Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11471

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
14/701107-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; ontnemingszaak “Colorado”; grootschalig telen en bewerken van hennep; vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel; oplegging verplichting tot betaling aan de Staat van 2.494,66 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer

Parketnummer: 14/701107-10 (ontneming)

Uitspraakdatum : 18 november 2013

Promisvonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 4 januari 2013 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 De vordering

De officier heeft bij vordering van 4 januari 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 4 (de rechtbank leest verbeterd: lid 5), van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 2.625,00 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2 Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 18 januari 2013. Dit betrof een zogeheten regiezitting.

Ter terechtzitting van 18 januari 2013 zijn gehoord de waarnemend raadsvrouw van veroordeelde, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, en de officier van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor tot een tweede regiezitting op 15 april 2013 en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken teneinde nadere onderzoekshandelingen te verrichten. Tevens zijn termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.

Ter terechtzitting van 15 april 2013 zijn gehoord de waarnemend raadsman van veroordeelde, mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, en de officier van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de terechtzitting van 8 oktober 2013 en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris voornoemd teneinde nadere onderzoekshandelingen te verrichten. Tevens zijn definitieve termijnen afgesproken in verband met de schriftelijk voorbereiding van de ontnemingszaak.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende ontnemingsdossier, aangevuld met enkele afschriften uit het strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies

De officier van justitie heeft bij conclusie van repliek de vordering naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 2.520,34.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2013. Daarbij zijn gehoord de raadsman van veroordeelde, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Alkmaar, en de officier van justitie.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 november 2013 te 13.00 uur.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de gewijzigde vordering.

4 Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op € 1.970,34. Voorts voert de raadsman aan dat veroordeelde dit bedrag slechts gedeeltelijk uitbetaald heeft gekregen. Hij heeft als tegenprestatie een tweedehands koelkast ontvangen. De raadsman heeft verzocht het te betalen bedrag te matigen tot een bedrag van € 1.000,00.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1

5.1

Veroordeling

Bij arrest van 5 december 2012 van het Gerechtshof Amsterdam is veroordeelde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarbij onder andere is bewezen verklaard dat:

1.

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 30 september 2008 in de gemeente Heerhugowaard, in een bedrijfspand gelegen aan de [adres], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft bewerkt grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep;

2.

hij in de periode van 16 juli 2007 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Medemblik, in een woning gelegen aan de [adres] te Opperdoes, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft bewerkt grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van de ingevolge dat arrest bewezen verklaarde strafbare feiten.

5.2

De beoordeling

Op 1 december 2010 heeft de verbalisant [naam], financieel rechercheur bij de Financiële Recherche te Alkmaar, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde.

Bewezen is verklaard dat veroordeelde, samen met [medeveroordeelde], [medeveroordeelde], [medeveroordeelde], [medeveroordeelde] en [medeveroordeelde], deel uit maakte van de zogenaamde ‘oude’ knipploeg die in de hennepkwekerij in Heerhugowaard en de kniplocatie in Opperdoes hennepplanten knipten. Veroordeelde was echter geen vaste kracht van deze knipploeg, die op wekelijkse basis knipwerkzaamheden verrichtte, maar zijn rol heeft zich beperkt tot die van oproepkracht, voor het geval een van zijn medeveroordeelden verhinderd was.

Veroordeelde heeft bij de politie verklaard dat hij drie keer in Opperdoes heeft geknipt en vier keer in Heerhugowaard. Ook heeft hij verklaard dat hij gemiddeld 150 hennepplanten per dag knipte en dat hij € 2,50 per hennepplant verdiende.2 [medeveroordeelde] heeft bij de politie verklaard, nadat haar is voorgehouden dat [medeveroordeelde] heeft verklaard over inkomsten van € 2,50 per hennepplant, dat zij er niet over gaat twisten.3

In de conclusie van antwoord komt veroordeelde terug op zijn verklaring. Veroordeelde stelt zich te hebben vergist in de vergoeding van € 2,50 per geknipte hennepplant. Hij stelt dat hij € 2,00 per hennepplant heeft verdiend.

Op grond van de verklaring van veroordeelde afgelegd bij de politie en de ondersteunende verklaring van medeveroordeelde [medeveroordeelde] acht de rechtbank een vergissing niet aannemelijk. De rechtbank gaat uit van € 2,50 per geknipte hennepplant.

Heerhugowaard, [adres] (feit 1)

Ten aanzien van de werkzaamheden van veroordeelde in de hennepkwekerij in Heerhugowaard gaat de rechtbank voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van: 4 dagen maal 150 planten á € 2,50 is in totaal een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal rekening houden met de gemaakte reiskosten. Veroordeelde is vier keer heen en weer van Amsterdam naar Heerhugowaard gereden, hetgeen neerkomt op (2 x 46) kilometer á € 0,19 is in totaal een bedrag van € 69,92. Het totaal verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande: € 1.500,00 verminderd met € 69,92 aan kosten, levert op een bedrag van € 1.430,08.

Opperdoes, [adres] (feit 2)

Ten aanzien van de werkzaamheden van veroordeelde in de kniplocatie in Opperdoes gaat de rechtbank voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van: 3 dagen maal 150 planten á € 2,50 is in totaal een bedrag van € 1.125,00. De rechtbank zal rekening houden met de gemaakte reiskosten. Veroordeelde is drie keer heen en weer van Amsterdam naar Opperdoes gereden, hetgeen neerkomt op (2 x 53) kilometer á € 0,19 is in totaal een bedrag van € 60,42. Het totaal verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande: € 1.1250,00 verminderd met € 60,42 aan kosten, levert op een bedrag van € 1.064,58.

De rechtbank is van oordeel dat het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat dient te worden vastgesteld op een bedrag van (€ 1.430,08 + € 1.064,58 =) € 2.494,66.

6 Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank acht het standpunt van de raadsman, dat veroordeelde enkel een tweedehands koelkast als tegenprestatie heeft gekregen, onvoldoende onderbouwd. Veroordeelde heeft hier niet eerder over verklaard en ook overigens is niet uit het dossier naar voren gekomen dat er ooit in natura werd betaald voor het knippen van de hennep.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 2.494,66.

7 Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 2.494,66 (tweeduizend vierhonderdvierennegentig euro en zesenzestig cent).

Legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.494,66 (tweeduizend vierhonderdvierennegentig euro en zesenzestig cent).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2013.

1 De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal met nummer 20090916 0900 50223, inhoudende de verklaring van verdachte [veroordeelde] van 17 september 2009, p. 30 (bijlage B 20.007 ontnemingsdossier).

3 Proces-verbaal met nummer 200908190953 1425 1467, inhoudende de verklaring van verdachte [medeveroordeelde] van 19 augustus 2009, p. 12 (bijlage B17.010 ontnemingsdossier).