Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11500

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
15/660159-12 en 15/700838-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De aanleiding voor de belaging was een geldbedrag dat het slachtoffer [slachtoffer 1] aan verdachte verschuldigd was en dat [slachtoffer 1] in de ogen van verdachte niet snel genoeg terugbetaalde. Ook al kan begrip worden opgebracht dat verdachte het haar toekomende geldbedrag terugbetaald wilde hebben, verdachte heeft er voor gekozen om dat geldbedrag op haar eigen manier terug te gaan halen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1], door hem een mes op zijn keel te zetten en met een mes zwaaiende bewegingen in de richting van het gezicht en de borst van [slachtoffer] te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/660159-12 en 15/700838-12

Uitspraakdatum: 13 november 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 in de zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. van Hulsel en van wat verdachte en haar raadsman, mr. B.Y. de Boer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 15/660159-12:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2012 tot en met 2 juli 2012 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2], in elk geval van een ander of anderen, met het oogmerk dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2], in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, in genoemde periode:

- met (grote) regelmaat, althans een of meerdere malen, telefonisch contact met dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2] gezocht en/of

- een of meerdere malen (een) sms-bericht(en) naar dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2]

verzonden en/of

- een of meerdere malen via internet (Facebook) contact gezocht met en/of (een) bericht(en) verstuurd naar dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2] en/of

- een of meerdere malen via internet (Facebook) contact gezocht met en/of (een) bericht(en) verstuurd naar een of meer (Facebook)contactperso(o)n(en) van mw. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2];

In de zaak met parketnummer 15/700838-12:

Primair

zij op of omstreeks 06 december 2012 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (groot) mes op/tegen de nek van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of één of meermalen met dat (grote) mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], in elk geval in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij op of omstreeks 06 december 2012 te Haarlem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een (groot) mes op/tegen de nek van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of één of meermalen met dat (grote) mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], in elk geval in de richting van die [slachtoffer 1], waarbij zij, verdachte, de neus van die [slachtoffer 1] heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

zij op of omstreeks 06 december 2012 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (groot) mes op/tegen de nek van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gedrukt en/of één of meermalen met dat (grote) mes zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van het gezicht en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], in elk geval in de richting van die [slachtoffer 1].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 15/660159-12 ten laste gelegde feit alsmede van het in de zaak met parketnummer 15/700838-12 primair ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden parketnummer 15/660159-12 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Vanaf 2006 tot en met 2009 wonen verdachte en aangever [slachtoffer 1] allebei in de [adres] te Haarlem. [slachtoffer 1] verhuist later met zijn gezin naar een andere plek in Haarlem. Als [slachtoffer 1] als aannemer een klus in de woning van verdachte moet verrichten, komen zij elkaar weer tegen. Op het moment dat [slachtoffer 1] aan verdachte vertelt dat hij nogal krap bij kas zit, biedt verdachte aan hem een geldbedrag te lenen. Rond augustus 2011 stellen zij een overeenkomst op. Begin 2012 wil verdachte haar geld per direct terughebben van verdachte. [slachtoffer 1] kan het geleende bedrag echter niet in één keer betalen en biedt aan het bedrag in termijnen van €500,- per maand terug te betalen. Vanaf begin februari 2012 begint verdachte [slachtoffer 1] stelselmatig telefonisch lastig te vallen. In het begin belt verdachte naar [slachtoffer 1] met haar mobiele nummer [telefoonnummer 1]. Vervolgens belt zij meerdere keren per dag met een privénummer naar [slachtoffer 1]. Als [slachtoffer 1] zijn telefoon opneemt, scheldt verdachte hem uit of beledigt hem. Ook met haar huisnummer belt verdachte tientallen keren per dag naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] wordt bang van verdachte. Ondanks dat [slachtoffer 1] duidelijk heeft gemaakt dat hij verdachte het geld terug zal betalen, blijft zij hem lastig vallen. Op 6 juni 2012 doet [slachtoffer 1] aangifte van belaging jegens verdachte. Hij wil dat zij stopt met zijn gezin lastig te vallen.2 In de periode van 14 april 2012 tot en met 5 juni 2012 heeft verdachte tenminste 65 keer met haar mobiele nummer [telefoonnummer 1] en tenminste 48 keer met haar huistelefoon met nummer [telefoonnummer 2] naar [slachtoffer 1] gebeld.3 Deze nummers staan op naam van verdachte.4 Tevens heeft verdachte tenminste 164 keer met een geheim nummer naar [slachtoffer 1] gebeld. Ook heeft zij een aantal sms-berichten naar [slachtoffer 1] gestuurd.5 Op 2 juli 2012 verschijnt [slachtoffer 1] weer op het politiebureau. Verdachte gaat door met het stalken van [slachtoffer 1] en zijn gezin en toont [slachtoffer 1] aan de politie dat er weer op grote schaal is gebeld. Verdachte tast door haar gedrag het privéleven van verdachte aan.6

