Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11523

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/4236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het gaat om een Wwb-aanvraag. Bij de aanvraag bleek er een groot aantal stortingen te zijn gedaan op de bankrekening van verzoekster. Het ging om stortingen van een derde. Niet is gebleken dat is voldaan aan de vereisten van geldleningen waarmee in het kader van de bijstand rekening gehouden kan worden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/4236

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Oass),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Op 31 mei 2013 hebben verzoekers zich gemeld voor de aanvraag van een Wwb-uitkering. Op 11 juni 2013 heeft het intakegesprek plaatsgevonden. In de loop van het onderzoek is gebleken dat er in ieder geval vanaf februari 2013 sprake is van een groot aantal stortingen door [naam], de oom van [verzoekers] (hierna: verzoekster), op haar bankrekening. Sinds 1 september 2013 ontvangt verzoekster studiefinanciering tot een bedrag van € 752,-- netto per maand. Zij heeft een aanvullende beurs aangevraagd.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers ten tijde van de Wwb-aanvraag konden beschikken over middelen om in hun levensonderhoud te voorzien. De stortingen op de bankrekening van verzoekster kunnen niet aangemerkt worden als leningen, omdat verzoekers verklaard hebben dat geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld, er geen directe terugbetalingsverplichting is en niet daadwerkelijk wordt terugbetaald. Daar komt bij dat de stortingen na de Wwb-aanvraag zijn doorgegaan. De verklaring van [naam] leidt niet tot een ander standpunt. Dit geldt eveneens voor de ter zitting overgelegde geldleningsovereenkomst, aldus verweerder.

4.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat er wel degelijk sprake is van leningen. In dit verband hebben zij gewezen op de verklaring van [naam], gedateerd 29 oktober 2013. Voorts hebben verzoekers ter zitting een geldleningsovereenkomst overgelegd tussen [naam] en verzoekster. Deze overeenkomst is gedateerd op 8 november 2013. Verzoekers hebben er ook op gewezen dat zij veel schulden hebben. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij (nog) niet op de geldlening(en) heeft afgelost. Volgens verzoekers is wel sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. De lening moet uiterlijk in 2016 worden terugbetaald. Met de geleende bedragen zijn schulden afbetaald.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat verzoekers per 31 mei 2013 een Wwb-aanvraag hebben ingediend. Voorts blijkt uit de stukken dat er in de periode mei-juli 2013 regelmatig (grote) bedragen op de rekening van verzoekster zijn gestort, merendeels door [naam]. In mei 2013 gaat het om een totaalbedrag van € 1.819,-- en in juni 2013 om een bedrag van € 2.769,--. Deze bedragen zijn hoger dan de voor verzoekers geldende bijstandsnorm. Verweerder heeft hieruit de conclusie getrokken dat verzoekers beschikken over middelen om in hun levensonderhoud te voorzien. Volgens verzoekers is echter geen sprake van middelen, maar van een geldlening waarmee verweerder bij het afhandelen van de Wwb-aanvraag rekening had moeten houden.

6.

De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van beroep (CRvB) waar het gaat om geldleningen in relatie tot bijstandsverlening. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kunnen schulden (leningen) in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen, indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan de schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Een schuld aan een familielid is veelal een schuld van vrijblijvende aard. Een belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Dit dient te geschieden met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn. (Zie de uitspraak van de CRvB van 18 december 2012 – gepubliceerd onder nr. ECLI:NL:CRVB:2012:BY6620).

7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er ten tijde van de aanvraag was voldaan aan de hiervoor vermelde vereisten. Er was geen overeenkomst tot geldlening opgesteld en verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aanvraag sprake was van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Verzoekers hebben in deze procedure een verklaring van [naam] van 29 oktober 2013 overgelegd. In deze verklaring staat onder meer vermeld dat de hulp (aan verzoekster) is gestopt vanaf de aanvraag van de uitkering bij de gemeente. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat dit niet juist is: ook in de periode van 1 tot en met 17 juli 2013 heeft verzoekster nog bedragen van [naam] ontvangen tot een totaalbedrag van in ieder geval € 2.037,--. Voorts hebben verzoekers ter zitting een “geldleningsovereenkomst” tussen verzoekster en [naam] overgelegd. Deze overeenkomst is ondertekend op 8 november 2013 en betreft een lening ten bedrage van € 15.000,--. Uit deze overeenkomst kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin worden afgeleid dat er ten tijde van de aanvraag al een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond, aangezien onder meer is bepaald dat de schuldenaar (verzoekster) ten minste met € 50,-- per maand op de lening aflost zodra zij over een uitkering beschikt. Vaststaat dat verzoekster niet over een uitkering beschikt; zij ontvangt studiefinanciering. Voorts heeft verzoekster ter zitting desgevraagd verklaard dat zij (nog) niet op de lening heeft afgelost.

8.

Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 november 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.