Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11524

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/4543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster volgde een opleiding. Hieraan was een arbeidsovereenkomst gekoppeld. Verzoekster is met de opleiding gestopt. Kan dat haar worden verweten? De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet verwijtbaar is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen. Verweerder moet verzoekster behandelen als ware zij WW-gerechtigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 13/4543

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 25 november 2013 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. J. Kluivers

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2013 (het primaire besluit] heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat zij per 1 september 2013 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), omdat verzoekster zelf is gestopt met haar opleiding, waardoor de werkgever haar dienstverband moest beëindigen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. P. Nicolai.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit van 15 augustus 2013 met ingang van 5 november 2013 tot de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
    - draagt verweerder op verzoekster met ingang van 5 november 2013 te behandelen als ware zij in het bezit van een recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- , te betalen aan verzoeksters gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Na een intake is verzoekster vanaf september 2012 bij het Regio College te Zaandam de opleiding Verzorgende IG, niveau 3 gaan volgen. Dit hield (mede) in dat zij vier dagen ging werken bij haar werkgever, Stichting [naam 1], en dat zij een dag per week onderwijs volgde. Aan deze beroepsbegeleidende leerweg (BBL) was een arbeidsovereenkomst met haar werkgever gekoppeld. Uit de stukken komt onder meer naar voren dat de werkgever tevreden was over verzoekster. Tijdens de opleiding kreeg verzoekster intensieve begeleiding. Desondanks slaagde verzoekster er niet in om in het kader van de opleiding voldoende resultaten te boeken. Hierdoor is per 1 juni 2013 de opleiding van verzoekster geëindigd.

3.

De voorzieningenrechter wijst allereerst op het verslag van de zorgcoördinator van het Regio College (gedingstuk 9.18 en 9.19). Hierin komt onder meer de volgende conclusie naar voren (verzoekster wordt aangeduid met de naam ‘[naam 2]’):
‘[naam 2] was onvoldoende in staat om zich in te zetten voor haar opleiding door haar omstandigheden (balans opleiding, werk, opvoeding, huishouden en zonder familie in Nederland zijn) gecombineerd met haar emotionele staat (somber). [naam 2] was overbelast en het volgen van een opleiding bleek in deze levensfase onrealistisch. [naam 2] wilde heel graag deze opleiding blijven volgen. Haar loopbaancoach en ik hebben echter goed gesproken met [naam 2]. Het lijkt te liggen aan haar toenmalige levensfase (het ligt niet aan haar motivatie). Omdat de werkgever tevreden was over [naam 2], is door de opleiding besloten dat [naam 2] beter kon gaan werken met haar niveau 2-diploma en de opleiding voor haar te beëindigen. Misosotis vindt het heel jammer. Ze geeft aan dat ze de inspanningen van docenten en mij als fijn heeft ervaren.’

4.

Voorts bevindt zich in het dossier een op 1 juni 2013 gedateerd stuk van het Regio College. Dit stuk vermeldt het feit dat verzoekster is uitgeschreven bij het Regio College wegens onbekende persoonlijke omstandigheden. Voorts wijst de voorzieningenrechter op de op 19 augustus 2013 verzonden e-mail van de P&O-functionaris van verzoeksters werkgever. De tekst van deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
‘[verzoekster] is voor het einde van haar eerste jaar verzorgende IG gestopt met de opleiding. De reden hiervoor was dat zij haar toetsen op school niet haalde en de opdrachten op haar stage niet goed kon beschrijven waardoor deze niet goed beoordeeld konden worden. Zij is zelf vroegtijdig gestopt, maar het had ook geen zin om verder te gaan, omdat zij toch niet door zou kunnen gaan naar het tweede jaar.’ In dit verband wijst de voorzieningenrechter ook op de brief van de werkgever van 14 november 2013. Deze brief komt – kort gezegd- neer op het volgende: als er geen leerovereenkomst meer is, is er ook geen arbeidsovereenkomst meer.

5.

Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd verklaard dat zij in de periode tussen 1 juni 2013 en 31 juli 2013 gedurende in totaal vijf dagen per week bij de werkgever is blijven werken op basis van niveau 2. Zij werkte de reguliere vier dagen per week en tevens de dag die aanvankelijk bestemd was voor haar opleiding. Per 1 augustus 2013 heeft de werkgever haar ontslagen.

6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster met haar opleiding is gestopt zonder dat dit nodig was. Hierdoor heeft de werkgever haar dienstverband moeten opzeggen, zonder dat dit nodig was. Volgens verweerder is verzoekster dus verwijtbaar werkloos geworden. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 24, tweede lid, onder b, WW. Dit artikel luidt als volgt:
‘2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
a. (…….)
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanig bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.’

7.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of aan verzoekster redelijkerwijs kan worden verweten dat de opleiding en dus ook de dienstbetrekking bij de werkgever zijn geëindigd. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Uit de stukken komt naar voren dat verzoekster, zowel op haar opleiding, als bij de werkgever steeds haar best heeft gedaan. Zij heeft zich steeds naar vermogen ingezet om de opleiding te volbrengen, terwijl zij ook op haar werk werd gewaardeerd. Door – hopelijk - tijdelijke omstandigheden is verzoekster kennelijk – ondanks de hulp die haar op de opleiding werd geboden – niet in staat geweest voldoende resultaten te behalen. Ook al moet het er wellicht voor worden gehouden dat verzoekster uiteindelijk zelf heeft besloten met de opleiding te stoppen, dan nog kan dit haar – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – niet worden verweten voor de periode na 1 augustus 2013.

8.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het door verzoekster ingediende bezwaarschrift een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook toe. Zij schorst het primaire besluit van 15 augustus 2013 met ingang van 5 november 2013 tot de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt verweerder voorts op verzoekster met ingang van 5 november 2013 te behandelen als ware zij in het bezit van een recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij de hoogte en de theoretische duur van de uitkering nog niet heeft vastgesteld. Hij zal ervoor zorgdragen dat deze week een besluit daarover wordt genomen.

9.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 44,-- vergoedt.

10.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de gemachtigde van verzoekster.

11.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op
25 november 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: