Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11537

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/417
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het alternerend ophalen van gft- en restafval een wijze is waarop een gemeente feitelijk kan voldoen aan haar inzamelplicht op grond van Wmb. De gemeente geeft hieraan feitelijke uitvoering geeft, zodat zij feitelijk aan haar inzamelplicht heeft voldaan. Het niet volgen van de inspraakprocedure op grond van de Afvalstoffenverordening brengt niet mee dat de Verordening afvalstoffenheffing onverbindend is. Afvalstoffenheffing alleen voor grijze rolemmers en niet ook voor groene rolemmers is niet willekeurig of onredelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2735
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3222
Belastingblad 2014/49
FutD 2013-3001
JAF 2013/401 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/417

Uitspraakdatum: 28 november 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 op één aanslagbiljet verenigd onder meer een aanslag afvalstoffenheffing, een aanslag rioolheffing en een aanslag hondenbelasting opgelegd.

1.2.

Eiser heeft tegen de aanslag afvalstoffenheffing en de aanslag rioolheffing bezwaar gemaakt. Verweerder heeft deze aanslagen bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2012 gehandhaafd.

1.3.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Eiser heeft in zijn beroep tevens klachten aangevoerd tegen de aanslag hondenbelasting. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld van [A], [B], [C] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen A. Bruijn, M. van der Perk en E.H.J. van der Meer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser heeft op 28 februari 2012 met dagtekening 29 februari 2012 een aanslagbiljet gemeentelijke belastingen 2012 ontvangen. Hierop is onder meer vermeld “Totaalbedrag aanslagbiljet € [BEDRAG]”. Voor een specificatie van de belastingsoort, de belastingomschrijving/het objectadres, het tijdstip/tijdvak, de economische waarde/grondslag en het bedrag wordt verwezen naar een apart toe te zenden specificatienota. Bij het aanslagbiljet is een toelichting gevoegd waarop onder meer de betaalwijze en de mogelijkheid van bezwaar zijn vermeld. Eiser heeft op 29 februari 2012 een specificatie aanslag-/beschikkingsbiljet gemeentelijke belastingen 2012 ontvangen. Op deze specificatie is onder meer het volgende vermeld:

“ belasting (…)omschrijving/ tijdvak/ (…) bedrag

soort object adres tijdstip grondslag

AFV Afvalstoffenheffing (…) (…) (…) 269,00

AFV Afvalstoffenheffing (…) (…) (…) 269,00

OZBEW Onroerendezaakbelasting (…) (…) (…) [BEDRAG]

RIOEW Rioolheffing eigenaar (…) (…) (…) 230,00

WOZB Beschikking (…) (…) (…)

RIOGW Rioolheffing gebruiker (…) (…) (…) 107,00

HOND Hondenbelasting (…) (…) 87,00 ”

2.2.

Eiser heeft twee zogenoemde grijze rolemmers van 240 liter, bestemd voor de afvoer van huishoudelijk restafval. Eiser heeft geen groene rolemmer (bestemd voor de afvoer van huishoudelijk groente-, fruit- en tuinafval (gft-afval)). De gemeente Bloemendaal zamelt huishoudelijk afval in door (onder meer) de ene week gft-afval in te zamelen (de groene rolemmers) en de andere week restafval (de grijze rolemmers).

2.3.

In artikel 5 van de Afvalstoffenverordening Bloemendaal 2012 (hierna: Afvalstoffenverordening) is, voor zover hier van belang, bepaald:

“Artikel 5 Frequentie van inzamelen

1. Huishoudelijk restafval wordt ten minste een maal per twee weken bij elk perceel ingezameld.

(…)

5. Groente-, fruit- en tuinafval wordt ten minste eenmaal twee weken afzonderlijk bij elk perceel ingezameld.”

2.4.

De Verordening afvalstoffenheffing Bloemendaal 2012 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente Bloemendaal feitelijk gebruik maakt van een perceel waarvoor ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)

Artikel 3 Maatstaf van heffing en tarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.”

