Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11522

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
HAA 13/4397
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers aanvraag om een Wwb-uitkering buiten behandeling gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij de door verweerder gevraagde bankafschriften niet tijdig heeft kunnen overleggen. Het ging immers om de bankrekening van zijn broer. Aannemelijk is dat verzoeker redelijkerwijs niet over deze bankafschriften kon beschikken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/4397

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uitgeest, verweerder

(gemachtigde: F. Büyükpatlak).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) buiten behandeling gesteld.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Verzoeker heeft vanaf 2010 een Wwb-uitkering van verweerders gemeente ontvangen. Vervolgens is hij verhuisd naar de gemeente Beverwijk. Daar heeft hij een Wwb-uitkering ontvangen tot 20 juni 2013. Verzoeker moest op 20 juni 2013 zijn huis verlaten en was enige maanden dakloos. Hij heeft zich op 15 augustus 2013 ingeschreven in de gemeente Uitgeest. Vervolgens heeft verzoeker zich op 18 september 2013 gemeld voor de aanvraag van een Wwb-uitkering. Op 26 september 2013 volgde het intakegesprek. Voorafgaande aan dit gesprek ontving verzoeker een brief van 23 september 2013 om een aantal stukken over te leggen, waaronder bankafschriften over de afgelopen drie maanden. Bij de intake is gebleken dat er gegevens ontbraken, zoals de bankafschriften. Op 4 oktober 2013 ontving verzoeker een eerste hersteltermijn met het verzoek om voor 11 oktober 2013 alsnog bankafschriften te verstrekken over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Op 11 oktober 2013 heeft verweerder een tweede hersteltermijn verzonden. De bankafschriften van de bankrekening met nr. [rekeningnummer] moesten voor 16 oktober 2013 ingeleverd zijn. Deze bankrekening staat op naam van verzoekers broer. Op 17 oktober 2013 heeft verzoeker een e-mail aan verweerder gestuurd. Ook op 18 oktober 2013 heeft hij nog e-mails gestuurd aan verweerder. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit van 21 oktober 2013 genomen.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te stellen. Volgens verweerder heeft verzoeker bij het intakegesprek toegezegd dat hij de gevraagde bankafschriften zou inleveren. Verweerder heeft voorts gesteld dat deze bankafschriften noodzakelijk zijn voor het vaststellen van verzoekers vermogen dan wel van zijn recht op bijstand. Uit verzoekers e-mail van 17 oktober 2013 heeft verweerder opgemaakt dat verzoeker de gevraagde bankafschriften niet zou leveren. Om die reden is de aanvraag buiten behandeling gesteld.

5.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij al bij het intakegesprek heeft gezegd dat de aanlevering van de bankafschriften een probleem zou worden. Het gaat immers om afschriften van de bankrekening van verzoekers broer. Verzoekers eigen bankrekening is geblokkeerd. Verzoeker heeft zijn best gedaan maar zijn broer bleek niet bereid de afschriften van zijn bankrekening te geven. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat zijn broer hem uitsluitend heeft gemachtigd de bankrekening te gebruiken voor het storten van de uitkering. Die machtiging is 20 juni 2013 ingetrokken. Nadien kon verzoeker van de bewuste bankrekening geen gebruik maken. Daarnaast heeft verzoeker ter zitting aangevoerd dat de bankafschriften van verzoekers broer niets kunnen zeggen over verzoekers vermogenspositie. Verzoeker wijst er voorts op dat hij via e-mails van 17 en 18 oktober 2013 heeft gevraagd om een alternatieve oplossing. Hierop heeft verzoeker geen antwoord gekregen. Verzoeker is van mening dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert en hij vraagt om toekenning van een voorschot.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

6.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet zonder meer aannemelijk is dat de bankafschriften van rekeningnr. [rekeningnummer] gegevens bevatten die nodig zijn voor de beoordeling van verzoekers aanvraag om een Wwb-uitkering. Verzoeker heeft immers onweersproken gesteld dat hij vanaf 20 juni 2013, toen hij uit zijn huis is gezet, geen gebruik meer heeft gemaakt van de bewuste bankrekening. Voorts heeft verzoeker onweersproken gesteld dat verzoekers broer verzoeker had gemachtigd om gebruik te maken van die bankrekening, uitsluitend om daarop de uitkering te storten. Vanaf 20 juni 2013 heeft verzoekers broer de machtiging echter ingetrokken. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien op grond waarvan de bankafschriften van verzoekers broer nodig waren voor het vaststellen van het vermogen van verzoeker danwel voor het beoordelen van zijn recht op bijstand.
8. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij voormelde bankafschriften niet (tijdig) heeft overgelegd, aangezien aannemelijk is dat hij hierover redelijkerwijs niet kon beschikken. Het ging immers om de bankrekening van verzoekers broer. Dat verzoeker aanvankelijk bij verweerder aangaf dat het verstrekken van de bankafschriften geen probleem zou zijn, zoals verweerder aanvoert, maakt het voorgaande niet anders. Uit verzoekers e-mail van 17 oktober 2013 – dat is vier dagen voor het primaire besluit – komt naar voren dat verzoeker – wegens onenigheid - niet bij machte is geweest de gevraagde bankafschriften over te leggen.

9.

Bij de stand van zaken zoals hiervoor weergegeven, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten verzoekers Wwb-aanvraag buiten behandeling te stellen. Dit betekent dat verzoekers bezwaar tegen het primaire besluit een redelijke kans van slagen heeft. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

10.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 21 oktober 2013 wordt geschorst met ingang van 24 oktober 2013 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Doordat het primaire besluit wordt geschorst, herleeft de aanvraag van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet in dit verband aanleiding, overeenkomstig artikel 52, eerste lid, Wwb, verweerder op te dragen met ingang van 24 oktober 2013 aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm.

11.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter tevens dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van
€ 44,-- vergoedt.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, aangezien niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het primaire besluit van 21 oktober 2013 met ingang van 24 oktober 2013 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- gelast verweerder om met ingang van 24 oktober 2013 aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 november 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.