Ook de vrouw van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], wordt door verdachte vanaf 30 januari 2012 telefonisch lastig gevallen. Op 19 maart 2012 stuurt verdachte een sms-bericht aan [slachtoffer 2] dat gericht is aan [slachtoffer 1]. Ook spreekt verdachte op 14 april 2012 de voicemail van [slachtoffer 2] in waarbij zij dreigt beslag te leggen op [slachtoffer 2]'s loon. Op 15 april 2012 belt verdachte meerdere keren naar [slachtoffer 2]. Uit de gesprekken blijkt dat verdachte over bepaalde privé informatie van [slachtoffer 2] beschikt. Op 16 april 2012 gaat [slachtoffer 2] naar het politiebureau om melding te doen van belaging. Op dat moment neemt verbalisant telefonisch contact op met verdachte en spreekt met haar af dat zij zal stoppen met het lastigvallen van [slachtoffer 2].7 Vanaf 11 mei 2012 neemt verdachte echter weer telefonisch contact op met [slachtoffer 2]. Op 12 mei 2012 stuurt verdachte ook sms-berichten naar [slachtoffer 2].8

3.3. Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die met een onbekend nummer naar aangevers heeft gebeld. Uit uitdraaien in het dossier blijkt dat met de telefoonnummers van verdachte in totaal maximaal honderd keer gebeld is naar aangever. De gedragingen van verdachte kunnen niet worden aangemerkt als belaging, aldus de raadsman. Concluderend heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door haar handelwijze stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aangever [slachtoffer 1] in zijn aanvullende aangifte van 15 juni 2013 heeft verklaard dat het verdachte is geweest die aangever telkens met een onbekend nummer lastigvalt. [slachtoffer 1] heeft namelijk toen hij gebeld werd door een onbekend nummer, direct met een ander toestel naar het huisnummer van verdachte gebeld. Op dat moment hoort hij op zijn mobiele telefoon - waarmee hij verbinding heeft met het onbekende nummer - op de achtergrond een telefoon overgaan. Vervolgens hoort hij op zijn mobiele telefoon geritsel en hoort hij dat de vaste lijn beantwoord wordt met: "Met [verdachte]". Ook op de andere telefoon waarmee hij het vaste nummer belt, hoort hij: "Met [verdachte]". Gelet op deze bevindingen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] telkens heeft gebeld met een onbekend nummer. Door herhaaldelijk en op indringende wijze contact te blijven zoeken met aangever en [slachtoffer 2], terwijl het verdachte overduidelijk moest zijn dat zij dit contact niet wensten, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden parketnummer 15/700838-12 9

