Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11526

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/3459
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser zou te veel bovenwettelijke uitkering hebben ontvangen. Hij betwist het terugvorderingsbedrag. Niet uit de stukken is op te maken dat een in maart 2013 nabetaalde buitenwettelijke uitkering op de vordering in mindering is gebracht. Verweerder stelt dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel aan buitenwettelijke uitkering heeft ontvangen. Eiser heeft echter al in 2009 contact opgenomen met verweerder en daarna nog twee keer. Hem werd toen niet verteld dat er iets niet klopte. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECTIFICATIE

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/3459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. F.J. Sol),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: drs. J.H.M. van der Hulst).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat in het kader van een onderzoek naar de uitvoering van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling (BW) is gebleken dat aan eiser te veel uitkering is verstrekt. Verweerder vordert om die reden een bedrag van € 15.001,79 bruto van eiser terug.

Bij besluit van 18 juni 2013, verzonden 20 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1.

Eiser was werkzaam in het basisonderwijs. Met ingang van 29 mei 2008 is eiser werkloos geworden uit zijn dienstbetrekking bij de Stichting [naam 1]. Bij besluit van 15 oktober 2009 is aan eiser met ingang van die datum een BW-uitkering toegekend op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bbwo). Deze uitkering was gebaseerd op een urenomvang van 27,31. In dat besluit stond ook dat eiser recht had op een aanvullende uitkering gedurende de periode dat hij tevens recht had op een WW-uitkering. Daarna zou eiser recht hebben op een aansluitende uitkering over de periode vanaf 12 augustus 2011 tot en met 30 juni 2016. Eiser is vervolgens per 29 mei 2008 gaan werken bij de Stichting [naam 2]. Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan eiser een WW-uitkering toegekend met een omvang van 29,30 uur. Deze uitkering liep van 3 augustus 2009 tot en met 2 oktober 2012. Eisers recht op een aanvullende BW-uitkering liep tot 2 oktober 2012. Daarna had eiser tot 31 december 2012 recht op een aansluitende BW-uitkering.

2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf augustus 2011 te veel BW-uitkering heeft ontvangen. Eiser ontving immers zowel een WW-uitkering met een uitkeringspercentage van 70% als een BW-uitkering met een uitkeringspercentage van 70%. Eiser ontving dus 140% uitkering. Dit bedrag was hoger dan het salaris dat eiser ontving toen hij nog werkte. Hierdoor heeft eiser € 15.001,79 te veel uitkering ontvangen. Verweerder heeft de terugvorderingsperiode beperkt tot het jaar 2012. Volgens verweerder kon het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij te veel uitkering ontving. Hij is dan ook gerechtigd voormeld bedrag, dat onverschuldigd is betaald, van eiser terug te vorderen. De omstandigheid dat ook aan de kant van verwerder fouten zijn gemaakt, maakt dit niet anders. De voor januari 2012 onterecht ontvangen betalingen zijn niet teruggevorderd.

3.

Eiser betwist de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Hij wijst erop dat hij in de periode van januari tot en met december 2012 slechts een bedrag van € 9.914,95 van verweerder heeft ontvangen. Onduidelijk is dan ook op welke periode verweerder de terugvordering baseert. Voorts stelt eiser dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Eisers laatstverdiende salaris was € 1900,-- netto per maand. Aan WW ontving eiser maandelijk € 1.319,60 netto en daarnaast een bovenwettelijke uitkering van € 782,41 netto per maand. De bedragen werden op verschillende tijdstippen overgemaakt en het verschil was minimaal. Ook stelt eiser dat verweerder (KPMG) erkent dat mede door zijn fout er te veel uitkering is verstrekt. Dan zou voor verweerder een reden moeten zijn de terugvordering te matigen of hiervan af te zien. Eiser wijst erop dat hij geen gegevens aan verweerder (KPMG) behoefde te verstrekken, omdat deze de gegevens ontving van het Uwv. Als Uwv niet alle relevante gegevens aan verweerder heeft verstrekt, mogen de gevolgen hiervan niet op eiser worden afgewenteld. Tot slot stelt eiser dat hij de BW-uitkering die hij via KPMG ontving en die tot 1 juli 2016 zou doorlopen, in allerijl heeft stopgezet. Eiser is nu noodgedwongen gebruik gaan maken van zijn Keuzepensioen. Hierdoor loopt eiser een totaalbedrag van € 42.250,14 mis.

4.

In reactie op de beroepsgronden geeft verweerder aan dat bruto is teruggevorderd. Ook geeft verweerder aan dat bij besluit van 28 januari 2013 alsnog aan eiser een BW-recht is toegekend met ingang van 3 oktober 2012. Het betreffende bedrag is in maart 2013 nabetaald en in mindering gebracht op de vordering. Volgens verweerder kon eiser redelijkerwijs weten dat hij te veel uitkering ontving. Bij een aanslutende BW-uitkering moet eiser alle wijzigingen doorgeven aan verweerder. Volgens verweerder mag, in geval van een fout van het bestuursorgaan, het volledige bedrag terugvorderen, als van de uitkeringsgerechtigde geen signaal komt dat er mogelijkerwijs iets niet klopt. Tot slot stelt verweerder dat eiser zelf heeft gekozen voor zijn Keuzepensioen. Dit is niet aan verweerder te verwijten.