In de bij deze verordening behorende tarieventabel is opgenomen:

Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing

1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

1. indien dat perceel gebruik maakt van een inzamelvoorziening ten behoeve van meerdere huishoudens (een zgn. verzamelcontainer) € 200,60

1. indien op het perceel gebruik wordt gemaakt van één 140 liter restafvalcontainer, € 200,60

1. Indien op het perceel gebruik wordt gemaakt van één 240 liter restafvalcontainer, € 269,46

1. Onverminderd het onder 1.2 en 1.3 bepaalde bedraagt de belasting van elke volgende restafvalcontainer boven het aantal van één,

1.4.1

per 140-liter restafvalcontainer € 200,60

1.4.2

per 240-liter restafvalcontainer € 269,46”

2.5.

In de gemeentelijke begroting 2012 van de gemeente Bloemendaal zoals die ten tijde van het vaststellen van de tarieven voor de rioolheffing en afvalstoffenheffing luidde, is het volgende overzicht opgenomen op pagina 89:

Lasten 2012

Baten 2012

Saldo 2012

Rioolexploitatie

Externe budgetten

Doorberekening interne kosten

Kapitaallasten

Onttrekking reserve

Opbrengst rioolrechten

Toevoeging aan reserve

711.563

404.175

862.391

218.820

17.471

350.872

2.058.845

Totaal

2.196.949

2.427.188

230.239

Lasten 2012

Baten 2012

Saldo 2012

Reinigingsexpploitatie

Externe budgetten

Doorberekening interne kosten

Kapitaallasten

Opbrengst afvalstoffenheffing

Onttrekking aan voorziening

Toevoeging aan voorziening

1.431.301

530.699

13.194

0

125.000

2.148.547

118.238

Totaal

1.975.194

2.391.785

416.591

In de begroting is bij programmanummer 10 onder meer vermeld:

Aanleiding/toelichting

Het college wil een adequaat serviceniveau bieden bij de afvalinzameling, de afvalscheiding bevorderen en streven naar kwaliteitsverbetering. Een betere toegankelijkheid, het ondergronds brengen van brengparken en het optimaliseren van het aantal geeft invulling aan deze wens.

Probleem-en doelstelling

Om de laatste brengparkjes op te knappen en ondergronds te brengen is € 150.000 benodigd.

Oplossing en voorstel

€ 150.000 ter beschikking stellen in 2012. De stand van de egalisatievoorziening is voldoende om deze kosten in één keer ten laste te brengen van de voorziening.

Effecten

De kwaliteit van de openbare ruimte en het voorzieningenniveau wordt verbeterd. (…)”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de afvalstoffenheffing en rioolheffing zijn gebaseerd op (deels) onverbindende verordeningen en of verweerder voldoet aan zijn inzamelplicht voor huishoudelijk afval. Voorts is in geschil of eiser in beroep kan opkomen tegen de aanslag hondenbelasting en zo ja, of de verordening hondenbelasting van de gemeente Bloemendaal 2012 onverbindend is.

4 Beoordeling van het geschil

Hondenbelasting

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van eiser niet was gericht tegen de hondenbelasting. De uitspraak op bezwaar ziet daarop ook niet. Pas in een nadere motivering van het beroep komt eiser op tegen de hondenbelasting waarbij hij verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2013, nr. 12/00228, ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9350. In geschil is ten eerste of het beroep betreffende de hondenbelasting ontvankelijk is. Eiser heeft gesteld dat sprake is van één aanslag die uit meerdere elementen bestaat, zodat hij in beroep alsnog gronden kan aanvoeren tegen de hondenbelasting, ook al zijn die niet aangevoerd in bezwaar.

Gelijk verweerder heeft gesteld is in het onderhavige geval sprake van meerdere aanslagen verenigd op één aanslagbiljet overeenkomstig artikel 239 van de Gemeentewet. Dat het hier gaat om verschillende aanslagen, opgenomen op één aanslagbiljet, volgt ook duidelijk uit de specificatie van het aanslagbiljet, aangezien de verschillende heffingen en de ter zake verschuldigde bedragen daarop afzonderlijk zijn vermeld. Dat op het aanslagbiljet “Totaalbedrag aanslagbiljet € [BEDRAG]” is vermeld, maakt nog niet dat sprake is van één aanslag. Ook is daaruit juist af te leiden dat het om het totaalbedrag van het biljet gaat. Dat in de toelichting op het aanslagbiljet een aantal keren in enkelvoud aanslag(bedrag) is vermeld, leidt ook niet tot de conclusie dat sprake zou zijn van één aanslag, reeds aangezien die aanduiding niet uitsluit dat op het biljet meerdere aanslagen zijn opgenomen. Nu eiser niet in bezwaar is gekomen tegen de hondenbelasting, is het beroep betreffende de hondenbelasting niet-ontvankelijk.

