoekers.

7.1

Verweerder geeft aan dat alleen de in de aanvraag aangegeven ruimtes die worden gebruikt voor de lessen, de aangrenzende trappen en de gangen - allen gesitueerd op de begane grond en de eerste verdieping - in de berekening zijn meegenomen. Ten aanzien van deze ruimtes is sprake van strijd met de bestemming “Kantoor”. De zolder en de twee zijvleugels van het gebouw zullen worden gebruikt als kantoorruimte voor administratieve en onderwijsdoeleinden en zijn niet in strijd met de bestemming. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH1871) stelt verweerder zich op het standpunt dat deze ruimtes niet hoeven te worden betrokken in de berekening van het oppervlak.



7.2 Ingevolge artikel 2.12 eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 4, aanhef en negende lid, van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. binnen de bebouwde kom, en

b. de oppervlakte niet meer dan 1500 m²;

7.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II, van het Bor terecht zo uitgelegd dat enkel de oppervlakte waarop de gebruikswijziging ziet niet meer dan 1500 m2 mag bedragen. Ook uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat het genoemde maximale oppervlak ziet op de oppervlakten waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
Uit de aanvraag en de daarbij gevoegde tekeningen blijkt dat ten aanzien van op eerdergenoemde tekeningen gearceerde ruimtes sprake is van gewijzigd gebruik. De oppervlakte waarop de gebruikswijziging van kantoor naar culturele doeleinden ziet overschrijdt de
1500 m² niet. Het betoog faalt.

8. Verweerder is derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van het Bor het gebruik in afwijking van de bestemming toe te staan. Bij zijn beslissing om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid heeft verweerder beleidsvrijheid. Reden voor de bestuursrechter om die beslissing terughoudend te toetsen. Deze toets houdt in dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om een omgevingsvergunning voor het strijdige gebruik te verlenen. Verweerder dient hierbij de betrokken belangen, waaronder die van de Stichting HART en de omwonenden, tegen elkaar af te wegen.

9. Verzoekers voeren aan dat door ingebruikname van het gebouw door Stichting HART sprake zal zijn van een wezenlijk andere verkeerssituatie. Verweerder heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Het rapport van DTV Consultants B.V. (hierna: DTV) , dat door verweerder ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, gaat uit van verkeerde premissen en is onzorgvuldig tot stand gekomen, aldus verzoekers. Zo wordt uitgegaan van verkeerde tellingen waardoor er geen goed beeld is geschetst van de situatie. Verzoekers verwachten veel overlast van verkeer en parkeren. Verweerder zal de visie waarin de Kleine Houtweg is aangemerkt als fietsstraat, moeten loslaten gelet op de zwaardere verkeersaantrekkende werking.

9.1

DTV komt in haar rapport tot de conclusie dat de verkeersintensiteit met maximaal 5% zal toenemen. Deze hoeveelheid is dusdanig beperkt dat dit geen consequenties heeft voor de verkeerafwikkeling en verkeersveiligheid in de Kleine Houtweg, aldus DTV. Met een stopverbod wordt halen en brengen niet gefaciliteerd. De parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de Zadelmakerslaan en Baan waar voldoende restcapaciteit is, alsmede in de parkeergarage in de Wagenmakerslaan. De overlast door extra parkeerders zal in de Kleine Houtweg en omliggende straten daarom beperkt zijn. De geprognosticeerde fietsparkeerbehoefte aan de Kleine Houtweg 18 bedraagt 76 fietsparkeerplekken. Er worden er 150 gerealiseerd, dus deze behoefte wordt ruimschoots gefaciliteerd.

9.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op een onderbouwd deskundigenadvies. DTV is in het advies uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op de verwachte toekomstige verkeerssituatie. Nu verzoekers tegenover het advies van DTV uitsluitend hun eigen opvattingen hebben geplaatst en geen tegenadvies van een deskundige hebben overgelegd ter bestrijding van dit advies en vooralsnog niet is gebleken dat dit advies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven, mocht verweerder daarop afgaan.

10. Verzoekers voeren aan dat sprake zal zijn van een verzwaring van de parkeerdruk. Het advies van de Afdeling SZ/OGV/beleid verkeer van 25 juni 2013 waarin wordt geconcludeerd dat naar verwachting geen parkeerproblemen in de omgeving zullen ontstaan, is onzorgvuldig tot stand gekomen en kan niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit, aldus verzoekers.
Zij voeren aan dat in het advies ten onechte wordt uitgegaan van een situatie op de Kleine Houtweg van parkeren voor vergunninghouders. Het is echter een gebied waar betaald parkeren geldt en sprake is van een openbare voorziening. Voor omwonenden is er dan ook geen mogelijkheid om – met voorrang – van deze parkeerplaatsen gebruik te maken.