Op 6 december 2012 omstreeks 10.00 uur bevindt aangever [slachtoffer 1] zich op de [a-straat] te Haarlem. Hij heeft zojuist zijn dochtertje naar school gebracht en loopt terug naar zijn bedrijfsbus. Op het moment dat hij zijn bus is ingestapt en de deur heeft gesloten, wordt het portier aan de bijrijderskant geopend door verdachte. Verdachte pakt een blikje Red Bull van de bijrijdersstoel en gooit dit in de richting van [slachtoffer 1]. Als [slachtoffer 1] de bus is uitgestapt, zegt verdachte op agressieve manier: "Geef mij de I-Phone terug." In haar hand houdt zij een groot mes vast van ongeveer 30 centimeter lang. Op de vraag van [slachtoffer 1] of zij hem wil vermoorden, antwoordt verdachte bevestigend. Vervolgens pakt verdachte [slachtoffer 1] vast en zet het mes op zijn keel. [slachtoffer 1] voelt pijn op de plek waar het mes hem raakt. Doordat [slachtoffer 1] verdachte met beide handen van zich afduwt, krijgt hij voldoende ruimte om naar zijn bedrijfsbus te rennen en een stok te pakken. Verdachte houdt het mes in een dreigende houding in de richting van [slachtoffer 1]. Als [slachtoffer 1] vervolgens met de stok een klap tegen de scheen van verdachte geeft, drukt verdachte het mes tegen de buik van [slachtoffer 1] aan. [slachtoffer 1] duwt verdachte met kracht van zich af.10 Vervolgens maakt verdachte zwaaiende bewegingen met het mes in de richting van de borst en het gezicht van [slachtoffer 1].11 Nadat [slachtoffer 1] haar nogmaals een klap met de stok heeft gegeven, krijgt hij de kans haar rechterpols vast te pakken en haar tegen een muur te drukken. Op dat moment komen er drie vrouwen op hem afgerend.12 [slachtoffer 1] roept: "Bel de politie, kijk uit, ze heeft een mes!" [slachtoffer 1] heeft verwondingen op zijn voorhoofd en in zijn nek.13

3.5. Bewijsoverwegingen

Het mes

Verdachte heeft verklaard dat het juist het slachtoffer [slachtoffer 1] was die haar met een mes heeft bedreigd. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. Het was verdachte die die dag de confrontatie zocht en zich agressief gedroeg richting het slachtoffer [slachtoffer 1]. Bij hem zijn verwondingen geconstateerd op zijn voorhoofd en nek, die in overeenstemming zijn met de door hem gegeven verklaring. De getuigenverklaringen relateren dat het de vrouw was die een ijzeren staaf/ metalen stang in haar hand had. Tot die overtuiging draagt nog bij dat het merk van het mes overeenkomt met het merk keukenmessen dat verdachte bij haar thuis in een messenblok had staan.

Voorwaardelijk opzet

Naar algemene ervaringsregels levert het maken van zwaaiende bewegingen met een mes in de richting van het hoofd en de borst van een persoon, waar zich vitale organen bevinden, de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daar zwaar lichamelijk letsel aan overhoudt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte door haar handelen dan ook minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, en dat zij daarmee voorwaardelijk opzet heeft gehad op het primair ten laste gelegde feit.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/660159-12:

zij in de periode van 11 april 2012 tot en met 2 juli 2012 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van dhr. [slachtoffer 1] en mw. [slachtoffer 2], met het oogmerk dhr. [slachtoffer 1] en mw. [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, in genoemde periode:

- met grote regelmaat telefonisch contact met dhr. [slachtoffer 1] en mw. [slachtoffer 2] gezocht en

- een of meerdere malen (een) sms-bericht(en) naar dhr. [slachtoffer 1] en/of mw. [slachtoffer 2] verzonden.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/700838-12:

Primair

zij op 6 december 2012 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een groot mes op/tegen de nek van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt en één of meermalen met dat grote mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/660159-12:

Belaging.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/700838-12:

Primair:

Poging tot zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd houdt aan de voorwaarden en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht; ook indien zulks inhoudt dat verdachte zich houdt aan een meldplicht, waarbij er binnen deze meldplicht onderzoek zal plaatsvinden naar de hulpverleningsmogelijkheden en ook indien zulks inhoudt dat verdachte meewerkt aan een intake bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- zich houdt aan een contactverbod, waarbinnen verdachte geen contact, middellijk of onmiddellijk, heeft met aangever [slachtoffer 1].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] in zijn geheel dient te worden toegewezen en dat de vordering van [slachtoffer 1] met betrekking tot de belaging in zijn geheel dient te worden toegewezen en de vordering van [slachtoffer 1] met betrekking tot de poging tot zware mishandeling dient te worden gematigd tot een bedrag van € 500,- en dat hierbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen, te weten een mes en een steel van een bijl, heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Reclassering Nederland uitgebrachte rapport d.d. 29 maart 2013 en van het voortgangsverslag d.d. 18 oktober 2013 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De aanleiding voor de belaging was een geldbedrag dat het slachtoffer [slachtoffer 1] aan verdachte verschuldigd was en dat [slachtoffer 1] in de ogen van verdachte niet snel genoeg terugbetaalde. Ook al kan begrip worden opgebracht dat verdachte het haar toekomende geldbedrag terugbetaald wilde hebben, verdachte heeft er voor gekozen om dat geldbedrag op haar eigen manier terug te gaan halen. Zij heeft daartoe de beide slachtoffers bestookt met telefoontjes en sms-berichten. Beide slachtoffers hebben verklaard bang te zijn voor verdachte. Zelfs nadat verdachte was gewaarschuwd door de politie, is zij toch doorgegaan met de belaging van het gezin. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en heeft zij onrust en leed veroorzaakt bij de slachtoffers.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1], door hem een mes op zijn keel te zetten en met een mes zwaaiende bewegingen in de richting van het gezicht en de borst van [slachtoffer 1] te maken. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer een telefoon van een van haar zoontjes gestolen had. In plaats van het politieonderzoek af te wachten, heeft verdachte ervoor gekozen om ook hier het recht in eigen handen te nemen, waarbij zij niet geschroomd heeft om een mes mee te nemen. Verdachte heeft door haar handelen pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit aangetast. Deze ruzie had voor het slachtoffer veel ernstiger kunnen aflopen. Verdachte heeft dit feit bovendien op de openbare weg gepleegd, onder de ogen van een aantal personen en vlakbij een basisschool. Dergelijke strafbare feiten plegen grote indruk te maken op getuigen. Daarnaast veroorzaken die feiten vaak onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de slachtoffers, beveelt de rechtbank dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De bescherming van de veiligheid en lichamelijke integriteit van personen, in het bijzonder dat van de slachtoffers, prevaleert naar het oordeel van de rechtbank boven het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging van de sanctie pas plaatsvindt nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

6.3. Bijkomende straf

verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes van het merk J.A. Henckels, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het in de zaak met parketnummer 15/700838-12 bewezen verklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een steel voor een bijl, dient te worden teruggegeven aan [slachtoffer 1], aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8. Vorderingen van de benadeelde partijen

8.1. Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/700838-12 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voorts heeft de benadeelde partij [slachtoffer 1] een vordering tot schadevergoeding van € 1200,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in de zaak parketnummer 15/660159-12 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 500,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal hetgeen meer of anders is gevorderd, afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering is toegewezen.

8.2. Benadeelde partij [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 1200,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in de zaak parketnummer 15/660159-12 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 500,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank zal hetgeen meer of anders is gevorderd, afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering is toegewezen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 285b, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd houdt aan de voorwaarden en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht; ook indien zulks inhoudt dat verdachte,meewerkt aan een onderzoek naar de hulpverleningsmogelijkheden en dat verdachte meewerkt aan een intake bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- zich houdt aan een contactverbod, waarbinnen verdachte geen contact, middellijk of onmiddellijk, heeft met aangever [slachtoffer 1].

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdtwintig (120) uren taakstraf die bestaat uit een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Mes, J.A. Henckels.

Wijst toe de vorderingen tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 1500, -, bestaande uit € 1000,- voor de immateriële schade als gevolg van de poging zware mishandeling en € 500,- voor de immateriële schade als gevolg van de belaging, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1], voornoemd, op rekening [rekeningnummer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1500,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 500,- bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1], voornoemd, op rekening [rekeningnummer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

- 1.00 STK Slagwapen Kl: bruin, steel van een bijl.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E.P. Myjer, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. J.H. Crijns, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2013.

Mr. Myjer en Crijns zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 juni 2012, dossierpagina 11 e.v.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2012, dossierpagina 27 en bijlagen dossierpagina 28 e.v.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2012, dossierpagina 24.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2012, dossierpagina 27 en bijlagen dossierpagina 28 e.v.

6 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] d.d. 2 juli 2012, dossierpagina 17 e.v.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2012, dossierpagina 147 e.v.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 14 mei 2012, dossierpagina 138 e.v.

9 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

10 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 december 2012 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 6 december 2012.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 6 december 2012.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 december 2012.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 6 december 2012.