Afvalstoffenheffing, inzameling huishoudelijk afval

4.2.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder geen afvalstoffenheffing mag heffen, aangezien de gemeente Bloemendaal niet wekelijks het huishoudelijk afval ophaalt en voorts niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 10.26, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb), omdat geen inspraakprocedure is gevolgd door de gemeente bij invoering van artikel 5 van de Afvalstoffenverordening. Het tweewekelijks ophalen van het huishoudelijke restafval door de gemeente berust daarom op de onverbindende bepaling van artikel 5 van de Afvalstoffenverordening, zo vervolgt eiser.

4.3.

De hier relevante bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt. Artikel 15.33 van de Wmb:

“1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)

3. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

(…)”

Artikel 10.21 van de Wmb:

“1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.
3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.”

Artikel 10.26 van de Wmb:

“1. De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat:

a. (…);

b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;

(…).

2. De gemeenteraad betrekt bij de voorbereiding van een zodanig besluit de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.”

4.4.

Vast staat dat ten aanzien van het perceel van eiser een inzamelplicht voor de gemeente Bloemendaal geldt voor huishoudelijke afvalstoffen krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb. Dat betekent dat het belastbare feit van artikel 2 van de Verordening afvalstoffenheffing zich heeft voorgedaan. Dat eiser feitelijk geen gft-afval (of andere soorten huishoudelijk afval afgezien van restafval) aanbiedt, doet daaraan niet af en is geen belemmering voor de heffing van afvalstoffenheffing van eiser (vgl. HR 9 november 1988, nr. 25.685, ECLI:NL:HR:1988:ZC3934, BNB 1989/101 en HR 8 maart 2002, nr. 36.716, ECLI:NL:HR:2002:AD9897, BB 2002/497).

Indien echter zou komen vast te staan dat de gemeente haar inzamelplicht (ten aanzien van bepaalde percelen) feitelijk niet nakomt, kan dat wel in de weg staan aan de heffing van afvalstoffenheffing (vgl. HR 2 januari 1985, nr. 22.664, ECLI:NL:HR:1985:AW8380, BNB 1985/102, onder 5.1). Op de vraag of dit het geval is zal de rechtbank hieronder ingaan.

4.5.

De gemeente Bloemendaal geeft feitelijk invulling aan haar inzamelplicht ingevolge de Wmb door wekelijks huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, met dien verstande dat de ene week gft-afval wordt ingezameld, en de andere week restafval. Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 10.26 van de Wmb is de mogelijkheid voor gemeentes om af te wijken van de wekelijkse inzamelplicht van artikel 10.21 van de Wmb mede in het leven geroepen om de (ook door de gemeente Bloemendaal gehanteerde) alternerende ophaaldienst mogelijk te maken:

“In bijgaande nota van wijzigingen is in artikel 10.9 (7.9) nog een wijziging aangebracht. In de praktijk bleek de koppeling tussen het «éénmaal per week inzamelen» en «een gedeelte van het grondgebied» niet zelden bezwaren met zich te brengen. Met name waar een systeem van alternerend inzamelen (het om de week inzamelen van bijvoorbeeld groente–, fruit– en tuinafval respectievelijk het overige huishoudelijke afval) in de gehele gemeente als het meest juiste wordt ervaren, staat deze koppeling invoering daarvan in de weg. Om deze en andere ontwikkelingen niet te frustreren is in onderhavig artikel de mogelijkheid geopend voor een gemeente om voor het hele gebied van die gemeente een andere inzamelfrequentie dan eenmaal per week te introduceren. Verwezen zij verder naar de nota van wijzigingen, alsmede naar de toelichting daarop.”