10.1

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, voor zover thans van belang, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Daarbij moet voldaan worden aan de parkeernormen zoals die in de bijlage “Tabel Parkeernormen” zijn aangegeven.

Ingevolge het vierde lid, onder a, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

10.2

Verweerder heeft op voet van artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening ontheffing verleend omdat op andere wijze wordt voorzien in de nodige parkeerruimte, zowel op straat als in nabijgelegen parkeergarages.

10.3

De voorzieningenrechter acht dit standpunt niet onredelijk. Het feit dat in het Advies van SZ/OGV/beleid verkeer is uitgegaan van een onjuist parkeerregime op de Kleine Houtweg doet aan het bestaan van voornoemde parkeervoorzieningen niet af.

11. Verzoekers voeren voorts aan dat het beoogde gewijzigde gebruik zal leiden tot aantasting van de monumentale waarde van het als rijksmonument aangewezen pand Kleine Houtweg 18. Zij wijzen op de maatregelen die getroffen moeten worden voor geluidsisolatie, welke – aldus verzoekers – van ingrijpende aard zijn. Ook zal de stalling van fietsen in de monumentale tuin het monumentale aangezicht van de tuin ernstig verstoren, aldus verzoekers. Nader onderzoek door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is dan ook noodzakelijk.
Gelet op de onlosmakelijke samenhang had verweerder Stichting HART in de gelegenheid moeten stellen tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo aan te vragen, aldus verzoekers.

11.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verstoring van de monumentale waarde van het pand. Hij baseert zich daarbij op een advies van 5 november 2013 van [naam], gemeentelijk architectuurhistoricus. Hierin wordt aangegeven dat de benodigde geluidswerende voorzieningen worden aangebracht in kamers die geen monumentale interieurafwerking kennen en bovendien geheel reversibel zijn.

11.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag verweerder zich baseren op eerdergenoemd advies van Taverne. Niet aannemelijk is dat de monumentale waarde van het pand wordt aangetast. De tuin is als zodanig geen onderdeel van de beschrijving van het monument zodat de grond, voorzover hierop gericht, om deze reden geen doel treft.

12. Verzoekers voeren aan dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid geen onderzoek heeft gedaan naar de zich in en op het dak van het voorhuis bevindende vleermuizen. Zij hebben ter onderbouwing van hun stelling dat ter plaatse vleermuizen verblijven een filmpje aan de processtukken toegevoegd waarop vleermuizen te zien zijn bij het dak van het gebouw Kleine Houtweg 18. Verzoekers verwijzen voorts naar een e-mail van ing. [naam] van adviesburo E.C.O. Logisch waarin deze ten aanzien van eerdergenoemde filmbeelden aangeeft dat aangenomen kan worden dat sprake is van een verblijfplaats van vleermuizen in het gebouw. Verzoekers stellen dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunwet noodzakelijk is en dat de afwezigheid hiervan in de weg staat aan verlening van de bestreden vergunning.

12.1

Verweerder en Stichting HART stellen zich op het standpunt dat de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet in geding is, nu de staatssecretaris van Economische Zaken bij besluit van 15 november 2013 het verzoek om handhaving van de Flora- en Faunawet van verzoekers heeft afgewezen. De staatssecretaris heeft de kans op verstoring van eventueel aanwezige vleermuizen nihil geacht.

12.2

Nu de staatssecretaris vooralsnog van oordeel is dat geen sprake is van overtreding van de Flora- en Faunawet, is er geen grond voor het oordeel dat de aanwezigheid van vleermuizen aanleiding had dienen te zijn voor verweerder om de omgevingsvergunning te weigeren. Dat verzoekers inmiddels bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris leidt thans niet tot een ander oordeel.

13. Voor het overige is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de belangen van partijen afwegende, in redelijkheid de bestreden omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Horeca-activiteiten die Stichting HART ten uitvoer wenst te brengen in het pand zijn geen onderdeel van de aanvraag en derhalve ook niet vergund in de bestreden omgevingsvergunning. Vrees voor mogelijke overlast hiervan kan dan ook niet worden betrokken in de belangafweging bij het nemen van het onderhavige besluit. De gevreesde overlast van geluid is door verzoekers niet nader onderbouwd en geeft dan ook geen aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen.

14. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat het primaire besluit in bezwaar niet in stand kan blijven. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.