5.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij tot drie keer toe telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder (Loyalis/KPMG) om vragen te stellen over zijn uitkering. De eerste keer was in 2009, kort na de aanvraag om een BW-uitkering. Toen is eiser verzekerd dat de door hem ingestuurde gegevens correct waren. Voorts heeft eiser kort na september 2011 telefonisch contact opgenomen met verweerder (KPMG). Toen is aan eiser bevestigd dat hij tot 2016 een BW-uitkering zou ontvangen en dat bij het einde van zijn WW-uitkering dit met de BW-uitkering zou worden gecompenseerd. Op 20 december 2012 heeft eiser voor de derde keer telefonisch contact opgenomen met verweerder (KPMG) in verband met de hoogte van zijn uitkering. Toen werd eiser te kennen gegeven dat er iets niet zou kloppen. Hierna ontving eiser in januari 2013 een tweede BW-besluit. Volgens eiser is er voor verweerder voldoende reden om de terugvordering te matigen.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.



6. Niet in geschil is dat de – al dan niet volledige - BW-uitkering die eiser vanaf augustus 2011 ontving onverschuldigd is betaald, mede als gevolg van een fout van verweerder.



7. Verweerder heeft zijn besluit om tot terugvordering over te gaan gebaseerd op artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van de Bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bbwo) en artikel 36, eerste lid van de Werkloosheidswet (WW).
In artikel 11, tweede lid, onder a, Bbwo is (onder meer) bepaald dat de artikelen 30 tot en met 41 WW van overeenkomstige toepassing zijn op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering.
In artikel 36, eerste lid, WW is onder meer bepaald dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd. Dit betekent dat in principe sprake is van een terugvorderingsverplichting.

8.

Eiser betwist allereerst de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt hoe het bedrag van € 15.001,79 tot stand is gekomen. Aannemelijk is naar het oordeel van de rechtbank wel dat dit een brutobedrag is. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift angegeven dat de aansluitende BW-uitkering die in maart 2013 aan eiser zou zijn nabetaald, in mindering is gebracht op de vordering. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is dit echter niet op te maken. Gelet op de betwisting door eiser, kan niet worden vastgesteld of het teruggevorderde bedrag van € 15.001,79 juist is. Het beroep is in zoverre reeds gegrond.

9.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij vanaf 1 augustus 2011 te veel BW-uitkering ontving. Verweerder erkent dat hij zelf ook een fout heeft gemaakt, maar hij is van mening dat hij het onverschuldigd betaalde bedrag volledig mag terugvorderen, omdat eiser geen signaal heeft afgegeven dat er mogelijkerwijs te veel uitkering werd verstrekt. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt niet. Eiser heeft immers onbetwist gesteld dat hij op 20 december 2012 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder (KPMG) omdat eiser vermoedde dat er iets niet zou kloppen met de hoogte van zijn uitkering. Naar aanleiding van dit signaal van eiser heeft verweerder pas op 28 januari 2013 een (tweede) besluit genomen betreffende eisers aanspraak op een aansluitende BW-uitkering. Daar komt bij dat eiser, naar hij ter zitting uitvoerig heeft uiteengezet, ook al in september 2011 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder (KPMG). Eiser deed dit, omdat hij op zijn salarisstrook zag staan dat hij tot 2016 op de loonlijst stond. Van de kant van verweerder is toen aan eiser bevestigd dat hij tot 2016 een BW-uitkering zou ontvangen en dat dit bij het einde van de WW-uitkering met de BW-uitkering zou worden aangevuld. In dit telefoongesprek heeft verweerder niet geconstateerd dat er iets niet zou kloppen, terwijl verweerder later is gebleken dat eiser vanaf augustus 2011 ten onrechte een BW-uitkering heeft ontvangen. Hetgeen eiser omtrent de door hem gevoerde telefoongesprekken heeft verklaard, komt de rechtbank geloofwaardig voor. Ook het feit dat eiser, zoals hij onbetwist heeft gesteld, al in 2009 contact heeft opgenomen met verweerder (Loyalis) om te vragen of de door hem ingezonden gegevens juist waren, duidt er niet op dat eiser nimmer een signaal heeft afgegeven. Verweerders stelling dat er van de kant van eiser nooit een signaal is gekomen, is dan ook niet houdbaar.

10.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Verweerder is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat eiser wel degelijk signalen heeft afgegeven waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat er met zijn BW-uitkering iets niet klopte. Daar komt bij dat verweerder ook zelf heeft aangegeven dat hij een fout heeft gemaakt, waardoor de BW-uitkering te lang doorliep. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser van 17 april 2013 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerder, gelet op het voorgaande, in ieder geval dienen over te gaan tot matiging van de terugvordering. Een matiging tot 50% zal naar het oordeel van de rechtbank de rechterlijke toets kunnen doorstaan. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

11.

Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank in dit geval twee punten toe: een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. Elk punt komt overeen met een bedrag van € 472,--. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. De proceskosten moeten worden betaald aan eiser. Ook de door eiser gemaakte reiskosten ten bedrage van € 19,10 komen voor vergoeding in aanmerking.

12.

Tot slot gelast de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160,-- aan hem vergoedt.


Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 18 juni 2013, verzonden 20 juni 2013;
-veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 963,10 , te betalen aan eiser;
-gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, rechter, in aanwezigheid van
P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.