(Kamerstukken II 1991/92, 21 246, nr. 5, p. 82)

En:

“11. Onverlet het bepaalde in artikel 10.9, eerste lid, waarin is bepaald dat elke gemeente zorg draagt voor het ten minste eenmaal per week inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, biedt het nieuwe tweede lid de mogelijkheid aan gemeentebesturen om bij gemeentelijke verordening af te wijken van die wekelijkse inzamelplicht. Dit doet de vraag rijzen van de (nieuwe) status van het gehandhaafde eerste lid. In eerste instantie wil ik opmerken dat de motieven voor het opnemen van het eerste lid, zoals aangegeven op pagina 51 van de memorie van toelichting nog steeds als uitgangspunt voor de beleidsvorming worden beschouwd. Onderkend moet echter worden dat de (beleidsmatige) ontwikkelingen op het terrein van de afvalverwijdering steeds meer noodzaken tot een meer specifieke, op iedere afzonderlijke situatie toegesneden opzet van de verwijdering. In dit geval noem ik in ieder geval de ontwikkelingen ten aanzien van de gescheiden inzameling van groente–, fruit– en tuinafval (gft-afval), waardoor de noodzaak zich opdringt van een gedifferentieerde benadering per soort bebouwing en per soort afvalstof, alsmede de wenselijkheid van het decentraliseren van bevoegdheden. Dit leidt tot de constatering dat het bepaalde in artikel 10.9, eerste lid, vooral moet worden gezien als richtwaarde of streefnorm, waarvan het gemeentebestuur bij gemeentelijke verordening in nader te beschrijven situaties kan afwijken.

In het tweede lid is thans vervallen de beperking dat de afwijking van de wekelijkse inzamelplicht slechts kon gelden voor een deel van het grondgebied van de gemeente. Door deze beperking was het niet goed mogelijk om voor het gehele grondgebied van de gemeente een systeem van alternerend (om de twee weken) inzamelen van gft-afval en restfractie in te voeren. Voor het aangeven van de noodzaak om te komen tot een gedifferentieerde benadering van de inzamelfrequentie (bij voorbeeld aard bebouwing) verwijs ik kortheidshalve naar de toelichting bij de wijziging van artikel 10.10. Het zal duidelijk zijn dat met de voorgestelde opzet een andere invulling wordt gegeven aan artikel 10.9 dan tot nu toe het geval is. In de huidige opzet wordt het afwijken van de wekelijkse inzamelplicht immers als een uitzondering geschetst, terwijl dit in de nieuwe opzet als een toegelaten, reguliere variant wordt beschouwd, Overigens blijft in dit verband gelden dat de gemeenteraad bij verordening regels omtrent inspraak moet vaststellen en dat de inspecteur van een desbetreffend voornemen op de hoogte moet worden gesteld.”

(Kamerstukken II 1991/92, 21 246, nr. 6, p. 27-28)

4.6.

Uit de bepalingen van de artikelen 10.21 en 10.26 van de Wmb en de bijbehorende wetsgeschiedenis kan derhalve worden afgeleid dat het alternerend ophalen van gft- en restafval juist een wijze is waarop een gemeente feitelijk kan voldoen aan haar inzamelplicht. Niet in geschil is dat de gemeente Bloemendaal hieraan uitvoering geeft, zodat zij feitelijk aan haar inzamelplicht heeft voldaan. Bij het voorgaande is, anders dan eiser veronderstelt, niet van belang of de inspraakprocedure bij de totstandkoming van artikel 5 van de Afvalstoffenverordening al dan niet (juist) is gevolgd. Een dergelijke omstandigheid brengt niet mee dat de Verordening afvalstoffenheffing onverbindend is en raakt derhalve de verschuldigdheid van de belasting niet. Dat de inspraakprocedure niet of niet juist zou zijn gevolgd, is de rechtbank overigens ook niet gebleken, gelet op de afwijzing van 29 februari 2012 van de Staatssecretaris voor Infrastructuur en Milieu van het verzoek van eiser om artikel 5 van de Afvalstoffenverordening voor vernietiging door de Kroon voor te dragen en de in dat schrijven genoemde (onbetwiste) feiten betreffende de gang van zaken bij de inspraakprocedure.

Afvalstoffenheffing, onredelijke en willekeurige heffing?

4.7.

Eiser klaagt erover dat de afvalstoffenheffing alleen plaatsvindt ter zake van grijze rolemmers en dat niet tevens wordt geheven ter zake van groene rolemmers of andere vuildiensten. Hierdoor is de heffing niet evenredig afgestemd op het gebruik van de door de gemeente verstrekte diensten volgens eiser.

Gemeenten hebben een grote vrijheid om zelf invulling te geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat de gemeentelijke belastingheffing niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen (artikel 219 Gemeentewet). Die vrijheid wordt wel ingeperkt waar de heffing tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt, waarop de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid tot de desbetreffende heffing niet het oog kan hebben gehad. De onderhavige heffingsmaatstaf is afhankelijk van het aantal grijze rolemmers en sluit daarmee aan bij de aard van de heffing. Voorts leidt de heffingsmaatstaf noch per rolemmer noch in totaal tot een onredelijk hoog bedrag aan afvalstoffenheffing. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffing dan ook verre van willekeurig of onredelijk te noemen. De keuze om al dan niet een verfijnder methode van kostentoerekening te hanteren door bijvoorbeeld zowel ter zake van groene als grijze rolemmers te heffen, kan mede afhankelijk zijn van beleidsmatige keuzes en is aan de gemeentelijke wetgever.

Dat eiser zelf geen diensten afneemt van de gemeente met betrekking tot gft-afval of ander afval dan restafval, is bij de vorenstaande beoordeling niet van belang. De afvalstoffenheffing is, anders dan eiser heeft gesteld, een belasting, waarbij (anders dan bij bijvoorbeeld reinigingsrechten) geen relatie tussen de individuele dienstverlening door de gemeente en de heffing bestaat.

Kostendekkendheid afvalstoffenheffing en rioolheffing

4.8.1.

Ingevolge artikel 15.33, eerste lid, van de Wmb kan de gemeente afvalstoffenheffing heffen ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Ingevolge artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeente rioolheffing heffen ter bestrijding van onder meer de kosten die voor haar verbonden zijn aan de inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater, de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan. Eiser stelt dat de afvalstoffenheffing en rioolheffing meer dan kostendekkend zijn. Verweerder heeft gelet hierop een overzicht verschaft van de ter zake van de afvalexploitatie 2012 en rioolexploitatie 2012 geraamde baten en lasten (bijlagen 1 en 5 bij het aanvullende verweerschrift, hierna: de Raming rioolexploitatie en de Raming afvalexploitatie, tezamen de Ramingen) alsmede de relevante passages uit de gemeentelijke begroting voor het jaar 2012.

4.8.2.

In de Raming afvalexploitatie komt een tussentelling van de lasten uit op een bedrag van € 1.975.194 (dit bedrag is terug te vinden op pagina 89 van de begroting), waarbij nog de volgende bedragen zijn opgeteld:

Lasten € 1.975.194

BTW (extracomptabel) € 292.591

Brengparkjes ondergronds aanleggen € 150.000

BTW brengparkjes € 28.500

Kwijtschelding € 44.891

Totale lasten € 2.491.176

De totale baten zijn in de Raming afvalexploitatie geraamd op € 2.273.547.

4.8.3.

In de Raming rioolexploitatie komt een tussentelling van de lasten uit op een bedrag van € 2.196.949 (dit bedrag is terug te vinden op pagina 89 van de begroting). Hieruit is de reservering egalisatiereserve van € 218.820 geëlimineerd en is een bedrag aan BTW (extracomptabel) van € 120.239 en een bedrag aan kwijtschelding van € 2.715 opgeteld. De totale geraamde lasten komen uit op € 2.101.083. De baten zijn in de Raming rioolexploitatie geraamd op € 2.076.316.

4.9.

Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder onvoldoende inzicht heeft verschaft in de geraamde baten en lasten ter zake, faalt die stelling. Dat inzicht kan immers worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder ook gegevens die niet bekendgemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening. Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat het wel moet gaan om gegevens die zijn terug te voeren op baten en lasten die in de gemeentebegroting zijn opgenomen (zie HR 6 januari 2012, nr. 10/03676, ECLI:NL:HR:2012:BR0676, BB 2012/96). De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals verweerder heeft verklaard, de gemeentelijke begroting voor 2012 tot uitgangspunt heeft gediend bij de raming voor het vaststellen van de onderhavige tarieven en dat deze gegevens zijn opgenomen in de Ramingen.

Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, is het in de begroting opgenomen overzicht op pagina 89 niet bepalend voor de vraag of de heffingen meer dan kostendekkend zijn, aangezien dat overzicht is opgesteld ten behoeve van de (voorlopige) begroting en niet specifiek ten behoeve van de vaststelling van de tarieven voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Daartoe dienen de gegevens zoals opgenomen in de Ramingen. De daarin vermelde gegevens zijn te herleiden tot de begroting. Ook de stukken met betrekking tot de rioolheffing die aan eiser zijn verstrekt bij brief van 22 mei 2012 kunnen niet dienen ter beoordeling van de vraag of de baten de lasten al dan niet overschrijden, aangezien verweerder onweersproken heeft verklaard dat die (concept) stukken niet hebben gediend als basis voor de raming van lasten en baten. Voor zover eiser zich op deze stukken beroept (bijvoorbeeld bij zijn stelling dat de BTW ter zake van investeringen in één keer in het jaar van investeren in de lastenraming is opgenomen) gaat de rechtbank daaraan dan ook voorbij.

Voor zover eiser stelt dat uit de Ramingen zelf al volgt dat de geraamde baten de geraamde lasten overschrijden, kan de rechtbank dat niet volgen, gelet op hetgeen in 4.8.2 en 4.8.3 is vastgesteld.

4.10.

Bij de beoordeling van de vraag of de baten de lasten overschrijden stelt de rechtbank voorts het volgende voorop. Verweerder heeft in zijn nadere stuk van 3 oktober 2013 en ter zitting het standpunt ingenomen dat de geraamde lasten feitelijk nog hoger waren dan opgenomen in de Ramingen, omdat daarbij nog bedragen aan extra BTW zouden moeten worden opgeteld van in totaal € 29.924 voor de afvalstoffenexploitatie en € 77.698 voor de rioolexploitatie. Voor deze extra BTW-bedragen was volgens verweerder bij het opstellen van de Ramingen niet duidelijk waarop deze betrekking hadden. Om die reden zijn de bedragen niet in de Ramingen opgenomen en is in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat de extra BTW-bedragen niet tot de lasten dienden te worden gerekend. Bij nadere bestudering is volgens verweerder evenwel naar voren gekomen dat bij een aantal kostenposten abusievelijk geen of te weinig BTW in de Ramingen is opgenomen, terwijl deze BTW wel volgens wettelijke bepalingen verhaalbaar is. Verweerder is er met de gegeven toelichting naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende in geslaagd de twijfel over de extra bedragen aan BTW weg te nemen. De rechtbank zal met deze bedragen bij de beoordeling of de baten de lasten overstijgen dan ook geen rekening houden en daarbij de gegevens zoals vermeld in de Ramingen tot uitgangspunt nemen.

4.11.1.

Eiser heeft van aantal posten opgenomen in de Ramingen betwist dat dit kosten ter zake zijn. De rechtbank zal die hierna afzonderlijk bespreken. Daarbij zij vooropgesteld dat voor zover eiser heeft gesteld dat bepaalde kosten niet mogen worden opgenomen in de lastenraming bij de afvalstoffenexploitatie omdat hij bepaalde afvalstoffen zelf niet aanbiedt bij de gemeente en hem ter zake nooit een dienst verleend is, die stelling faalt. Dit aangezien het handelen van eiser en de aan hem zelf verleende diensten door de gemeente voor de beoordeling van de vraag of de geraamde baten de geraamde lasten overstijgen van geen enkel belang zijn.

4.11.2.

Eiser heeft aangevoerd dat de BTW feitelijk niet drukt op de afvalexploitatie en de rioolexploitatie, aangezien de aan de gemeente in rekening gebrachte BTW volledig wordt vergoed uit het BTW-compensatiefonds. De BTW moet daarom uit de raming worden geëlimineerd volgens eiser. De rechtbank kan eiser niet volgen in deze stelling. In artikel 15.33, derde lid, van de Wmb (voor de afvalstoffenheffing) en artikel 228a, derde lid, van de Gemeentewet (voor de rioolheffing) is immers bepaald dat onder de kosten ter zake mede wordt verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds. Gelet op deze bepalingen heeft verweerder de BTW terecht in de geraamde lasten opgenomen en de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds niet.

Voorts heeft eiser gesteld dat in de ramingen mogelijk 19% BTW is berekend ter zake van goederen of diensten waarvoor geen BTW verschuldigd is, zoals kapitaallasten (rente), straatreiniging en contributies. Verweerder heeft de geraamde BTW in de Ramingen per post gespecificeerd en hij heeft voorts toegelicht dat geen BTW is toegerekend aan de kapitaallasten voor zover deze rente betreffen, en dat in de kostenposten voor straatreiniging geen kosten voor inzet van eigen personeel zijn opgenomen aangezien die werkzaamheden zijn uitbesteed (materiaal en personeel). Voor de rioolheffing is een contributie aan Rioned geraamd. Daarover wordt geen BTW in rekening gebracht, zodat ter zake hiervan ook geen BTW is berekend. Voor de afvalstoffenheffing is een contributie aan de Koninklijke vereniging voor afval en reinigingsmanagement geraamd. Over die contributie wordt wel BTW in rekening gebracht en daarom is de BTW ook bij de lasten van de afvalstoffenheffing geraamd, zo vervolgt verweerder. Met de Ramingen en deze toelichting heeft verweerder de in de Ramingen opgenomen BTW naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en de rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de in de Ramingen opgenomen BTW.

4.11.3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de post kwijtschelding belastingen tot de algemene middelen behoort en niet in de geraamde lasten thuis hoort. Indien al juist is dat deze post niet opgevoerd zou mogen worden aan de lastenzijde, dan zou zij in aanmerking genomen mogen worden aan de batenzijde, bij de raming van de netto-opbrengst van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing, die daardoor zou dalen met hetzelfde bedrag als waarmee de lasten dalen, zodat het saldo van de geraamde baten en geraamde lasten geen wijziging zou ondergaan (vgl. HR 2 december 2005, nr. 39.273, ECLI:NL:HR:2005:AU7345, BNB 2006/68). Dit standpunt faalt daarom.

4.11.4.

De rechtbank begrijpt dat eiser voorts stelt dat de in de Raming afvalexploitatie opgenomen kosten ter zake van autobanden, bouw- en sloopafval, asbesthoudend materiaal, schone grond, bitumen houdend afval, etc. daaruit moeten worden geëlimineerd. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat de in de Ramingen afvalexploitatie opgenomen kosten ook in zoverre betrekking hebben op inzameling (en het verdere beheer) van huishoudelijke afvalstoffen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten derhalve terecht opgenomen in de Raming afvalexploitatie.

Het voorgaande heeft evenzeer te gelden voor de in de Raming afvalexploitatie opgenomen kostenpost subsidieregeling oud papier waarvan eiser heeft gesteld dat deze kosten bij de algemene middelen thuis horen.

4.11.5.

Ter zake van de Raming afvalexploitatie heeft eiser aangevoerd dat de kosten van het schoonhouden van wegen hierin niet mogen worden opgenomen, omdat die kosten in de algemene kosten thuis horen en niet bij de doelheffing. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij wel veel bladeren, maar eigenlijk nooit huisvuil op straat ziet liggen. Verweerder heeft toegelicht dat deze kosten betrekking hebben op kosten van reiniging van huishoudelijk afval in de openbare ruimte en dat van de totale kosten van straatreiniging 23% is toegerekend aan de afvalexploitatie. Ter zitting heeft verweerder voorts onbestreden verklaard dat de gemiddelde norm voor toerekening van de straatreinigingskosten aan de afvalexploitatie 40% bedraagt en dat in de gemeente Bloemendaal daaraan maar 23% wordt toegerekend gelet op de relatief grote hoeveelheid openbaar groen in de gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat een deel van het vuil in de openbare ruimtes afkomstig is van particuliere huishoudens en heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd voldoende inzichtelijk gemaakt dat een deel van 23% van de totale kosten van straatreiniging kan worden toegerekend aan de afvalexploitatie.

4.11.6.

Eiser heeft tot slot ten aanzien van de Raming afvalexploitatie aangevoerd dat de investering in de brengparkjes ten onrechte niet is geactiveerd, maar in één keer in de lasten voor 2012 is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling eiser niet baten, aangezien ook in het geval deze investering (€ 178.500 inclusief BTW) in 2012 geheel geactiveerd zou zijn, de baten de lasten niet overschrijden. De lasten zouden dan immers € 2.312.676 (= € 2.491.176 - € 178.500) hebben bedragen en die overstijgen dan nog steeds de baten van € 2.273.547.

4.12.

Gelet op het voorgaande kan noch voor de rioolheffing noch voor de afvalstoffenheffing worden gezegd dat de geraamde baten de geraamde lasten overschrijden.

Slotsom

4.13.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep voor zover dat ziet op de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing ongegrond is en dat het beroep voor zover dat ziet op de aanslag hondenbelasting, niet-ontvankelijk is.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover betrekking hebbend op de aanslag hondenbelasting niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en mr. M.C. van As, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.